Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:845

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
05/862056-13 en 06/820611-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft vier jongemannen tot (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld ter zake van poging tot afdreiging van een vader van één van hen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummers : 05/862056-13 en 06/820611-11 (tul)

Uitspraak d.d. 4 februari 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. R.P. Adema, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 januari 2014.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting twee keer is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van 40.000 euro), in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer]voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), hierin bestaande dat verdachte en/of diens mededader(s) (meermalen) per telefoon met die [slachtoffer]contact heeft/hebben opgenomen en/of aan die [slachtoffer]sms-bericht(en) heeft/hebben gestuurd en/of (daarbij) die [slachtoffer]heeft/hebben medegedeeld (zakelijk weergegeven):

* dat verdachte en/of diens mededader(s) een (groen) (geld)kistje van die [slachtoffer]heeft/hebben ontvreemd en/of

* dat die [slachtoffer]een geldbedrag van 40.000 euro aan verdachte en/of diens mededader(s) moet betalen in ruil voor dit kistje en/of de inhoud van dit kistje en/of onder de dreiging dat anders de inhoud van dit kistje (bestaande uit (een aantal) (compromitterende) foto(’s) en/of film(s) en/of

cd-rom(s)) in de openbaarheid gebracht wordt en/of verspreid wordt door verdachte en/of diens mededader(s) en/of

* dat dit geldbedrag op een door verdachte en/of diens mededader(s) bepaalde locatie moet worden gedeponeerd,

waardoor die [slachtoffer]werd gedwongen tot bovengenoemde afgifte, althans tot

afgifte van enig geldbedrag;

art 318 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van 40.000 euro), in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer]voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met zijn mededader(s), althans alleen, met voormeld oogmerk

- ( meermalen) per telefoon met die [slachtoffer]contact heeft opgenomen en/of

aan die [slachtoffer]sms-bericht(en) heeft gestuurd en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer]heeft medegedeeld (zakelijk weergegeven):

* dat verdachte en/of diens mededader(s) een (groen) (geld)kistje van die [slachtoffer]

[slachtoffer] heeft/hebben ontvreemd en/of

* dat die [slachtoffer]een geldbedrag van 40.000 euro aan verdachte en/of diens

mededader(s) moet betalen in ruil voor dit kistje en/of de inhoud van dit

kistje en/of onder de dreiging dat anders de inhoud van dit kistje

(bestaande uit (een aantal) (compromitterende) foto(s) en/of film(s) en/of

cd-rom(s)) in de openbaarheid gebracht wordt en/of verspreid wordt

door verdachte en/of diens mededader(s) en/of

* dat die [slachtoffer]dit geldbedrag van zijn rekening moet opnemen en/of

* dat die [slachtoffer](daartoe) een afspraak bij de/een bank moet maken en/of

* dat die [slachtoffer]dit geldbedrag (voor de overdracht) moet deponeren op

een door verdachte en/of diens mededader(s) bepaalde locatie, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer](of een door/namens die [slachtoffer]

ingeschakelde tussenpersoon) nadere informatie heeft gegeven over die locatie

en/of nadere instructies heeft gegeven over de wijze waarop het geldbedrag

moet worden gedeponeerd en/of

- ( vervolgens) het door/namens die [slachtoffer]gedeponeerde

geldbedrag/ (geld)pakket heeft opgepikt/opgeraapt en/of heeft meegenomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 wetboek van strafrecht

art 318 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair tenlastegelegde medeplegen van afdreiging. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van aan het de verdachte subsidiair ten laste gelegde feit, te weten medeplegen van poging tot afdreiging. Ter zitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde medeplegen van afdreiging. De raadsman heeft daartoe verwezen naar het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2013, LJN: BZ8869, waarin is geoordeeld dat het een gecontroleerde actie van de politie betrof, waardoor er is geen sprake van een voltooid delict.

De raadsman heeft verder vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van poging tot afdreiging nu er geen voldoende rechtmatig bewijs voorhanden is. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet bevoegd was tot het inzetten van bijzondere bevoegdheden tot opsporing. Het Openbaar Ministerie is overgegaan tot het opnemen van communicatie door middel van een technisch hulpmiddel zonder dat er sprake van een in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering bepaalde vereiste dat er een verdenking van een misdrijf tegen verdachte is. Er is overgegaan tot het tappen van het telefoonnummer van verdachte, omdat hij heeft gebeld met een toestel met IMEInummer [x] dat is gebruikt voor de afdreiging in combinatie met de justitiële documentatie van verdachte. Deze omstandigheden zijn onvoldoende voor het tappen. De stemvergelijking had derhalve nooit mogen plaatsvinden. Het proces-verbaal stemvergelijking had niet mogen worden opgemaakt. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim, waardoor de tapgesprekken en het proces-verbaal van bevindingen moet worden uitgesloten van het bewijs. Er is geen ander bewijs tegen verdachte, waardoor vrijspraak moet volgen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eén en ander is hieronder verhalenderwijs weergegeven.

Bespreking vooraf van enkele verweren

Het verweer van de raadsman strekt ertoe, naar de rechtbank begrijpt, dat het tappen onrechtmatig is geweest, zodat al hetgeen uit de getapte gesprekken is voortgekomen (stemherkenning, observaties etc.) als onrechtmatig verkregen dient te worden aangemerkt en van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Bij de beoordeling van het verweer is het uitgangspunt dat voor de desbetreffende taps een machtiging door de rechter-commissaris is verleend. Dit betekent dat thans ter beoordeling voorligt de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid de machtiging tot tappen had kunnen verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Gelet op de telefoongesprekken naar [slachtoffer]kon de rechter-commissaris in redelijkheid oordelen dat sprake was van een verdenking van een misdrijf, terwijl het tappen van de verzochte telefoonnummers in het belang van het onderzoek was. De stelling van de verdediging dat sprake moet zijn van een verdenking jegens een verdachte getuigt van een onjuiste lezing van artikel 126M van het Wetboek van Strafvordering.

