Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:829

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-01-2014
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
233632
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BZ8069 en ECLI:NL:RBGEL:2013:6388.

De rechtbank gaat ervan uit dat een procedure van [eiser] tegen Jolink voor [eiser] niet succesvol zou zijn geweest en dat [eiser] ten gevolge van de beroepsfout van mr. Van Breevoort dus geen schade heeft geleden. [eiser] heeft daar in de onderhavige procedure onvoldoende tegenover gesteld, zodat hij ook niet tot het bewijs van enig feit dienaangaande zal worden toegelaten. De slotsom is dan ook dat de vorderingen van [eiser] tegen Hekkelman zullen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/233632 / HA ZA 12-637

Vonnis van 8 januari 2014

in de zaak van

[eiser]

wonende te [plaats]

eiser

advocaat: mr. J.P.A. Greuters te Arnhem

tegen

de naamloze vennootschap

HEKKELMAN ADVOCATEN N.V.

gevestigd te Nijmegen

gedaagde

advocaat: mr. F. van der Woude te Amsterdam

Partijen zullen hierna [eiser] en Hekkelman worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 september 2013

  • -

    de nadere akte van [eiser] van 2 oktober 2013

  • -

    de antwoordakte van Hekkelman van 30 oktober 2013.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

De rechtbank blijft bij hetgeen zij in de eerdere in deze zaak gewezen vonnissen heeft overwogen en beslist. Zij tekent hierbij aan dat in het tussenvonnis van 4 september 2013 onder 2.15, eerste regel, en onder 2.32, tweede volzin, eerste woord, in plaats van “Jolink” “[eiser]” moet worden gelezen. Voor het overige ziet zij, mede gelet op dat wat hierna volgt, geen aanleiding, zoals Hekkelman heeft bepleit, om terug te komen op enige eindbeslissing in het tussenvonnis van 4 september 2013 (hierna ook: het tussenvonnis).

2.2

In het tussenvonnis is aan partijen onder meer de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de vraag hoe in de procedure van [eiser] tegen Bouwbedrijf Jolink B.V. (hierna: Jolink), de verjaring weggedacht, de rechter zou hebben beslist op het verweer van Jolink dat [eiser] zijn rechten op schadevergoeding jegens Jolink had verwerkt. In het bijzonder konden partijen zich uitlaten over de vraag hoe naar aanleiding van de naar verwachting door [naam], [naam] en [naam] als getuigen in die procedure af te leggen verklaringen zou zijn beslist en of er naast deze getuigen nog andere getuigen zouden zijn gehoord dan wel andere bewijsmiddelen zouden zijn aangedragen (r.o. 2.16).

2.3

Uitgangspunt daarbij waren en zijn de op 18 augustus 2011 in authentieke akten vastgelegde verklaringen van dezelfde drie genoemde personen, die in de procedure van [eiser] tegen Jolink zijn overgelegd (zie r.o. 2.10 en 2.11 van het tussenvonnis in de onderhavige procedure). De rechtbank blijft erbij (zie r.o. 2.15 van het tussenvonnis in de onderhavige procedure) dat in die procedure de bewijslast en het bewijsrisico betreffende het beroep op rechtsverwerking bij Jolink zou hebben gelegen. De omstandigheid dat in die procedure de genoemde authentieke akten zijn ingebracht verandert daar niets aan. Bij die akten zijn immers alleen medewerkers van Jolink partij. Zij leveren daarom alleen dwingend bewijs op van hetgeen de notaris binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard (art. 157 lid 1 Rv), niet van de waarheid van de daarin afgelegde verklaringen, althans niet tegenover [eiser].

2.4

Voor de volledigheid geeft de rechtbank de genoemde schriftelijke verklaringen, voor zoveel van belang, hier nog weer:

[naam]:

Na het ontgraven is de muur ingestort.

