Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8201

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-04-2015
Zaaknummer
856301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op Rechtbank Gelderland 21 augustus 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2663) en HR 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525). De eisende partij (gedaagde partij in verzet) had destijds direct de bewindvoerder moeten dagvaarden. Thans is die bewindvoerder in verzet gekomen van het verstekvonnis, gewezen tegen de rechthebbende. Daarom is niet-ontvankelijkverklaring van eisende partij (gedaagde partij in verzet) niet meer aan de orde. Geen proceskostenveroordeling in voorwaardelijke reconventie (HR 11 februari 2011, LJN BO9673, NJ 2012/73).”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 856301 \ CV EXPL 13-226 \ BE \ 340 \ be

uitspraak van

vonnis in verzet

in de zaak van

[naam bewindvoerder] handelend in zijn hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de heer [De rechthebbende]

wonende te [woonplaats]

eisende partij in verzet in conventie

eisende partij in reconventie

gemachtigde mr. J.H.J. Joosten

tegen

[verhuurder] h.o.d.n.[handelsnaam]

wonende te[woonplaats]

gedaagde partij in verzet in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde Stichting Achmea Rechtsbijstand (mr. M. van Popering)

Partijen worden hierna [bewindvoerder q.q.] en [verhuurder] genoemd. [De rechthebbende] wordt hierna [De rechthebbende] (juiste spelling) genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 augustus 2013 en de daarin genoemde processtukken

- het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525)

- de aktes van partijen naar aanleiding van dit arrest van 16 april 2014

- de akte uitlating producties van [verhuurder] van 16 mei 2014

- de akte uitlaten van [bewindvoerder q.q.] van 16 juli 2014

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen in de tussenvonnissen van 5 juni 2013 en van 21 augustus 2013 is overwogen en beslist. In aanvulling daarop wordt overwogen dat [bewindvoerder q.q.] tijdig in verzet is gekomen, te weten binnen vier weken na 3 december 2012 (datum ten uitvoerlegging verstekvonnis).

2.2.

In het tussenvonnis van 21 augustus 2013 heeft de kantonrechter, gehoord de partijen, op de voet van art. 392 Rv een drietal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd. In genoemd arrest van 7 maart 2014 heeft de Hoge Raad deze vragen beantwoord. De vragen en antwoorden luiden als volgt:

Vraag 1. Kan de beschermingsbewindvoerder (art. 1:435 BW) door te verschijnen in een zaak waarin de rechthebbende is gedagvaard (in casu door een verzetdagvaarding uit te brengen) als procespartij worden aangemerkt?

Zo nee, kan dat – tijdens de procedure alsnog – worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld doordat een verklaring van de rechthebbende in de procedure wordt ingebracht inhoudende een instemming met de verschijning (van de beschermingsbewindvoerder) in die procedure?

Antwoord: De bewindvoerder die in rechte verschijnt in een procedure waarin de rechthebbende zelf is gedagvaard, heeft als formele procespartij te gelden. De bewindvoerder is bevoegd in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was, indien en voor zover in dit vonnis is geoordeeld over een onder bewind gesteld goed.

Vraag 2. Dient de beschermingsbewindvoerder te worden gedagvaard ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (ervan uitgaande dat het geschil de onder bewind staande goederen betreft)?

Antwoord: In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.

In het geval de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.

Vraag 3. Dient een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende (voor de instelling van het bewind) gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde te worden ingesteld tegen de rechthebbende zelf of (juist) tegen de beschermingsbewindvoerder?

Antwoord: Een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar de daaruit voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

2.3.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat [bewindvoerder q.q.] in deze procedure als procespartij optreedt (vraag 1) en dat (ook) de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst met (rechthebbende) [De rechthebbende] tegen [bewindvoerder q.q.] moet worden ingesteld (vraag 3).

2.4.

Als onvoldoende betwist staat vast dat DFA Service (het door [verhuurder] ter zake de incasso van huurachterstand van [De rechthebbende] ingeschakelde incassobureau) voor 7 september 2012 (de datum waarop de dagvaarding aan [De rechthebbende] werd betekend) op de hoogte was met de onderbewindstelling van [De rechthebbende]. Dit blijkt voldoende duidelijk uit de overgelegde stukken zoals de laatste productie bij de inleidende dagvaarding van [verhuurder] en de producties 4 en 5 bij de akte uitlaten van [bewindvoerder q.q.] van 16 april 2014. De kantonrechter is voorts van oordeel – zoals overwogen en beslist in het tussenvonnis van 5 juni 2013 – dat deze wetenschap kan en moet worden toegerekend aan [verhuurder]. Dit betekent dat [verhuurder] niet [De rechthebbende] maar [bewindvoerder q.q.] (dus in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [De rechthebbende]) had moeten dagvaarden (vraag 2 en 3). Dit zou betekenen dat [verhuurder] in haar vordering jegens de ten onrechte gedagvaarde [De rechthebbende] niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. In deze verzetprocedure is echter [bewindvoerder q.q.] de procespartij (vraag 1). Deze (verzet)procedure moet worden gezien als een voortzetting van de verstekprocedure. Nu [bewindvoerder q.q.] hierin de procespartij is, is niet-ontvankelijk verklaring niet meer aan de orde c.q. niet mogelijk. Dit betekent dat de vorderingen in de dagvaarding van 7 september 2012 moeten worden beoordeeld. [bewindvoerder q.q.] wijst er in dit verband op dat de tweede vraag dan niet aan de Hoge Raad gesteld had moeten worden omdat het ten onrechte dagvaarden van [De rechthebbende] nu ‘onbestraft’ blijft terwijl dit ook het geval zou zijn geweest als [De rechthebbende] zelf in verzet was gekomen van het verstekvonnis van 8 oktober 2012. Dit brengt de kantonrechter toch niet tot een ander oordeel. Daarbij is betrokken dat in het antwoord op (met name) vraag 1 een streven naar deformalisering van het burgerlijke proces valt te lezen, welk streven ook in andere rechtspraak van de Hoge Raad is terug te vinden. Daarbij is van belang dat deze deformalisering niet tot gevolg heeft dat een rechthebbende, indien deze schade lijdt doordat hij of zij ten onrechte wordt gedagvaard door zijn of haar schuldeiser (omdat deze weet van het bewind), geen schadevergoeding zou kunnen krijgen. Dergelijke schadevergoeding kan bijvoorbeeld in reconventie in een verzetprocedure of in een separate procedure worden gevorderd.

