Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8179

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
254592
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebondenheid aan deskundigenrapportage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2015-0088

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/254592 / HA RK 13-195

Beschikking van 1 april 2014

in de zaak van

1 [verzoekster],

wonende te Randwijk,

2. de minderjarige [verzoekster],

wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [verzoekster] (de machtiging ex artikel 1:349 lid 2 BW van de kantonrechter dateert van 12 november 2013) en wonende te Randwijk,

beiden in hun hoedanigheid van erfgenamen van[naam] (overleden op 16 maart 2011),

verzoeksters,

advocaat mr. T.J.C. Bueters,

tegen

1 [verweerder],

wonende te Herveld,

2.[verweerder][verweerder],

wonende te Zetten,

verweerders,

advocaat mr. D. Zwartjens.

Partijen worden hierna [verzoekster] c.s. en dr. [verweerder] en dr. [verweerder] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de brief met bijlagen van mr. Bueters van 18 februari 2014,

  • -

    de brief met bijlagen van mr. Zwartjens van 19 februari 2014,

  • -

    de mondelinge behandeling. Verschenen zijn: de heer en mevrouw [naam] (ouders van[naam]), mr. Bueters, de heer dr. [verweerder], de heer dr. [verweerder], mr. Zwartjens en de heer [naam] (behandelaar bij VVAA). Mr. Bueters heeft het standpunt van zijn cliënten nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Dat stuk behoort tot de stukken van het geding.

2 De feiten

2.1.

De heer[naam] (hierna: [naam]) heeft op 14-jarige leeftijd een ongeval gehad, als gevolg waarvan op 10 juni 1986 zijn milt is verwijderd (splenectomie). Sinds begin jaren negentig stond [naam] als patiënt ingeschreven in de huisartsenpraktijk van dr. [verweerder].

2.2.

[naam] heeft op 27 september 2002 zijn huisarts dr. [verweerder] bezocht. Dr. [verweerder] heeft geadviseerd bloed te laten prikken. In het huisartsenjournaal is door dr. [verweerder] het navolgende opgetekend bij dit consult:

S steken op de borst ook sternaal longontsteking fam

S belasting HVZ en ook splenectomie

S is juist afgeloepen we gestopt met roken

O L/VAG H/gb

O RR:150/90

E Reactief

2.3.

In de avond van 2 oktober 2002 heeft [naam] waarnemend huisarts dr. [verweerder] bezocht. Na het bezoek is [naam] naar huis gegaan.

2.4.

In de vroege ochtend van 3 oktober 2002 heeft dr. [verweerder] [naam] thuis bezocht. [naam] werd met een verlaagd bewustzijnsniveau aangetroffen.

2.5.

Op de patiëntenkaart is bij de datum van 3 oktober 2002 als volgt te lezen (toevoeging rechtbank: over het eerste bezoek van [naam] aan dr. [verweerder] op 2 oktober 2002):

S CHN: pijn in de rug, kruipt in elkaar v.d. pijn,

S pijn sinds vanmorgen, pijn is constant, stekende

S pijn in de rug, plassen gaat goed, geen pijn bij

S het plassen, pijn is langzaam ontstaan, temp?

S lijkt warm, heeft geen milt meer.

E heftige pijn in de rug, langzaam ontstaan.

P doorverbonden met dr. [verweerder].

S SOMF: rugklachten sinds gister. Koorts: neg

E spit en viraal infect.

P zn. para.

(toevoeging rechtbank: over het tweede bezoek van dr. [verweerder] aan [naam] in de vroege ochtend van 3 oktober 2002):

Meningitis

S SOMF: niet wakker te krijgen (om op te staan)

S hele nacht onrustig geweest

O had hoofdpijn temp: 38.5 verlaagd bewustzijn.

O Babinski re, li. wat vage trekkingen.

O tijdens wachten op ambulance insult

P opname Rijnstate neu.

S moeder belt en vertelt dat pt. is opgenomen, nu

S nog steeds buiten bewustzijn. Wsch. toch sprake

S van meningitis. Nog niet bekend welke bacterie.

B IC/RYN: opname ivm voorlopige diagnose meningitis,

B beademing (Bosch)

2.6.

Na het huisbezoek van dr. [verweerder] is [naam] op 3 oktober 2002 met spoed naar de afdeling Spoedeisende hulp van het Rijnstate Ziekenhuis te Arnhem overgebracht. Daar werd een hersenvliesontsteking geconstateerd, veroorzaakt door een pneumokokkenbacterie. [naam] is tot 6 november 2002 in het ziekenhuis opgenomen geweest.

2.7.

Uit een brief van het Rijnstate Ziekenhuis van 7 november 2002 wordt over de ziekenhuisopname van [naam] het volgende geciteerd:

Anamnese:

Patiënt werd alhier gepresenteerd op de SEH in verband met minder goed aanspreekbaar zijn, mogelijk trekkingen gehad die nacht en achterblijven van zijn rechter arm en been. Vriendin van patiënt vertelde dat hij de laatste twee dagen hoofdpijnklachten had en koortsig was. Verder al twee maanden vermoeidheidsklachten.

2.8.

[naam] heeft dr. [verweerder] en dr. [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade bij brief van 16 januari 2008. [naam] stelde zich (onder meer) op het standpunt dat tijdens de consulten op 27 september en 2 oktober 2002 reeds tekenen van een infectie aanwezig waren waarvoor aan hem vanwege zijn asplenie (ontbreken van de milt) antibiotica voorgeschreven had moeten worden. Dr. [verweerder] en dr. [verweerder] hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.9.