Beoordeling door de rechtbank1

Algemene bevindingen

Op 26 juli 2012 heeft [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), te weten de vader van[medeverdachte 1], aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning. Bij die inbraak, gepleegd terwijl hij op vakantie was en waarbij toen uitsluitend zijn beide zoons zich in zijn woning bevonden, zou uitsluitend een groen (geld)kistje met daarin (compromitterende) foto’s, films, en cd-roms zijn weggenomen.2

Op donderdag 8 augustus 2013 heeft [slachtoffer]wederom aangifte gedaan. [slachtoffer] verklaart dan dat hij op 7 augustus 2013 omstreeks 22:30 uur op zijn huistelefoon werd gebeld3 en een mannenstem hoorde die zei dat hij het jaar daarvoor het groene kistje had ontvreemd, dat hij wist wat in het kistje zat, dat [slachtoffer]40.000 euro moest betalen om het kistje terug te krijgen en dat hij geen contact met de politie mocht opnemen. De beller zei vervolgens dat hij morgenavond terug zou bellen en dat hij nog te horen zou krijgen waar en wanneer de overdracht van het geld en het kistje zou gaan plaatsvinden. [slachtoffer]schatte de leeftijd van de man op ongeveer 20 jaar. Het leek [slachtoffer]alsof de man de tekst oplas van een briefje.4


Op 8 augustus 2013 werd naar aanleiding van deze tweede aangifte een opsporingsonderzoek gestart.5

Uit de historische verkeersgegevens (HISTO) van het telefoonnummer van [slachtoffer] blijkt dat het (eerste) telefoongesprek op 7 augustus 2013 omstreeks 22:36 uur is gevoerd door een persoon die daarbij gebruik maakte van het telefoonnummer [x] ([x]).6 Uit de historische gegevens blijkt verder dat de beller gebruik maakte van een telefoontoestel met het IMEI-nummer [x] en dat de mastlocatie ten tijde van het contact [adres] was.7

Vervolgens wordt op 8 augustus 2013 omstreeks 23:43 uur opnieuw telefonisch contact opgenomen met [slachtoffer]. Omdat het telefoonnummer van [slachtoffer]op dat moment wordt getapt, wordt het gesprek opgenomen. In dit gesprek geeft de beller opnieuw aan dat hij 40.000,- euro van [slachtoffer]wil, dat [slachtoffer]een afspraak moet maken met de bank om het geld op te halen en dat anders de inhoud van het kistje zal worden verspreid.8 Bij dit gesprek maakt de beller gebruik van een ander telefoonnummer, namelijk van het telefoonnummer [x]), maar wel van hetzelfde telefoontoestel, namelijk het toestel met IMEI-nummer [x].9 Ook de mastlocatie is gelijk aan de eerdere locatie, namelijk de mast aan de [adres].10

Op 9 augustus 2013 om 00:28 uur wordt [slachtoffer]per sms-bericht naar zijn mobiele telefoonnummer gesommeerd om de volgende dag naar de bank te gaan en een afspraak te maken om de maandag of dinsdag erna het geld op te halen.11 Er wordt wederom gebruik gemaakt van een ander telefoonnummer, dit keer telefoonnummer [x]), maar het gebruikte toestel is wederom hetzelfde, namelijk het toestel met IMEI-nummer [x]. De bij het contact gebruikte mastlocatie betreft de locatie aan de [adres].12

Onder regie van de politie sms’t [slachtoffer]vervolgens op 9 augustus 2013 om 01:00 uur terug dat hij naar de bank zal gaan maar dat hij dan ook echt alle spullen terug wil.13 Op

9 augustus 2013 laat [slachtoffer]om 20:47 uur per sms-bericht weten dat hij naar de bank is geweest en dat hij kan zorgen dat de beller woensdagavond het geld heeft.14

Ruim anderhalf uur later wordt [slachtoffer]wederom gebeld, dit keer door iemand die gebruik maakt van het telefoonnummer [x]). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een ander IMEI-nummer, namelijk IMEI [x], en van de mastlocatie aan de [adres].15 De beller zegt tegen [slachtoffer]dat hij die woensdag om 15.00 uur naar de bank moet, dat hij zijn mobiele telefoon mee moet nemen, dat hij het geld moet opnemen en vervolgens bij de bank moet wachten op verdere instructies.16 [slachtoffer]zal zijn spullen terug krijgen als hij zich aan de afspraken houdt, maar de beller waarschuwt dat de inhoud van het kistje gelijk zal worden verspreid als de politie of iets anders verdacht wordt waargenomen.17

Kort daarna volgt een sms-bericht, van hetzelfde telefoonnummer, dat [slachtoffer]nergens bang voor hoeft te zijn, dat er niets zal gebeuren en dat als hij zich aan de afspraken houdt zij dat ook zullen doen en hij nooit meer van ze zal horen.18

Op 13 augustus 2013, om 23:22 uur, wordt met hetzelfde telefoonnummer ([x]) en hetzelfde IMEI-nummer (IMEI [x]) dat is gebruikt op 9 augustus 2013 gebeld naar [slachtoffer].19 De eerdere instructies, ga naar de bank, haal het geld en wacht buiten de bank op verdere instructies, worden in dit gesprek herhaald. [slachtoffer]zegt zelf in dit gesprek dat hij een vriend gaat vragen het geld te brengen, omdat hij zelf niet durft. Vervolgens wordt de verbinding verbroken. Een half uur later volgt wederom een sms-bericht waarin de afspraak om de volgende dag om 15.00 uur bij de bank te zijn en daar te wachten op verdere instructies wordt herhaald.20 Verder wordt medegedeeld dat het groene kistje morgen op een locatie zal liggen die pas bekend zal worden gemaakt als het geld is gedropt.21 [slachtoffer]wordt gesommeerd binnen een kwartier te laten weten of hij akkoord gaat of niet en ook de naam van de bank waar hij het geldbedrag gaat opnemen te laten weten. Als er geen antwoord terug komt of het antwoord langer dan een kwartier duurt, wordt dat als een “nee” beschouwd, en bij “nee” zal de inhoud van het kistje overal waar mogelijk worden verspreid, aldus het sms-bericht.22 [slachtoffer]bericht vervolgens terug dat het allemaal is geregeld bij de ING.