[eiser] heeft toen B+P aansprakelijk gesteld voor de schade die ontstaan is. [eiser] heeft ons nooit aansprakelijk willen stellen, ondanks dat zijn advocaat hem dit adviseerde. Hij wilde de sfeer op de bouw goed houden.

[eiser] heeft samen met [naam] de begroting opgemaakt van de schade.

[eiser] heeft toen tegen [naam] verklaard Bouwbedrijf Jolink B.V. niet aansprakelijk te willen stellen omdat bij ons niets te verwijten valt.

Na acht jaren procederen tussen [eiser] en B+P krijgt het een andere wending.

[eiser] heeft een gesprek aangevraagd om deze kwestie met ons te bespreken.

Dat is gebeurd op 27-01-2010 op ons kantoor van het bouwbedrijf.

(..)

Wij hebben hem ([eiser], rechtbank) toen ook nog gevraagd waarom hij ons nooit aansprakelijk heeft gesteld.

[eiser] heeft toen wederom gezegd dat hij dat niet wilde doen i.v.m. de relatie die hij met ons had en om de sfeer goed te houden. Immers de bouw was nog lang niet af.

[naam]:

Op 27 januari 2010 hadden wij (..) een afspraak met [eiser] (..)

[naam] heeft hem gevraagd waarom bouwbedrijf Jolink destijds niet aansprakelijk is gesteld door hem, en [naam] vertelde daarbij dat de advocaat van [eiser] dat ook geadviseerd had dit wel te doen. [eiser] verklaarde dat hij dit niet wilde om de onderlinge verstandhouding tussen opdrachtgever en aannemer niet te verstoren omdat dit aan het begin van de bouw was.

[naam]:

[eiser] vertelde mij op de bouw dat hij het bedrijf B+P aansprakelijk stelde (..)

De advocaat van [eiser] adviseerde om bouwbedrijf Jolink ook aansprakelijk te stellen, maar heeft dit advies niet opgevolgd. Hij wilde dit niet omwille de onderlinge verstandhouding niet te beschadigen.

2 april 2004: [eiser] kwam op het kantoor van Jolink B.V.

Hij had zelf een overzicht gemaakt van uren materiaal en onderaannemers met het verzoek om hiervan een opgaaf/berekening te maken (..) i.v.m. het aansprakelijk stellen van het bedrijf B+P.

Ik attendeerde [eiser] dat bouwbedrijf Jolink niet de dupe zou worden van de opgevoerde rekening.

[eiser] verklaarde hierop om bouwbedrijf Jolink niet aansprakelijk te stellen voor de kosten van de geleden schade.

27 januari 2010: 20.00 uur afspraak met [eiser] op kantoor bij Bouwbedrijf Jolink B.V.

[eiser] overhandigde een overzicht met de naar zijn oordeel geleden schade.

Ik reageerde met de woorden dat hij nu bij ons na jaren even verhaal komt halen voor de schade, waarvoor hij het bouwbedrijf nooit aansprakelijk heeft gesteld.

[eiser] vertelde dat hij ons niet aansprakelijk wilde stellen i.v.m. de voortgang van de bouw. Er is vóór 27 januari 2010 door [eiser] nooit schriftelijk dan wel mondeling persoonlijk aan mij aangegeven dat hij de schade wilde verhalen op het bouwbedrijf.

2.5

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag hoe deze verklaringen, indien zij door deze getuigen in een door de rechtbank in de procedure tussen [eiser] en Jolink opgedragen getuigenverhoor, waarbij Jolink met het bewijs van rechtsverwerking zou zijn belast, zouden zijn afgelegd, zouden moeten worden gewaardeerd. Partijen zijn het er echter wel over eens dat [naam] en [naam] ten tijde van de procedure tussen [eiser] en Jolink geen statutair bestuurder van Jolink waren. Hun verklaringen kunnen daarom niet als verklaringen van partijgetuigen worden aangemerkt. Zelfs indien [naam] ten tijde van de veronderstelde getuigenverhoren wel statutair bestuurder van Jolink was, kunnen de drie verklaringen tezamen dus wel degelijk bewijs in het voordeel van Jolink opleveren. De rechtbank is van oordeel dat uit die verklaringen, zowel afzonderlijk als in onderling verband bezien, kan volgen dat Jolink er kort na de instorting en ook in 2004 redelijkerwijs van mocht uitgaan niet door [eiser] tot schadevergoeding te worden aangesproken.