[naam] heeft op 11 januari 2011 een verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht bij de rechtbank Arnhem ingediend strekkende tot het bevelen van een deskundigenonderzoek naar het handelen van dr. [verweerder] en dr. [verweerder]. Dr. [verweerder] en dr. [verweerder] hebben verweer gevoerd.

2.10.

[naam] is op 16 maart 2011 overleden.

2.11.

De rechtbank Arnhem heeft bij beschikking van 6 december 2011 (zaaknummer/rolnummer 210798 / HA RK 11-16) het verzoek van [naam] toegewezen en dr.[naam] tot deskundige benoemd. Uit het rapport van dr. [naam], dat dateert van 16 april 2012 wordt als volgt geciteerd:

I Beantwoording van vragen 1 t/m 8 t.a.v. consult op 27-09 2002 (toevoeging rechtbank: bij dr. [verweerder])

Vraag 1

Hoe oordeelt u over de bevindingen van dit consult op basis van de aantekeningen in het huisartsenjournaal?

(…)

Conclusie

Verondersteld dat met vraag 1 wordt bedoeld hoe ik in brede zin oordeel over de bevindingen in dit consult, dan is mijn antwoord dat er n.a.v. de anamnese ‘steken op de borst’ doorgevraagd had moeten worden naar pijn al dan niet bij inspanning of vastzittend aan de ademhaling, Bij een patiënt die familiair belast is met Hart- en VaatZiekten (HVZ) en die gerookt heeft moet het risico op HVZ in kaart worden gebracht, ook wanneer de patiënt relatief jong is zoals [naam]. Een luchtweginfectie moet uitgesloten worden, zeker een lagere luchtweginfectie (vaak bacterieel) bij een patiënt met “splenectomie”. Mogelijk was dat ook de hulpvraag van [naam].

(…)

De anamnese had m.i. uitgebreider moeten zijn (als dat niet gebeurd is) of beter geregistreerd moeten zijn. Het lichamelijk onderzoek is adequaat voor zover beschreven. M.b.t. de evaluatie is “reactief” een beknopte beschrijving. Tevens had de Evaluatie op basis van deze registratie uitgebreider moeten zijn. Het plan (beleid) is niet beschreven en dat had wel gemoeten.

(…)

Vraag 4

Maakt het bij de beantwoording van vraag 3 (toevoeging rechtbank: Wat was op basis van deze aantekeningen uw differentiaal diagnose?) uit dat [naam] al dan niet tijdens het consult heeft aangegeven al maanden last te hebben van vermoeidheid en een beroerd gevoel?

(…)

4.1.

Als [naam] al maanden last heeft van vermoeidheid en een beroerd gevoel dan wordt mijn differentiaal diagnose uitgebreider dan bij vraag 3. (…) Kortom, het maakt inderdaad wat uit als deze klachten door [naam] zijn gemeld.(…)

4.2.

Als [naam] daarnaast ook gemeld zou hebben dat hij de afgelopen maanden vaak verkouden was en vaak moest hoesten (….).

(…)

Vraag 5

Wat is de rol van de splenectomie hierin?

De splenectomie is een risicofactor t.a.v. het krijgen van infecties.(…) De patiënt heeft minder weerstand en loopt daardoor het risico eerder een infectieuze aandoening te krijgen dan een patiënt die wel een goed functionerende milt heeft. Ook kan de aandoening dan heftiger verlopen (…): de patiënt is ernstiger en langduriger ziek vergeleken met een patiënt met een goed functionerende milt. (….)

Vraag 6

Tijdens het onderzoek op 27 september 2002 heeft de huisarts nog geadviseerd om bloed te laten prikken. Is dat naar uw mening een deugdelijk advies?

Dat is naar mijn mening een deugdelijk advies. De belangrijke vraag daarbij is welke bepalingen de huisarts wilde laten doen en op grond van welke anamnestische gegevens dan wel bevindingen n.a.v. het lichamelijk onderzoek en bovenal n.a.v. welke combinatie van gegevens.(…)

Op basis van de klacht “steken op de borst” alleen is bloedonderzoek m.i. niet aangewezen.

Op basis van die klacht met de andere klachten genoemd bij vraag 4.1. (al maanden last van vermoeidheid en een beroerd gevoel) is bloedonderzoek een deugdelijk advies (…)

Bij een patiënt met splenectomie met verdenking op een infectie (en die verdenking neemt m.i. toe bij klachten genoemd bij 4.2: vaak verkouden en vaak hoesten) is bloedonderzoek zeker van aanvullende waarde (…).

(….)

Vraag 8

Heeft de huisarts tijdens dit consult gehandeld met de zorg, die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden?

Deze vraag is op grond van het huisartsjournaal alleen niet te beantwoorden, omdat de registratie meer vragen oproept dan beantwoordt. Bovendien zou mijn oordeel dan gebaseerd moeten zijn op het afhandelen van de enige klacht die geregistreerd staat. (steken op de borst). Mijn antwoord op vraag 8 is daarom gebaseerd op het journaal, de aanvullende informatie van de huisarts n.a.v. mijn in bijlage geformuleerde vragen ([verweerder], zie brief dd. 15 februari 2012, bijlage 7) (…).