Op 14 augustus 2013, de afgesproken dag van de geldoverdracht, vinden alle contacten met [slachtoffer]plaats met hetzelfde IMEI-nummer dat de vorige dag gebruikt is, te weten IMEI [x], maar met wederom een niet eerder gebruikt nummer, namelijk [x]). De enige uitzondering daarop is het eerste contact. Om 15:07 uur sms’t [slachtoffer]namelijk naar het telefoonnummer dat de 13e is gebruikt, [x],: “waar ben je? Ben met geld bij de bank. Wacht nog 5 minuten”.

Vervolgens wordt [slachtoffer]omstreeks 15.19 uur gebeld door [x] en krijgt hij instructies over de te rijden route. In dat gesprek geeft [slachtoffer]te kennen dat hij zelf niet in staat is om het geld te droppen en dat een vriend van hem dit gaat doen.23 Er volgen vervolgens meerdere gesprekken en uiteindelijk krijgt [slachtoffer]van de beller de opdracht om aan zijn vriend in de auto door geven dat hij via de Kottenseweg naar een plek moet rijden waar een blauw bord staat met “Aalten” erop. Voor het bord moet de vriend stoppen en bij de railing, bij een tunnel, moet de vriend het geldpakket naar beneden laten vallen. Vervolgens moet hij een stukje verder rijden en daar wachten op verdere instructies over het verkrijgen van het geldkistje.24

In de auto van [slachtoffer]zit op dat moment geen vriend, maar een geldloper van de politie. Hij heeft een geprepareerde geldpakket, voorzien van namaakbriefgeld bestaande uit biljetten van 100 en 500 euro en één echt 100 euro biljet, afkomstig van [slachtoffer], bij zich. Naar aanleiding van de telefoongesprekken rijdt de geldloper de door de beller opgedragen route en stopt hij uiteindelijk op de Rondweg Zuid te Winterswijk ter hoogte van de fietstunnel van de Oude Bocholtsebaan. Daar stapt hij uit en laat hij het geldpakket naar beneden vallen, op het fietspad Oude Bocholtsebaan.25 Vervolgens stapt de geldloper in de auto en rijdt weg; het is dan 16:15 uur.

Nabij de fietstunnel, op het fietsgedeelte van de Oude Bocholtsebaan, staat dan al sinds 15:58 uur een crossmotor met bestuurder geparkeerd.26 Nadat de geldloper het geldpakketje heeft laten vallen, rijdt de bestuurder van de crossmotor naar pakketje toe, pakt het op en rijdt vervolgens vol gas weg in de richting van Winterwijk. Meteen daarna wordt deze bestuurder op de Jachthuisweg in Winterswijk aangehouden.27 Het gedropte geldpakket heeft hij op dat moment bij zich.28 vervolgens blijkt dat [medeverdachte 2] de bestuurder van de crossmotor is.29

Resumé van de algemene bevindingen

Bovenstaand is wat zich naar het oordeel van de rechtbank – in grote lijnen – heeft afgespeeld in de periode van 7 augustus 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk (en deels elders in Nederland).

Op grond van de geschetste feiten en omstandigheden kan wettig en overtuigend worden bewezen dat in die periode één of meerdere personen contact hebben gezocht met [slachtoffer]en daarbij, met het oogmerk om zichzelf dan wel een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hebben gedreigd om de inhoud van een eerder gestolen (groen) geldkistje, te weten compromitterende foto’s en/of films en/of cd’roms, in de openbaarheid te brengen en te verspreiden (en daarmee een geheim te openbaren), tenzij [slachtoffer]40.000 euro van zijn bankrekening zou opnemen en dit zou deponeren op een door hem of hen bepaalde locatie.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een poging tot het afdreigen van die [slachtoffer]. Naar aanleiding van het eerste telefoongesprek op 7 augustus 2013 is [slachtoffer] immers naar de politie gegaan. Hierdoor kan niet gezegd worden dat [slachtoffer]zich heeft laten dwingen tot afgifte van de geëiste 40.000 euro. Integendeel, [slachtoffer]heeft zich juist niet laten chanteren, maar heeft de politie ingeschakeld. De politie heeft vervolgens buiten medeweten van de beller(s) om de regie overgenomen, hetgeen heeft geleid tot het droppen van het geldpakket onder regie van de politie. Dat er zich in dat geldpakket een echt geldbiljet vond toebehorende aan [slachtoffer], betekent nog niet dat daardoor sprake is van een voltooide afdreiging. Gelet op de regie die op dat moment gevoerd werd, heeft [slachtoffer]immers naar alle waarschijnlijkheid het biljet in het geldpakket heeft gestopt omdat hem dat gevraagd of gezegd is door de politie en niet omdat hij zich daartoe door de beller gedwongen voelde. De conclusie is dan ook dat [slachtoffer]slachtoffer is geworden van een poging tot afdreiging.

Duiding van de algemene bevindingen ten aanzien van de verdachten

Vervolgens is thans de vraag of het[medeverdachte 1], [verdachte],[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (hierna bij hun voornamen aan te duiden) zijn geweest die zich schuldig hebben gemaakt aan deze poging tot afdreiging.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Bij het beantwoorden van deze vraag is voor de rechtbank “het startpunt” het telefoontoestel met IMEI [x]. In dit telefoontoestel hebben namelijk verschillende simkaartjes gezeten met welke nummers op 7 en 8 augustus 2013 diverse malen contact is gezocht met [slachtoffer]. Het telefoontoestel met IMEI [x] is op 14 augustus 2013 in de woning aan de[adres] inbeslaggenomen.30 Dit toestel is van [andere zoon aangever] (de andere zoon van aangever).31[andere zoon aangever] heeft daarover verklaard dat hij zijn telefoon de week voor zijn aanhouding (op 17 augustus 2013) twee of drie keer heeft uitgeleend aan zijn broer [medeverdachte 1].32 Volgens[andere zoon aangever] is de telefoon de eerste keer, nadat [medeverdachte 1] daarover een bericht had gestuurd, opgehaald door[medeverdachte 2].33 Blijkens de Whatsapp-berichten uit de telefoon van [medeverdachte 1] is dat geweest op 6 augustus 2013, de dag voor het eerste telefoongesprek.34 Nog dezelfde avond heeft[medeverdachte 2] de telefoon weer teruggebracht naar[andere zoon aangever].[andere zoon aangever] heeft verder verklaard dat hij zijn telefoon daarna nog een aantal keer heeft uitgeleend aan zijn broer, waarbij zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] wel eens de telefoon op heeft gehaald en [medeverdachte 3] een keer de bestuurder van de auto was waarmee de telefoon werd opgehaald.35