Vooruitlopend op hetgeen hierna wordt overwogen zij opgemerkt dat een dergelijke schadevergoedingsvordering in deze procedure niet is ingesteld nu de eis in reconventie niet alleen voorwaardelijk is gedaan maar ook omdat deze – ten onrechte naar het oordeel van de kantonrechter – is gebaseerd op de stelling dat het dagvaarden van [De rechthebbende] tot niet-ontvankelijkverklaring van [verhuurder] in deze verzetprocedure zou moeten leiden.

2.5.

[verhuurder] vordert in de dagvaarding van 7 september 2012 betaling van een huurachterstand ad € 7.020,- en stelt daartoe dat vanaf december 2011 geen huur meer is betaald en de huurachterstand tot en met augustus 2012 € 7.020,- bedraagt. [verhuurder] vordert betaling van dit bedrag.

[bewindvoerder q.q.] heeft hiertegenover aangevoerd dat hij niet bekend is met het bestaan van enige huurachterstand. Daarmee is de gestelde huurachterstand echter niet, althans onvoldoende, betwist. Dit geldt te meer nu het voor [bewindvoerder q.q.] eenvoudig (via de beheersrekening) moet zijn na te gaan of en in hoeverre de huur is betaald dan wel om bij [De rechthebbende] na te vragen of de huur is betaald. De vordering tot betaling van bedoelde huurachterstand is daarom toewijsbaar. Dit geldt ook voor de vordering tot betaling van wettelijke rente over dit bedrag (vanaf 7 september 2012).

2.6.

[verhuurder] stelt voorts dat zij door toedoen van [De rechthebbende] waterschade ad

€ 346,58 heeft geleden. Dit betreft schade die is ontstaan doordat - door toedoen van [De rechthebbende] - water in KPN-apparatuur van [verhuurder] is gelopen en deze apparatuur daardoor moest worden vervangen. Wat betreft de waterschade staat vast dat [De rechthebbende] bij boorwerkzaamheden (boren in de vloer) de waterleiding heeft geraakt. Hij heeft daarom de deur van de meterkast opengebroken en de watertoevoer stil gezet. [bewindvoerder q.q.] heeft betwist dat [verhuurder] de gestelde schade heft geleden omdat alles direct is gerepareerd en het internet (weer) werkte en er voorts op gewezen dat de schade niet is onderbouwd. Dit verweer slaagt. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit de gestelde schade blijkt. Dit deel van de vordering wordt dus afgewezen.

2.7.

[verhuurder] vordert voorts een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst met [De rechthebbende] is ontbonden. De kantonrechter verstaat dat [verhuurder] vordert dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt omdat tevens betaling van huur tot het moment van de ontbinding en een vergoeding voor de periode daarna tot de ontruiming wordt gevorderd. Gelet op de vaststaande huurachterstand is deze vordering toewijsbaar.

2.8.

[verhuurder] vordert tevens om [De rechthebbende] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen met machtiging van [verhuurder] om die ontruiming zelf en op kosten van [De rechthebbende] te doen bewerkstelligen. Deze vorderingen zijn eveneens toewijsbaar.

2.9.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Voor de per 1 juli 2012 bestaande huurachterstand geldt dat niet is gesteld of gebleken dat [verhuurder] buitengerechtelijke werkzaamheden (gericht tot [bewindvoerder q.q.]) heeft verricht of doen verrichten die meer omvatten dan een herhaalde aanmaning. Ter zake de na 1 juli 2012 ontstane huurachterstand geldt dat niet is gesteld of gebleken dat de sindsdien wettelijk voorgeschreven veertiendagen brief (art. 6:96 lid 6 BW) is verzonden.

2.10.

De conclusie is dat het verzet slechts gegrond is voor zover vergoeding van gestelde waterschade ad € 346,58 en van buitengerechtelijke incassokosten ad € 833,00 is gevorderd.

2.11.

De eis in reconventie is ingesteld voor het geval de vorderingen van [verhuurder] in conventie worden afgewezen danwel [verhuurder] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen. Aan de gestelde voorwaarde is niet voldaan zodat niet wordt toegekomen aan deze voorwaardelijke vordering. De kantonrechter ziet geen grond voor een veroordeling [bewindvoerder q.q.] in de proceskosten in reconventie (vgl. HR 11 februari 2011, LJN BO9673, NJ 2012/73 m. nt. A.L.M. Keirse)

2.12.

[bewindvoerder q.q.] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten (in conventie) in deze verzetprocedure.

3 De beslissing

De kantonrechter

(in conventie)

3.1.

vernietigt het verstekvonnis van 8 oktober 2012 voor zover daarin de vorderingen tot vergoeding van waterschade ad € 346,58 en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 833,- zijn toegewezen en wijst deze vorderingen (alsnog) af en bekrachtigt het verstekvonnis van 8 oktober 2012 voor het overige;

3.2.

veroordeelt [bewindvoerder q.q.] in de proceskosten van de verzetprocedure tot deze uitspraak aan de kant [verhuurder] begroot op € 500,- aan salaris voor de gemachtigde;

3.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op