De vragen waren:

Consult 1, ad vraag 6:

1. Huisarts: kunt u zich herinneren wat u in het bloed wilde onderzoeken en zo ja wat waren uw labaanvragen?

(…)

Reactie huisarts

De huisarts heeft naar eigen zeggen overwogen dat er sprake kon zijn van “malaiseklachten (vandaar E/reactief) dan toch wel een ontstekingsproces”. Daarmee is de vraag wat de huisarts bedoeld met “reactief” beantwoord: de steken op de borst kunnen een reactie zijn op (algemene) malaise. Zijn evaluatie is m.i. daarmee uitgebreid met “ontstekingsproces”.

(…)

De huisarts heeft een ontstekingsproces overwogen (dat is m.i. een adequate evaluatie) en deze werkhypothese met bloedonderzoek willen aantonen dan wel uitsluiten. Het onderzoek dat hij naar zeggen heeft aangevraagd (…) is in deze adequaat. (…)

Wanneer de huisarts denkt aan een ontstekingsproces bij een patiënt met splenectomie, als een op zichzelf staande aandoening of als een (mede) onderliggende oorzaak van malaise, dan dient hij zich er m.i. van te vergewissen dat patiënt geen koorts heeft. Dat kan hij door dat zelf te meten of door de patiënt te vragen of hij dat gemeten heeft, bij voorkeur rectaal. Gezien het risico op een gecompliceerd verloop van een infectie bij een patiënt met splenectomie dient de huisarts m.i. een infectie snel aan te tonen dan wel uit te sluiten.

Koorts (laten) meten kan zeer snel. Het bloedonderzoek (…) zou dan als 2e parameter van een infectie zo snel mogelijk aangevraagd en bepaald moeten worden, het liefst diezelfde dag gezien de splenectomie en de noodzaak tot snelle behandeling. Beide bepalingen (lichaamstemperatuur en bloedonderzoek) zijn niet gebeurd.

Conclusie

Als de patiënt de maanden durende vermoeidheid en beroerd voelen vermoeidheid expliciet heeft gemeld (…), op grond waarvan de huisarts terecht een ontstekingsproces wil uitsluiten, dan heeft de huisarts m.i. niet gehandeld met de zorg, die van een redelijk bekwame beroepsgenoot verwacht mag worden.

De lichaamstemperatuur had m.i. gemeten moeten worden. Bij een lichaamstemperatuur > 38.5 had de huisarts [naam] direct antibiotica moeten voorschrijven.

Als de huisarts een infectieproces met bloedonderzoek heeft willen uitsluiten dan het dat bloedonderzoek z.s.m. verricht moeten worden (gezien de splenectomie), bij voorkeur dezelfde dag. In afwachting van de uitslag had de patiënt de opdracht moeten krijgen de temperatuur minimaal 2 maal daags te meten en bij verhoging (>38.5) onmiddellijk contact moeten opnemen (vangnet). De huisarts had [naam] had ook een recept voor antibiotica mee kunnen geven, met het advies bij koorts direct daarmee te beginnen.

Als de patiënt daarbij ook nog melding heeft gemaakt van “verkouden en hoesten” (4.2) dan had de huisarts een aanwijzing dat een eventuele infectie zich afspeelde (of afgespeeld had?) in de hoge en/of lage luchtwegen. Röntgendiagnostiek zou dan de gouden standaard zijn, maar een verhoogde BSE en vooral een verhoogde CRP zou al de doorslag gegeven hebben om met antibiotica te beginnen.

N.B. 1. De complexiteit van de casus is groot: als de patiënt geen koortsige en/of zieke indruk maakt en terughoudend is in het presenteren van zijn klachten (daar lijkt het op gezien de duur van de malaise klachten, een zelfstandige marktkoopman moet door (inkomsten), de heeft [naam] heeft ook doorgewerkt, zelfs tot vlak voor de ziekenhuisopname) zou menig bekwame beroepsgenoot hetzelfde gehandeld hebben als [verweerder]. Dat neemt niet weg dat de zorg m.i. niet adequaat genoeg is.(…)

N.B.2. (…) Als de patiënt zich alleen met steken op de borst, is de anamnese m.i. onvolledig uitgevoerd of onvolledig geregistreerd of beide. Het beleid is niet geregistreerd of beide. Het beleid is niet geregistreerd. Dat riep bij mij een aantal vragen op t.a.v. zorgvuldig handelen. De aanvullende informatie leidt helaas bij mij niet tot de conclusie dat de huisarts zorgvuldig heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden.

(…)

Vraag 13 t/m 20 ten aanzien van het consult op 2 oktober 2002 (toevoeging rechtbank: bij dr. [verweerder])

Vraag 13

Hoe oordeelt u over de bevindingen van dit consult op basis van de aantekeningen in het huisartsjournaal?

(…)

Conclusie: de anamnese is niet volledig of de bevindingen zijn niet volledig geregistreerd. De bevindingen n.a.v. het lichamelijk onderzoek zijn niet geregistreerd. De evaluatie “viraal infect” komt m.i. niet logisch voort uit de geregistreerde bevindingen. Het beleid is m.i. niet zorgvuldig genoeg t.a.v. pijnstilling en een vangnet (wat zelf te doen en wanneer contact op te nemen) is niet geregistreerd.

(…)

Vraag 15

Was er naar uw mening een aanvullend onderzoek gewenst? Zo ja, welk onderzoek en met welke urgentie had dit moeten plaatsvinden?

De rugklachten op zich vormen geen indicatie voor aanvullend onderzoek (…).

T.a.v. de malaiseklachten al dan niet het gevolg van een virale infectie wist [verweerder] van [naam] dat zijn collega daar “onlangs bloedonderzoek voor had ingezet” (zie bijlage 13). Hij mag er in redelijkheid op vertrouwen dat dat op passende wijze is gebeurd, zowel t.a.v. de soort bepalingen als t.a.v. het tempo daarvan. [verweerder] heeft op grond van de verkregen informatie van [naam] geconcludeerd dat [naam] geen koorts had. Onduidelijk is of en zo ja hoe [naam] dat heeft gemeten.