Op grond van de verklaring van de vriendin van[andere zoon aangever], [vriendin zoon aangever], in relatie tot de op de telefoon van [medeverdachte 1] aangetroffen Whatsapp-berichten, kan vervolgens worden vastgesteld wanneer dat is geweest. [vriendin zoon aangever] namelijk heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de telefoon van[andere zoon aangever] heeft geleend op het moment dat de ouders van [medeverdachte 3] op vakantie waren, dat [medeverdachte 1] appte met[andere zoon aangever] dat de telefoon zou worden opgehaald en dat [medeverdachte 1] vervolgens samen met [medeverdachte 3] en waarschijnlijk [verdachte] de telefoon is komen halen. Nog dezelfde avond heeft zij [medeverdachte 1] een Whatsapp-bericht gestuurd met daarin de vraag wanneer de telefoon terug zou komen. De telefoon is vervolgens terug gebracht door [verdachte].36 Uit de Whatsapp-berichten op de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat het door [vriendin zoon aangever] genoemde bericht op 7 augustus 2013 om 22:14 uur is binnen gekomen bij [medeverdachte 1] en dat hij op 23:13 uur heeft geantwoord dat de telefoon dadelijk zou worden gebracht.37

Als gezegd blijkt uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [slachtoffer] dat het bewuste telefoongesprek op 7 augustus 2013 omstreeks 22:36 uur is gevoerd en dat daarbij gebruik is gemaakt van het telefoontoestel met IMEI-nummer [x], het toestel van[andere zoon aangever]. Dit toestel was op dat moment geleend door [medeverdachte 1], eerder opgehaald door in ieder geval [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en is niet veel later terug gebracht door [verdachte]. Het gebruikte telefoonnummer op 7 augustus 2013 (NN [x]) betrof een prepaid-nummer, is door [X] geleverd aan een verkoper in Winterswijk en is kort voor het gesprek voor het eerst geactiveerd: 22:33 uur.38

Hetzelfde geldt voor het nummer waarmee op 8 augustus 2013 contact is gelegd, [x]. Dit nummer is gekocht in Winterswijk en is op 8 augustus 2013 om 23:36 uur voor het eerst geactiveerd, waarna met dit nummer om 23:43 contact is gelegd met [slachtoffer], gebruik makend van de telefoon van[andere zoon aangever] (IMEI [x]). Ook het nummer waarmee het sms-bericht op 9 augustus 2013 om 00:28 uur is verstuurd, ([x]), is gekocht in Winterswijk, is kort daarvoor (00:19 uur geactiveerd) en is voor het sturen van de sms gestopt in het toestel van[andere zoon aangever].39

Gelet op de verklaring van[andere zoon aangever] dat hij zijn toestel in die periode twee keer aan [medeverdachte 1] en één keer aan [verdachte] heeft uitgeleend40 alsmede het bericht van [medeverdachte 1] aan [verdachte] op 8 augustus 2013 omstreeks 23:04 uur dat hij naar zijn broertje gaat en “dat ding pakt”41 gaat de rechtbank ervan uit dat het telefoon met IMEI [x] op 7, 8 en 9 augustus 2013 ten behoeve van de gesprekken met [slachtoffer]is opgehaald bij[andere zoon aangever] door [medeverdachte 1] en [verdachte], in gezelschap van [medeverdachte 3]. Gelet op het verband met hetgeen daarna is gebeurd kan, bij ontbreken van aannemelijke verklaring, het ophalen van de telefoon op 6 augustus 2013 – omstreeks de ten laste gelegde periode – door[medeverdachte 2] niet anders worden uitgelegd dan dat dit eveneens ten behoeve van de gesprekken met [slachtoffer]is gebeurd. Dit betekent dat alle vier de verdachten in wisselende samenstelling en met wisselende rollen een rol hebben gehad bij het regelen, halen en brengen van de telefoon van[andere zoon aangever] waarna die telefoon is gebruikt bij de contacten met [slachtoffer].

Voorts is van belang dat [slachtoffer]in zijn aangifte van 8 augustus 2013 heeft verklaard dat het bij het eerste gesprek met de afdreiger leek alsof die voorlas van een briefje.

Op 14 augustus 2013 is bij een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres] een handgeschreven brief in beslaggenomen. In die brief staat onder meer:

weet je nog dat er vorig jaar bij jou is ingebroken. Ik ben één van de daders. En weet je wat er toen gestolen is? Dat groene kistje en de inhoud daarvan heb ik nog steeds in mijn bezit. (…) Als je de politie erbij haalt en één van ons wordt opgepakt, en onthoudt, ik ben niet alleen, dan zal ik de inhoud van het groene kistje verspreiden. Je belt morgen de bank op om voor deze week een afspraak te maken om de 40.000 eraf te pinnen. Morgen zal ik opnieuw contact met je opnemen om te horen wanneer de afspraak is.42

Naar het oordeel van de rechtbank vertoont deze brief opvallend veel overeenkomsten met het gesprek zoals door [slachtoffer]is weergegeven. Gelet op die overeenkomsten en het feit dat [slachtoffer]meteen heeft gezegd dat het leek alsof er werd voorgelezen van een briefje, gaat de rechtbank ervan uit dat dit briefje is gebruikt bij het gesprek tussen de afdreigers en [slachtoffer]op 7 augustus 2013.