2.6

De vraag is of [eiser] in de onderhavige procedure voldoende heeft gesteld om hem tot het bewijs toe te laten dat niet tot de zojuist genoemde gevolgtrekking kan worden gekomen. [eiser] heeft allereerst verwezen naar zijn nadere akte van 24 april 2013, onder 4 tot en met 8, doch afgezien van een enkele blote ontkenning vormt het daar betoogde geen weerspreking van de genoemde drie verklaringen aan de zijde van Jolink. Hetzelfde geldt voor hetgeen [eiser] in zijn laatste akte hierover heeft geschreven. Het vroegste daarin besproken moment waarop [eiser] zijn voornemen om Jolink aan te spreken zou hebben geëtaleerd dateert uit de tijd van de procedure tegen B+P, derhalve uit 2005. Dat laat de rechten van Jolink ontleend aan de in de genoemde drie verklaringen weergegeven kort na de instorting en in 2004 bij Jolink gewekte indruk onverlet. Daaraan doet ook niet af dat [naam] zich in 2009 tegen [eiser] zou hebben laten ontvallen dat zijn vader “een keer met de billen bloot” zou moeten, dat Jolink daarna nog een poging heeft gedaan om schadevergoeding bij zijn CAR-verzekeraar te claimen, dat het woord “rechtsverwerking” tot de onderhavige procedure niet is gehoord en dat Jolink in 2010 een aantal minnelijke voorstellen ter finale kwijting zou hebben gedaan. Voor zover daarover al niet in het tussenvonnis is beslist, liggen die momenten immers allemaal na 2004 en ligt daarin geen onvoorwaardelijke erkenning van aansprakelijkheid besloten, hetgeen trouwens ook niet is gesteld.

2.7

In het hypothetische getuigenverhoor bij de rechtbank Zutphen zou in contra-enquête dus alleen een verklaring van [eiser] te verwachten zijn. Nu [eiser] zich in de onderhavige procedure heeft beperkt tot het simpelweg ontkennen van hetgeen hij volgens de verklaringen van [naam], [naam] en [naam] kort na de instorting en in 2004 zou hebben gezegd, mag worden aangenomen dat Jolink in de Zutphense procedure in het haar opgedragen bewijs zou zijn geslaagd.

2.8

Voor dat geval heeft [eiser] nog aangevoerd dat Jolink in die procedure haar recht heeft verwerkt om een beroep op rechtsverwerking te doen, doch ten onrechte. Gesteld noch gebleken is immers dat Jolink ooit de indruk heeft gewekt dat zij een dergelijk beroep ‘op het scherp van de snede’ zou nalaten.

2.9

Een en ander betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat een procedure van [eiser] tegen Jolink voor [eiser] niet succesvol zou zijn geweest en dat [eiser] ten gevolge van de beroepsfout van mr. Van Breevoort dus geen schade heeft geleden. [eiser] heeft daar in de onderhavige procedure onvoldoende tegenover gesteld, zodat hij ook niet tot het bewijs van enig feit dienaangaande zal worden toegelaten. De slotsom is dan ook dat de vorderingen van [eiser] tegen Hekkelman zullen worden afgewezen.

2.10

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over deze bedragen zoals gevorderd.

3 De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van Hekkelman begroot op € 3.621,- voor griffierecht en op € 4.263,- voor salaris van de advocaat conform het liquidatietarief (tarief V, drie punten), alsmede in de nakosten ter hoogte van € 131,- dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,-,

bepaalt dat over deze bedragen de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na heden,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2014.