Als [naam] dat niet gemeten heeft dan had [verweerder] m.i. tijdens het consult als “aanvullend onderzoek” de temperatuur moeten meten gezien de splenectomie.

Vraag 16

Hoe beoordeelt u, gelet op de waarschijnlijkheidsdiagnose en de asplenie, het door [verweerder] gegeven advies?

(…)

Als er sprake is van een infectie bij een patiënt met splenectomie moet de patiënt geïnstrueerd worden de temperatuur dagelijks (minimaal 2x per dag) te meten en bij verhoging (>38.5) direct contact op te nemen met de huisarts. Dat (dringend) advies staat niet geregistreerd.” Meestal geeft een huisarts routinematig aan dat de patiënt terug moet komen c.q. weer contact moet opnemen als het niet beter gaat gegeven een bepaalde termijn. Dat staat niet geregistreerd en wordt ook meestal niet geregistreerd.

Dat neemt niet weg dat in dit geval zeker t.a.v. de temperatuur metingen vanwege de splenectomie een specifiek advies (vangnet) gegeven had moeten worden. (…)

Vraag 17

Maakt het voor de beantwoording van vraag n) uit of tijdens het consult is aangegeven dat [naam] al enkele dagen last had van hoofdpijn en koortsig was (zoals verzoeksters stellen)?

(…) Het antwoord is ja, dat maakt veel uit.

Koortsig zijn dient te worden uitgevraagd. Er moet worden vastgesteld of patiënt daadwerkelijk koorts heeft en/of heeft gehad. Dat kan m.b.v. de anamnese, maar dan moet de patiënt de temperatuur ook daadwerkelijk lege artis gemeten hebben. De splenectomie in de voorgeschiedenis is een extra argument om de temperatuur zorgvuldig in kaart te brengen. (…)

In het huisartsjournaal (koorts negatief) en in de brief van [verweerder] (bijlage 8) staat geregistreerd dat [verweerder] koorts uitgesloten heeft op grond van “verkregen informatie van hemzelf”(lees [naam]). [verweerder] heeft daar op gevaren.(….)

Blijft staan dat bij de klacht “koortsig” en de informatie “splenectomie” de temperatuur goed in kaart moet zijn gebracht (zie boven) en controle ervan als advies aan de pati:ent moet worden meegegeven.

Vraag 18

Is het voor de beoordeling van de feiten nog relevant dat de huisarts noteerde “viraal infect”?

Ja, dat is relevant, omdat gezien de toelichting van [verweerder] (bijlage) blijkt dat de malaise klachten zijn gemeld door [naam] en [verweerder] overweegt dat een virale infectie daaraan ten grondslag zou kunnen liggen. Zie ook mijn antwoord op vraag 13.

Aan de klacht malaise kunnen infecties ten grondslag liggen, bacterieel en viraal.

Bij een splenectomie moet dan snel diagnostisch (temp meten, aanvullend onderzoek) en zn. medicamenteus (antibiotica) gehandeld worden (bij koorts > 38.5). Virale infecties (bv. bij griep of verkoudheid) kunnen de weg vrij maken voor bacteriële infecties.

Vraag 19

Had het gelet op de bevindingen van de huisarts en de door hem gestelde waarschijnlijkheidsdiagnose in de rede gelegen antibiotica voor te schrijven?

(….)

Op grond van de door [verweerder] gestelde waarschijnlijkheidsdiagnose “spit” had het niet in de rede gelegen antibiotica voor te schrijven.

Op grond van de door [verweerder] gestelde waarschijnlijkheidsdiagnose “viraal infect” had het ook niet in de rede gelegen antibiotica voor te schrijven. Deze werken immers niet bij virusinfecties.(…)”

Vraag 20

Heeft de huisarts tijdens dit consult gehandeld met de zorg die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden?

1. Op basis van de informatie van de huisarts (huisartsjournaal en brief) heeft de huisarts t.a.v. de rugklachten gehandeld zoals van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden.

T.a.v. de malaise vind ik de zorg niet zoals die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden. T.a.v. de malaise had de huisarts bij het overwegen van een infectie m.i. ook een bacteriële infectie in de overweging mee moeten nemen. Hoe dan ook, gegeven de splenectomie zou t.a.v de mogelijkheid van een infectie een uitgebreidere anamnese op zijn plaats zijn geweest (bv. “bent u de laatste maanden gezond geweest? ziek geweest? zo ja, welke klachten had u dan, heeft de temp gemeten?”), met als mogelijke uitkomst nog ander lichamelijk onderzoek dan alleen op de rugklachten gericht om daarmee een infectie met koorts uit te sluiten. Zou er koorts geweest zijn (> 38.5), dan had de huisarts antibiotica moeten voorschrijven. Als er geen koorts was geweest had de heer [naam] dat gezien zijn malaise thuis dagelijks moeten meten (stevig advies).

2. Op basis van de informatie van verzoeksters (hoofdpijn en koortsig) had de anamnese en het lichamelijk onderzoek zich ook moeten richten op die klachten. Dat is alleen t.a.v. “koortsig” geschiedt, de hoofdpijn is gegeven de registraties niet uitgevraagd en ook niet onderzocht. Als wat verzoeksters stellen feitelijk is gebeurd, dan heeft de huisarts in dat geval tijdens dit consult niet gehandeld met de zorg die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden.