Op het blaadje met de bovenstaande tekst, aangetroffen op de kast van de slaapkamer van [medeverdachte 3]43, zijn diverse vingerafdrukken gevonden. Uit het dactyloscopisch onderzoek blijkt dat op de achterzijde twee vingerafdrukken zijn aangetroffen die geïndividualiseerd zijn op afdrukken van [medeverdachte 1], te weten afdrukken van zijn rechterwijsvinger en rechtermiddelvinger.44 Op de achterzijde van de brief werd tevens een afdruk gevonden die geïndividualiseerd is naar de linkermiddelvinger van [medeverdachte 3].45 Op de voorzijde van de brief werd een vingerafdruk aangetroffen die geïndividualiseerd is naar de linkerpink van[medeverdachte 2].46

Aan de verklaringen van [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] dat hun vingerafdrukken op het briefje moeten zijn gekomen toen er nog niets opstond, gaat de rechtbank voorbij. Die verklaring(en) schuift de rechtbank in het licht van de overige onderzoeksresultaten als ongeloofwaardig terzijde.

Er is forensisch schriftonderzoek uitgevoerd naar de brief. Uit het onderzoek blijkt dat de tekst van de brief met zeer hoge waarschijnlijkheid is geschreven door [medeverdachte 1].47

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit de conclusie dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en[medeverdachte 2] alle drie te linken zijn aan het briefje waarmee het eerste gesprek is gevoerd.

Het tweede én derde gesprek, op 8 en 9 augustus 2013, is getapt en daarmee opgenomen. Deze gesprekken zijn vergeleken met een gesprek dat gevoerd is via het telefoonnummer[x], van welk telefoonnummer [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn nummer is.48 Op basis van stemvergelijking concluderen de desbetreffende verbalisanten allereerst dat de gesprekken op 8 en 9 augustus 2013 door dezelfde persoon zijn gevoerd. Voorts concluderen zij dat de stem van de gebruiker van het telefoonnummer van [verdachte] sterk overeenkomt met de stem van de afdreiger op 8 en 9 augustus 2013.49 Nu niet is gebleken dat [verdachte] zijn telefoon heeft uitgeleend op 9 augustus 2013, de dag van de gesprekken waarmee de vergelijking heeft plaatsgevonden, én het zijn telefoonnummer betreft, concludeert de rechtbank dat [verdachte] de vergelijkende gesprekken heeft gevoerd en dus ook dat er sterke overeenkomsten zijn tussen de stem van [verdachte] en die van de afdreiger. Hoewel van [verdachte] geen vingerafdrukken zijn aangetroffen op de brief, zijn er daarmee sterke aanwijzingen dat hij de gesprekken op 8 en 9 augustus heeft gevoerd.

Ook [verdachte] is daarmee op indirecte wijze te linken aan de gevonden dreigbrief op de kamer van [medeverdachte 3].

Daarnaast heeft onderzoek uitgewezen uit dat op 14 augustus 2013 te 13:20 uur in het toestel met [x] een andere simkaart werd geplaatst, te weten het meergenoemde [x]. [x] betreft het toestel van [verdachte], dat hij ook bij zich droeg tijdens zijn aanhouding.50 Dit betekent dat het telefoonkaartje waarmee op 14 augustus 2013 contact is gelegd met [slachtoffer]die dag eerst gedurende korte tijd in het toestel van [verdachte] heeft gezeten.

Op 14 augustus 2013, de dag van de geldoverdracht, vinden als gezegd alle contacten plaats met telefoonnummer [x]. Dit nummer is die dag om 13:13 uur geactiveerd.51 In de woning van [medeverdachte 3] is in de grijze vuilcontainer de simkaarthouder en handleiding aangetroffen, volgens de verpakking behorende bij telefoonnummer [x].52 In het rapport dactyloscopisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de vingerafdruk op de simkaarthouder geïndividualiseerd is op een afdruk van [medeverdachte 1].53

De contacten tussen dit nummer en [slachtoffer]vinden die dag plaats tussen 15:19 uur en het moment van droppen van het geld, 16:15 uur. Het nummer [x] maakt daarbij gebruik van een telefoontoestel met [x]. Door middel van de imsi-catcher is die dag tussen 13:20 uur en 16:14 uur dertien keer vastgesteld dat het toestel met [x] zich bevond aan de [adres], zijnde de woning van [medeverdachte 3].54 Gelet op deze tijdspanne concludeert de rechtbank dat de gesprekken de 14e zijn gevoerd vanuit de woning van [medeverdachte 3].

Het observatieteam heeft die dag waargenomen dat [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 1] met een Mini Cooper om 12:24 uur bij de woning van [medeverdachte 3] arriveren55 en dat[medeverdachte 2] om 12.50 uur met zijn crossmotor arriveert.56 Vervolgens nemen zij waar dat [medeverdachte 3] de woning om 14:41 uur verlaat en in de Mini Cooper wegrijdt. Om 14:46 uur verlaat ook[medeverdachte 2] de woning en vertrekt op zijn crossmotor.57 Dit leidt vervolgens tot de conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] alleen zijn achtergebleven in de woning van [medeverdachte 3], hetgeen overigens ook door [medeverdachte 1] is verklaard bij de politie,58 terwijl vanuit deze woning kort daarna de gesprekken met [slachtoffer]zijn gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarom vast dat [verdachte] en [medeverdachte 1] vanuit de woning van [medeverdachte 3] de gesprekken op 14 augustus 2013 hebben gevoerd.

Vervolgens wordt waargenomen dat [medeverdachte 3] in de Mini Cooper naar de locatie rijdt waar [slachtoffer]om 15.00 uur wordt geacht het geld op te halen, de [adres]. [slachtoffer]moet rond 15.00 uur bij de ING zijn, [medeverdachte 3] parkeert daar ter hoogte van de ABN-Amro. Waargenomen wordt dat [medeverdachte 3] daar uitstapt en in de richting van de auto [slachtoffer]kijkt. Als [medeverdachte 3] vervolgens weer instapt en wegrijdt, staat zijn auto daarna een tijdje geparkeerd op de [adres]. De crossmotor met daarop[medeverdachte 2] wordt rond die tijd, vanaf 15:58 uur, waargenomen nabij de fietstunnel die onder de ringweg Zuid doorloopt.59 Bij die fietstunnel wordt rond dat tijdstip het geldpakketje verwacht.