Vraag 21

Heeft u verder nog zaken op te merken die u van belang acht?

(…)

Van belang is de vraag wat een redelijk bekwaam huisarts vermag in een complex consult. De “moeilijkheidsgraad” van beide consulten vind ik hoog. Een huisarts heeft niet veel patiënten met een splenectomie in zijn / haar praktijk. (…) Daarnaast maken de negatieve bevindingen (lees geen afwijkingen) zoals normale longgeruisen in het eerste consult en geen koorts (anamnese) en geen neurologische afwijkingen (onderzoek) bij het rugonderzoek in het tweede consult bepaalde diagnosen minder waarschijnlijk. Bij afwijkende longgeruisen (dat maakt het consult voor de huisarts minder complex) had [verweerder] ongetwijfeld anders gehandeld. Hetzelfde geldt voor [verweerder] als [naam] met hoge koorts en suf in bed had gelegen. Ik benoem dit expliciet omdat het bij het toetsen van het handelen van artsen ook gaat om de complexiteit van de casus.

Als de casus complexer zijn, lopen meer redelijk bekwame beroepsgenoten het risico in de zorg op enig moment minder bekwaam te handelen. Daarmee blijven ze m.i. nog steeds redelijk bekwame beroepsgenoten.(…)”

Als bijlage 7 bij het rapport is een brief van dr. [verweerder] van 15 februari 2012 opgenomen. Daaruit wordt het volgende geciteerd:

(…)

 In het kader van mijn overweging of hier nu sprake was van malaise klachten (vandaar E/Reactief) dan wel toch een ontstekingsproces heb ik (….) een zogenaamd algemeen bloedonderzoek ingesteld.(...)

(…)

 Ik heb zeker geen temperatuur gemeten, anders had ik dit vermeld in het patiënten dossier. Alleen de mogelijke angst voor een pneumonie en verder tijdens lichamelijk onderzoek geen aanwijzing voor koorts of ontsteking is voor mij geen indicatie om temperatuur op te nemen.(…)

Als bijlage 13 bij het rapport is een brief van dr. [verweerder] van 17 februari 2012 opgenomen. Daaruit wordt het volgende geciteerd:

“(….) Zoals ten tijde van het consult gebruikelijk en algemeen geaccepteerd was heb ik mijn onderzoek en bevindingen via een waarneembericht (lees waarneembriefje) de ochtend na het consult aan collega [verweerder] doen toekomen. Er bestond immers nog geen mogelijkheid om in elkaars EMD te kijken c.q. te registreren. (….) De heer [naam] kwam bij me met de klacht dat zijn onderrug pijn deed. Hij vertelde me zich niet zo fit te voelen en dat zijn eigen huisarts daarvoor onlangs bloedonderzoek had ingezet.(…) Ik kon op dat moment geen andere diagnose stellen dan spit en mogelijk daarnaast i.v.m. de malaise een viraal beeld. Ik heb zijn temperatuur niet opgenomen. Uit verkregen informatie van hemzelf bleek dat hij geen koorts had.(…)”

2.12.

De advocaat van dr. [verweerder] en dr. [verweerder] heeft bij brief van 1 februari 2013 prof. [naam] (hierna: dr.[naam]) de volgende vraag voorgelegd:

“Graag zou ik u willen verzoeken een rapportage op te stellen, waarin u de vragen beantwoordt die destijds ook aan dr. [naam] zijn voorgelegd.(…)

Voor de goede orde wijs ik u erop dat het een eenzijdige rapportage betreft.(...)

Indien u de bevindingen van dr. [naam] onderschrijft en/of van oordeel bent dat de betrokken artsen tekort geschoten zijn, dan kunt u volstaan met een korte rapportage. Indien u de bevindingen van dr. [naam] niet onderschrijft en van mening bent dat niet onzorgvuldig is gehandeld, verzoek ik u vriendelijk uw antwoorden uitgebreid te motiveren.(…)”

2.13.

Uit een brief van dr.[naam] van 8 juli 2013 wordt het volgende geciteerd:

“(…) De rechtbank heeft de Heer dr. P. M. [naam] gevraagd een deskundigenbericht op te stellen. Op 15-04-2012 heeft dhr [naam] een buitengewoon volledig deskundigenbericht afgeleverd. Elke vraag is mijns insziens zeer volledig beantwoord door dhr [naam]. In algemene zin kan ik achter het merendeel van zijn conclusies staan. Ik ben dan ook niet bereid deze volledige exercitie te herhalen.

Ik wil echter graag aantekenen dat ik twee conclusies van dhr [naam] niet onderschrijf:

De beantwoording van dhr [naam] op vraag 8

- Heeft de huisarts tijdens dit consult gehandeld met de zorg die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden? Gedoeld wordt Consult op 27-09-2002

Bij de beantwoording hierop komt de meting van de temperatuur aan de orde. Bij een temperatuur van boven de 38.5 had antibiotica moeten worden voorgeschreven. Inderdaad terecht bij deze patiënt met een splenectomie. Ik heb in mijn carrière als huisarts vaak temperatuur gemeten maar nooit bij een ambulante volwassen patiënt niet klagend over koorts een temperatuur gemeten van boven de 38.5 graden. Slechts zelden voelt een patiënt een koorts van meer dan 38.5 graden niet. Andersom is wel vaak het geval de patiënt voelt koorts maar dat kan niet bevestigd worden. Het meten van de temperatuur om uitsluitsel te geven over het wel of niet geven van antibiotica bij volwassenen in situaties waarbij de adequate volwassene niet klaagt over koorts is dan ook een dubieus advies. Om op grond daarvan mede dit consult als onvoldoende te beoordelen is niet in orde. (…)

Beantwoording vraag 20: Heeft de huisarts tijdens dit consult gehandeld met de zorg die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden. Bedoeld wordt het consult op 2 Oktober 2002.