Op basis van de in de telefoon van [medeverdachte 3] aangetroffen Whatsapp-berichten concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 3] en[medeverdachte 2] op [slachtoffer]hebben staan wachten. Zo zegt [medeverdachte 3] om 15:17 uur dat hij voor de ABN wacht, reageert[medeverdachte 2] dan “jaa, laat hem aanmaken”, om vervolgens zelf te sturen “dat wachten kk lang duurt” en zegt [verdachte] om 15:53 uur dat “ze moeten opletten” en om 15:54 uur dat “ze allebei klaar moeten gaan staan”.60

Daarna wordt om 16:02 uur waargenomen dat [medeverdachte 3] de Kottenseweg en daarna de Rondweg Zuid op rijdt.61 Dit is precies de locatie waar even later [slachtoffer]geacht wordt te rijden. Waarom [medeverdachte 3] niet langer afwacht, blijkt ook uit de Whatsapp: hij moet gaan, zijn oma belt en ze komen hem nu halen om op vakantie te gaan. Naar[medeverdachte 2] appt [verdachte] vanaf 16:06 uur enkele malen dat hij moet blijven wachten, waarop[medeverdachte 2] bevestigd antwoordt.62 Als om 16:15 uur het pakketje wordt gedropt, rijdt[medeverdachte 2] op zijn crossmotor ernaar toe en neemt het mee. Hij heeft dan een kwartier gewacht.

Naar aanleiding van het onderzoek zijn de telefoons van [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3] en[medeverdachte 2] in beslaggenomen. In al deze telefoons is aangetroffen eenzelfde foto van [slachtoffer]. Deze foto is in alle telefoons op hetzelfde moment opgeslagen, namelijk op 13 augustus 2013 te 19:56 uur.63

Ten aanzien van [verdachte] geldt nog dat het onderzoek heeft uitgewezen, dat op een aan hem toe te schrijven telefoon(nummer)[x] op 14 augustus 2013 omstreeks 14:00 uur de volgende zoekvragen zijn gesteld64:

“als je belt kunnen ze dan traceren waar je bent

Weten ze bij 112 als je belt waar je dan bent?

hoe snel kan de politie traceren

Hoe traceer de politie/FBI een telefoon”

Ten aanzien van [medeverdachte 3] geldt ten slotte nog dat het onderzoek heeft uitgewezen, dat [betrokkene] op 13 augustus 2013 te 23:42 uur aan [medeverdachte 3] heeft ge-appt: “Morgen heb je money of zit je vast”.65 [betrokkene] verklaart daarover dat hij van [medeverdachte 3] had gehoord, dat er iets ging gebeuren waardoor hij veel geld zou hebben.66

Resumé

Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van het bovenstaande buiten redelijke twijfel vast dat [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3] en[medeverdachte 2] gezamenlijk hebben geprobeerd om [slachtoffer]af te dreigen. Waar [medeverdachte 3] en[medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij van niets wisten, acht de rechtbank dat alleen al op grond van de vingerafdrukken, het ophalen van de telefoon, de genoemde berichten in de telefoon en de aangetroffen foto’s uitgesloten. Indien zij een kleiner aandeel hebben gehad, kan dat van belang zijn bij het bepalen van de strafmaat, maar voor wat betreft de bewezenverklaring geldt dat zij naar het oordeel van de rechtbank volledig op de hoogte zijn geweest van al hetgeen is gepland en voorgevallen.

Eenieder heeft een zodanige bijdrage aan het plan om [slachtoffer]een aanzienlijke hoeveelheid geld af te dreigen geleverd, dat zonder enige twijfel alle vier de verdachten als medeplegers kunnen worden aangemerkt. Er is sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking op heel veel verschillende tijdsmomenten.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

subsidiair

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met openbaring van een geheim, [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van 40.000 euro), toebehorende aan die [slachtoffer]voornoemd, met zijn mededaders, met voormeld oogmerk

- (meermalen) per telefoon met die [slachtoffer]contact heeft opgenomen en

aan die [slachtoffer]sms-bericht(en) heeft gestuurd en (daarbij) die [slachtoffer]heeft medegedeeld (zakelijk weergegeven):

* dat verdachte en/of diens mededader(s) een (groen) (geld)kistje van die [slachtoffer]heeft/hebben ontvreemd en

* dat die [slachtoffer]een geldbedrag van 40.000 euro aan verdachte en diens mededader(s) moet betalen in ruil voor dit kistje en de inhoud van dit kistje en onder de dreiging dat anders de inhoud van dit kistje (bestaande uit (een aantal) (compromitterende) foto(s) en film(s) en/of cd-rom(s)) in de openbaarheid gebracht wordt en/of verspreid wordt

door verdachte en/of diens mededader(s) en

* dat die [slachtoffer]dit geldbedrag van zijn rekening moet opnemen en

* dat die [slachtoffer](daartoe) een afspraak bij de/een bank moet maken en

* dat die [slachtoffer]dit geldbedrag (voor de overdracht) moet deponeren op een door verdachte of diens mededader(s) bepaalde locatie, en - (vervolgens) die [slachtoffer](of een door/namens die [slachtoffer]ingeschakelde tussenpersoon) nadere informatie heeft gegeven over die locatie en nadere instructies heeft gegeven over de wijze waarop het geldbedrag

moet worden gedeponeerd en - (vervolgens) het door/namens die [slachtoffer]gedeponeerde

geldbedrag/ (geld)pakket heeft opgepikt/opgeraapt en/of heeft meegenomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Feit 1 subsidiair: Medeplegen van poging tot afdreiging.