In de stukken staat: S(subjectief); rugklachten sinds gister, koorts negatief.

Dhr [naam] antwoord: Ten aanzien van de rugklachten is gehandeld zoals van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden.

Dan vervolgt hij; Ten aanzien van de malaise vind ik de zorg niet zoals deze verwacht mag worden etc.

Hier haalt hij wellicht twee consulten door elkaar; in het consult van 2 oktober wordt nergens gesproken van malaise. Er is pijn en de patiënt antwoord desgevraagd “geen koorts”. De term malaise hoewel gebruikt in de brief van dhr [verweerder] is hierbij niet op zijn plaats als reden voor het consult. De reden voor consult was rugpijn zonder koorts. Dat het algemeen welbevinden dan niet goed is (later alleen door [verweerder] in zijn brief van bijna 10 jaar later benoemd als malaise) lijkt op zo’n moment duidelijk. Het niet zorgvuldig handelen namelijk om bij koorts (die anamnestisch niet aanwezig was) maar wellicht wel gemeten had kunnen worden als deze verondersteld wel aanwezig was van boven de 38.5 graden toch antibiotica voor te schrijven is weliswaar waar maar in hoge mate speculatief. In deze wijs ik ook graag op de brief van de Neuroloog uit het ziekenhuis: dd 7 november 2002 van dr [naam]. Temperatuur bij opname een aantal uren later is 37.9 graden. In medische termen subfebriel dus geen koorts. Met andere woorden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid had patiënt op de avond van 2 oktober 2002 inderdaad geen koorts.

Tevens staat in het dossier geen vermelding van de informatie van verzoeksters “hoofdpijn en koortsig” evenmin staat dit vermeld in de brief van dhr [verweerder] dd 17 feb 2012. Dhr [naam] gaat wel in op deze vragen. En stelt dat als dat is gebeurd dan heeft de huisarts niet gehandeld met de zorg die van een redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. Ook dit vind ik speculatief.

Ten slotte word niet ingegaan op het feit dat de patiënt die ochtend geen bloed heeft laten afnemen terwijl hij daarvoor een briefje had voor het lab en het was geadviseerd door de huisarts. In het licht van de gebeurtenissen een wellicht bijna fatale omissie. Met het ziektebeeld dat zich in de loop van de dag/nacht ontwikkelde mag worden aangenomen dat zich een stevig ontstekingsbeeld had ontwikkeld waar het lab nog voor het einde van de middag op had gereageerd met een spoedbericht voor de eigen huisarts. De follow up daarvan had wellicht een heel andere afloop van de hele casus gegeven. Naar mijn oordeel heeft de patiënt in zake zijn eigen gezondheid ook een eigen verantwoordelijkheid. Daar gaat de casus niet over maar het speelt wel mee in de gedachtevorming.

Mijn eigen mening is dat het consult op 27-09-2002 is verlopen zoals dat in huisartsenland gebruikelijk is namelijk het ingang zetten van stapsgewijze exploratie van de oorzaak van maandenlange bestaande vage klachten beschreven als algehele malaise. De eerste stap is in dit geval bloedonderzoek. Dat dit niet direct gebeurde is op het platteland gebruikelijk. Er waren geen redenen om spoedonderzoek aan te vragen. Aanvragen van spoed X thorax was op dat moment gezien de vage klachten en het geruststellende lichamelijk onderzoek ook niet zinvol.

Het consult op 2-10 2002 is eigenlijk niet te beoordelen omdat documentatie uit die tijd ontbreekt. Ik ben met dhr [naam] eens dat dit consult ten aanzien van de rugpijn adequaat is afgehandeld. Malaise en hoofdpijn waren niet de reden van aanvraag van het consult zoals blijkt uit de rapportage op de patiënten kaart. Ook de brief van de advocaat van de familie (bijlage 8) geeft niet aan dat dit de reden was van consult.

Tot zover mijn rapportage. Nogmaals het deskundigenbericht van Dr. [naam] is buitengewoon gedetailleerd en precies. Ik zie geen reden om dit in zijn geheel te herhalen.”

3 Het verzoek en het verweer daar tegen

3.1.

[verzoekster] c.s. verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat dr. [verweerder] en dr. [verweerder] aansprakelijk zijn voor de materiële en immateriële schade die verzoeksters in hun hoedanigheid als erfgenamen lijden en geleden hebben als gevolg van de ontstane delay in de behandeling van [naam] door de toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de behandelingsovereenkomsten, dan wel onrechtmatige daden gepleegd op 27 september 2002 en 2 oktober 2002;

II. te bepalen dat bij de verdere afwikkeling van deze zaak het deskundigenrapport d.d. 3 maart 2012 van dr. P. [naam] door partijen als uitgangspunt zal moeten worden genomen;

III. dr. [verweerder] en dr. [verweerder] te veroordelen om binnen twee weken na de uitspraak van de rechtbank over te gaan tot betaling van de buitengerechtelijke kosten aan verzoeksters van € 21.670,27, dan wel een naar redelijkheid door de rechtbank te begroten bedrag aan buitengerechtelijke kosten, dan wel een voorschot hierop;

IV. dr. [verweerder] en dr. [verweerder] te veroordelen in de kosten van dit geding, met het verzoek terzake van het honorarium van de advocaat deze kosten aan de zijde van verzoeksters te begroten op een bedrag van € 6.546,25 conform de in het verzoekschrift opgenomen begroting, te vermeerderen met het verschuldigde griffierecht en dr. [verweerder] en dr. [verweerder] te veroordelen deze kosten binnen twee weken na de beschikking van de rechtbank aan verzoeksters te betalen.