Strafbaarheid van de verdachte

Door drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, is op 5 april 2013 een rapport over verdachte opgemaakt in een zaak met een ander parketnummer. Gelet op het korte tijdsbestek tussen de totstandkoming van het rapport en het huidige delict en het feit dat het een enigszins vergelijkbaar delict betreft zal de rechtbank dit rapport meewegen in deze zaak. In dit rapport wordt – onder meer – het volgende geconstateerd:

Er is sprake van een ernstige scheefgroei in de ontwikkeling die zich uit in een gedragsstoornis. [verdachte] heeft zich ontwikkeld tot een beïnvloedbare en impulsieve jongeman. Dit was ook het geval ten tijde van het tenlastegelegde.

[verdachte] is voor zijn gevoel van eigenwaarde afhankelijk van de bevestiging van anderen

en is hierdoor erg beïnvloedbaar door leeftijdsgenoten, die hij buiten opzoekt om de

situatie thuis te ontvluchten. Daarnaast is hij impulsief en heeft hij nauwelijks last

van een interne rem, waardoor hij zich gemakkelijk laat meeslepen in criminele activiteiten. Dit gebeurde in behoorlijke mate ten tijde van het tenlastegelegde.

Geadviseerd wordt [verdachte] het tenlastegelegde enigszins verminderde mate toe te rekenen op grond van de bij [verdachte] vastgestelde gedragsstoornis, zijn beïnvloedbaarheid en impulsiviteit ten tijde van het tenlastegelegde.

De rechtbank neemt deze conclusie in de onderhavige zaak over.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 203 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden van jeugdreclasseringscontact en meldplicht worden gekoppeld. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een werkstraf voor de duur van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, op te leggen. De officier van justitie heeft bij de strafeis rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte.

De raadsman heeft bij een eventuele bewezenverklaring van het feit bepleit dat de door de officier van justitie geëiste straf dient te worden gematigd nu deze excessief hoog is. De persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn verbeterd. Er lijkt een kentering in het gedrag en handelen van verdachte te zijn. De schoolresultaten zijn ook goed. Er dient geen gevangenisstraf te worden opgelegd, maar slechts een werkstraf.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan poging tot afdreiging van de vader van één van de medeverdachten. Er zijn telefoongesprekken gevoerd en sms-berichten verzonden, waarin werd aangegeven dat zij de beschikking hadden over belastend en compromitterend materiaal voor aangever en zijn (ex-) partner. Deze informatie dreigde verdachte en diens mededaders prijs te geven aan de openbaarheid, tenzij aangever een geldbedrag van 40.000 euro zou betalen. Verdachte en zijn mededaders zijn zeer berekenend met de voorbereiding van deze actie bezig geweest en hebben het plan bedacht om door middel van het gebruik van verschillende nieuwe simkaarten de dreigtelefoontjes te plegen, zodat hun identiteit niet bekend zou worden. Verdachte heeft samen met zijn mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Het is bij een poging is gebleven, omdat er sprake was van een gecontroleerde actie door de politie. Echter, vanuit het perspectief van de verdachte en zijn mededaders gezien, ging het om een voltooide afdreiging. De rechtbank zal met deze omstandigheid rekening houden.

De rechtbank houdt verder rekening met de justitiële documentatie van verdachte van 15 augustus 2013, waaruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder medeplegen van oplichting in februari 2013. Eerdere veroordelingen en een lopende proeftijd hebben verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

De rechtbank houdt eveneens rekening met het rapport van de jeugdreclassering van 10 januari 2014, met genoemd rapport van de GZ-psycholoog alsmede met de hiervoor vastgestelde enigszins verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.

Uit het rapport van de psycholoog komt het volgende naar voren. De risicofactoren met betrekking tot de kans op herhaling van delictgedrag zijn betrokkenes impulsiviteit in combinatie van zijn beïnvloedbaarheid. Zijn ouders zijn niet in staat om hem hierin te begrenzen en de zorgelijk ontwikkeling bij te sturen. Om zijn beïnvloedbaarheid en zijn impulsiviteit beter onder controle te krijgen en ouders hierbij ook te betrekken, wordt geadviseerd de erkende gedragsinterventie Tools4U in het kader van een leerstraf in te zetten. Voorts wordt geadviseerd een voorwaardelijke straf op te leggen, met de voorwaarde dat betrokkende zijn medewerking aan gezinsbehandeling verleent, en het voortzetten en zo nodig intensiveren van het reclasseringscontact en gezinsbehandeling in de vorm van FFT bij Traverse Gelderland.

Ter terechtzitting heeft [medewerker reclassering] van de jeugdreclassering naar voren gebracht dat de voorlopige hechtenis van betrokkene is geschorst voor deelname aan het project harde Kern. In het begin is een gele kaart uitgereikt, maar nadien heeft betrokkene zich aan alle afspraken gehouden. Zijn schoolresultaten zijn goed. Hij sport veel en zeer intensief. Betrokkene is bezig met de gedragsinterventie Tools4U. De gezinsbehandeling in de vorm van FFT moet nog starten, omdat hij eerst Tools4U moet hebben afgerond. Er zijn wekelijkse gesprekken met betrokkene. [medewerker reclassering] heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest geadviseerd en een voorwaardelijk gevangenisstraf als stok achter de deur. Een behandeling wordt niet geadviseerd. Betrokkene zal eerst het project Harde Kern moeten afronden en dan kan hij overgaan naar de reclassering voor meerderjarigen.

Ter terechtzitting heef de verdachte verklaard dat hij goede schoolresultaten heeft behaald en dat hij is gaan nadenken over zijn toekomst. Hij heeft aangegeven dat hij begrijpt dat hij moet stoppen met het plegen van strafbare feiten.

Alle bovenstaande omstandigheden in aanmerking nemend, ziet de rechtbank aanleiding om in aanzienlijke mate af te wijken van de eis van de officier van justitie en geen werkstraf maar een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het bewezenverklaarde feit geen andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur. Dat dit de geschetste positieve ontwikkeling van verdachte wellicht zal doorkruisen, is spijtig maar betekent nog niet dat daarom met een werkstraf kan worden volstaan. Daarvoor is het feit te ernstig en te berekenend gepleegd. Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen straf merkt de rechtbank op dat zij aansluiting heeft gezocht bij afdoeningen waarbij sprake was van afpersing dan wel diefstal met bedreiging van geweld, waarbij enerzijds in strafmatigende zin rekening is gehouden met de omstandigheid dat hier (bij feit 1) geen sprake is geweest van enige geweldscomponent, alsmede met het feit dat de strafdreiging op 312 Sr. en 317 Sr. als gronddelict negen (9) jaar gevangenisstraf bedraagt en op 318 Sr. vier (4) jaar gevangenisstraf, doch anderzijds in strafverhogende zin dat hier geen sprake is geweest van een impulsieve, onbezonnen en/of eendaagse actie, maar juist van een gecoördineerde, berekende en geplande actie over meerdere dagen gepleegd, waarbij telkens opnieuw de beslissing is genomen om door te gaan met hetgeen was opgestart.

De rechtbank zal verdachte derhalve opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden, waarvan 5 (vijf) maanden met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de voorwaarden verbinden van een verplicht reclasseringscontact en een meldplicht.

In beslag genomen voorwerpen

Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de rechtbank over de in beslag genomen mobiele telefoon dient te beslissen (nummer 1 op de beslaglijst).

De officier van justitie heeft gevorderd om de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon verbeurd te verklaren.

De raadsman heeft zich bij een eventuele bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De navolgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

beslaglijst nummer 1, 1.00 STK Telefoontoestel kleur: zwart, Samsung, registratienummer: [X], volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan/voorbereid. Verdachte heeft immers op 14 augustus 2013 een bij de afdreiging gebruikte simkaart in deze telefoon gehad. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering tenuitvoerlegging

Door de officier van justitie is een vordering na voorwaardelijke veroordeling ingediend, strekkende tot een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 27 november 2012 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren (parketnummer 06/820611-11). Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 oktober 2013 (parketnummer 21/005018-13) is reeds de tenuitvoerlegging van 20 uren bevolen. Veroordeelde heeft zich niet gehouden aan de algemene voorwaarden die hem bij voormeld vonnis was opgelegd.

Nu is bewezen verklaard dat verdachte zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, is de rechtbank van oordeel dat de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde (thans resterende) werkstraf, te weten een deel van 20 uren, op zijn plaats is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 45, 47, 63 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

subsidiair: Medeplegen van poging tot afdreiging;

• verklaart verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

• bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren de navolgende algemene- dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

• legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

• legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich op uitnodiging meldt bij de jeugdreclassering en zich blijft melden zo frequent en zolang de jeugdreclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

- zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen die hem door de jeugdreclassering worden gegeven;

• geeft genoemde jeugdreclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

• beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten, beslaglijstnummer:

- 1, 1.00 STK Telefoontoestel kleur: zwart, Samsung, registratienummer: [X];

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van rechtbank te Zutphen van 27 november 2012 (06/820611-11), te weten:

een werkstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Ouweneel en Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2014.

Mr. Van der Mei en mr. Buitenhuis zijn buiten staat mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal B, nummer 2013107097, opgemaakt door [verbalisant] van de Regiopolitie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, team Recherche Achterhoek, gesloten en ondertekend op 27 november 2013.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 480.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 463.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 464.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 439.

6 Proces-verbaal van bevindingen van historische gegevens, p. 559.

7 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 560.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 499.

9 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 562.

10 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 563.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 500.

12 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 563.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 501.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 502.

15 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 564.

16 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 504.

17 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 505.

18 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 506.

19 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 523.

20 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 526.

21 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 529.

22 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 530 en p. 531.

23 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 535.

24 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 539.

25 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus 2013, p. 605.

26 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus 2013, p. 604.

27 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus 2013, p. 605.

28 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus 2013, p. 616.

29 Proces-verbaal van aanhouding, p. 184 en 185.

30 Het proces-verbaal onderzoek smartphone, p. 977, p. 978 en proces-verbaal van bevindingen, p.709.

31 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon aangever], p. 323.

32 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon aangever], p. 331.

33 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon aangever], p. 332.

34 Proces-verbaal van bevindingen, p. 641.

35 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon aangever], p. 333.

36 Het proces-verbaal van verhoor van [vriendin zoon aangever], p. 338.

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 646.

38 Een schriftelijk bescheid, te weten een bericht van [X] aan de Landelijke eenheid Politie, p. 557.

39 Zie voorgaande voetnoot.

40 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon aangever], p. 333.

41 Proces-verbaal van bevindingen, p. 647.

42 Een schriftelijk bescheid, p. 727.

43 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 927.

44 Een schriftelijk bescheid, te weten rapport Dactyloscopische sporenonderzoek, p. 733 en p. 735.

45 Een schriftelijk bescheid, te weten rapport Dactyloscopische sporenonderzoek, p. 733 en 745.

46 Een schriftelijk bescheid, te weten rapport Dactyloscopische sporenonderzoek, p. 7 733 en p. 743

47 Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenbericht betreffende forensisch schriftonderzoek, opgemaakt door [deskundige], gerechtelijk deskundige voor schriftonderzoek, NRGD, p. 11.

48 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte], p. 41.

49 Het proces-verbaal van bevindingen van stemvergelijking, p. 569.

50 Het proces-verbaal coördinatie inzet zend/ontvangst apparatuur, p. 623.

51 Het proces-verbaal van bevindingen tapjournaal, p. 531.

52 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 927.

53 Een schriftelijk bescheid, te weten rapport dactyloscopische sporenonderzoek, p. 735 en p. 741.

54 Proces-verbaal van inzet zend/ontvangstapparatuur, p. 625.

55 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 601.

56 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 602.

57 Het proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 603.

58 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], p. 139.

59 Het proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 604.

60 Het proces-verbaal van bevindingen van uitlezen van mobiele telefoon, p. 819.

61 Het proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 605.

62 Het proces-verbaal bevindingen telefoon [medeverdachte 2], p. 694.

63 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 695, p. 696, p. 719, p. 720, en p. 721.

64 Het proces-verbaal, pag. 660.

65 Proces-verbaal, pag. 699.

66 Proces-verbaal verhoor getuige, pag. 810.