3.2.

Aan haar verzoek legt [verzoekster] c.s. de deskundigenrapportage van dr. [naam] ten grondslag. Daaruit volgt volgens haar dat dr. [verweerder] en dr. [verweerder] tijdens de consulten op 27 september 2002 respectievelijk 2 oktober 2002 tekort zijn geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Kort samengevat wordt het de huisartsen verweten dat zij de lichaamstemperatuur van [naam] niet hebben gemeten en dat zij bij een verhoogde lichaamstemperatuur direct antibiotica hadden moeten voorschrijven. Als de huisartsen een infectieproces met bloedonderzoek hebben willen uitsluiten, dan had dat bloedonderzoek zo spoedig mogelijk verricht moeten worden (bij voorkeur dezelfde dag), [naam] had – in afwachting van de uitslag van dat bloedonderzoek – de opdracht moeten krijgen om de temperatuur tweemaal daags te meten en bij verhoging direct contact op te nemen en tenslotte had [naam] een recept voor antibiotica mee moeten krijgen, dat bij koorts direct ingenomen had moeten worden. Door het voorgaande na te laten is een delay in de behandeling van de meningitis opgetreden (met schade tot gevolg) waarvoor [verzoekster] c.s. dr. [verweerder] en dr. [verweerder] aansprakelijk houden.

3.3.

Dr. [verweerder] en dr. [verweerder] hebben verweer gevoerd. Zij hebben inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen de rapportage van dr. [naam]. Ter onderbouwing daarvan hebben zij verwezen naar de brief van dr.[naam] van 8 juli 2013. Op grond daarvan kan het rapport van dr. [naam] niet als uitgangspunt dienen bij de verdere afwikkeling van de zaak. Zij betwisten voorts dat zij tekort zijn geschoten tijdens de consulten op 27 september en 2 oktober 2002. Daarnaast hebben zij verweer gevoerd tegen de (hoogte van de) gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4 De beoordeling

4.1.

Uit het dossier volgt dat [verzoekster] c.s. het dr. [verweerder] aanvankelijk ook heeft verweten dat hij [naam] voorafgaand aan het jaar 2002 geen pneumokokken- en griepvaccinaties zou hebben toegediend, maar dat verwijt wordt thans (na de bevindingen van dr. [naam] daarover) niet maar aan de aansprakelijkstelling ten grondslag gelegd en zal daarom verder ook onbesproken blijven.

4.2.

De kern van geschil tussen partijen betreft dan de vraag of het rapport van dr. [naam] tot uitgangspunt moet worden genomen bij de verdere schade afwikkeling en of op grond van die rapportage kan worden vastgesteld dat dr. [verweerder] en dr. [verweerder] aansprakelijk zijn voor de door [verzoekster] c.s. (in hun hoedanigheid van erfgenamen van [naam]) geleden schade.

4.3.

Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang. Indien een deskundigenrapport is uitgebracht door een door de rechtbank benoemde deskundige, het deskundigenrapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de conclusies van de deskundige deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde gegevens, zal de rechtbank het oordeel van de deskundige, die juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek is benoemd, niet snel naast zich neerleggen. Van de partij die een deskundigenrapport bekritiseert, mag verlangd worden dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. In dat geval zullen er zwaarwegende of steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechtbank besluiten dat zij een dergelijk bericht naast zich neerlegt.

4.4.

Alvorens in te gaan op de vraag of er van de zijde van dr. [verweerder] en dr. [verweerder] voldoende zwaarwegende of steekhoudende bezwaren zijn aangevoerd, zoals hiervoor bedoeld, staat de rechtbank allereerst bij het volgende stil. Tussen partijen staat niet vast met welke klachten [naam] zich destijds in 2002 tot de huisartsen heeft gericht. [verzoekster] c.s. stelt zich op het standpunt dat [naam] (naast de in het huisartsenjournaal vermelde klachten) aan dr. [verweerder] heeft gemeld dat hij zich al maanden niet goed voelde, dat hij steeds erg moe was, dat hij vaak verkouden was en veel moest hoesten. Dr. [verweerder] heeft dat betwist. Volgens hem heeft [naam] destijds aangegeven dat hij kampte met steken op de borst (ook sternaal, rond het borstbeen) en dat deze klachten hem deden denken aan een longontsteking. Dr. [verweerder] heeft daarbij verwezen naar het huisartsenjournaal.

In verband met het consult op 2 oktober 2002 heeft [verzoekster] c.s. – met verwijzing naar de brief van het Rijnstate Ziekenhuis van 7 november 2002 – zich op het standpunt gesteld dat [naam] destijds (naast de in het huisartsenjournaal vermelde klachten) aan dr. [verweerder] heeft gemeld dat hij al twee maanden last had van vermoeidheidsklachten en de laatste twee dagen hoofdpijnklachten had en koortsig was. Dr. [verweerder] heeft dat betwist en daarentegen gesteld (en daarbij verwezen naar het huisartsenjournaal) dat [naam] slechts heeft geklaagd over ernstige rugklachten. Gelet ook op het karakter van een bezoek aan de huisartsenpost zijn slechts deze urgente klachten besproken, aldus dr. [verweerder].

4.5.

Bij de beoordeling van de vraag of het deskundigenrapport van dr. [naam] tot uitgangspunt moet worden genomen dient het voorgaande in ogenschouw te worden genomen.

Dr. [naam] komt ten aanzien van dr. [verweerder] op pagina 15 van zijn rapport tot de conclusie dat als [naam] de maanden durende vermoeidheid en beroerd voelen expliciet heeft gemeld, op grond waarvan de huisarts terecht een ontstekingsproces heeft willen uitsluiten, dat dan niet gehandeld is met de zorg die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden. Dan had immers de lichaamstemperatuur gemeten moeten worden en bij koorts direct antibiotica voorgeschreven moeten worden. Bovendien had dan het bloedonderzoek met spoed moeten worden afgenomen, bij voorkeur dezelfde dag. Dr. [naam] gaat bij deze conclusie van de veronderstelling uit, gelet op de brief van dr. [verweerder] van 15 februari 2012 waarin hij aangeeft een ontstekingsproces te hebben overwogen, dat [naam] de vermoeidheid en het beroerd voelen aan Dr. [verweerder] heeft gemeld. Op grond waarvan [verweerder] een ontstekingsproces heeft overwogen (brief 15 februari 2012) en vervolgens een bloedonderzoek heeft geadviseerd, is echter onbekend. Vast staat wel dat in het huisartsenjournaal over deze klachten niets is opgenomen en dat dr. [verweerder] heeft betwist dat deze klachten aan hem zijn medegedeeld.

4.6.

Ten aanzien van dr. [verweerder] komt dr. [naam] op pagina 26 van zijn rapportage tot de conclusie dat ten aanzien van de rugklachten correct is gehandeld, maar dat ten aanzien van de malaise klachten niet de zorg is betracht die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden. In het huisartsenjournaal wordt echter niets vermeld over malaiseklachten. Uit het huisartsenjournaal volgt enkel dat gesproken is over rugklachten. Uit de brief van dr. [verweerder] (17 februari 2012) volgt voorts dat [naam] aan hem gemeld heeft dat hij zich niet zo fit voelde en dat dr. [verweerder] daarvoor een bloedonderzoek had ingezet.

4.7.

Het antwoord op de vraag of dr. [verweerder] en dr. [verweerder] de zorg hebben betracht die van een redelijk bekwaam en beroepsgenoot verwacht mag worden is (blijkens het voorgaande) in grote mate afhankelijk van het antwoord op de vraag wat [naam] nu exact met de huisartsen besproken heeft en welke klachten hij aan hen heeft geuit. Nu dat tussen partijen niet vast staat, kan thans, zonder nadere instructie, niet geoordeeld worden dat de conclusies van dr. [naam] tot uitgangspunt moeten worden genomen bij de verdere beoordeling van het geschil. Voor het geven van instructie is in een deelgeschilprocedure, gelet op het karakter daarvan, echter geen plaats. De deelgeschilprocedure is immers bedoeld om tussen partijen vastgelopen onderhandelingen weer vlot te trekken door, kort gezegd, op een – de partijen verdeeld houdend – geschilpunt op snelle wijze in een vlotte procedure te beslissen.

4.8.

Daar komt nog bij dat er van de zijde van dr. [verweerder] en dr. [verweerder] een eigen deskundigenrapportage in het geding is gebracht van dr.[naam]. De conclusie van dr. [naam] ten aanzien van dr. [verweerder] onderschrijft dr.[naam] niet. Het meten van temperatuur om uitsluitsel te geven over het wel of niet geven van antibiotica bij een volwassen patiënt die niet klaagt over koorts is volgens dr.[naam] een dubieus advies. Hij vindt het niet in orde om mede op grond daarvan het consult als onvoldoende te beoordelen. Zelf beoordeelt hij het consult op 27 september 2002 als voldoende. Het consult is verlopen zoals dat in huisartsenland gebruikelijk is, namelijk het in gang zetten van stapsgewijze exploratie van de oorzaak van maandenlange bestaande klachten beschreven als algehele malaise. De eerste stap is in dat geval bloedonderzoek. Er waren geen redenen om spoedonderzoek aan te vragen, aldus dr.[naam].

Ten aanzien van het consult van dr. [verweerder] op 2 oktober 2002 denkt dr.[naam] dat dr. [naam] twee consulten door elkaar heeft gehaald, aangezien in het consult van 2 oktober 2002 nergens gesproken wordt over malaiseklachten. Daarnaast vindt hij het oordeel dat koorts gemeten had moeten worden, die anamnestisch niet aanwezig was en waarover [naam] zelf heeft verklaard dat hij geen koorts had, niet correct.

Dr.[naam] heeft voorts nog opgemerkt dat het maar zeer de vraag is, als de temperatuur daadwerkelijk gemeten zou zijn, of er koorts (> 38.5 graden) aanwezig zou zijn. De temperatuur bij ziekenhuisopname van [naam] was immers 37,9 graden. Daaruit volgt ook dat bij geen koorts, geen antibiotica zou zijn voorgeschreven en het verdere beloop dan ook niet anders zou zijn geweest, aldus (samengevat)[naam].

4.9.

Dr. [naam] heeft (nog) niet gereageerd op de brief van dr.[naam]. Onbekend is dan ook wat zijn reactie is op de brief van dr.[naam] en in hoeverre hij de conclusies van dr.[naam] onderschrijft. Alhoewel dr.[naam] niet door de rechtbank is benoemd en hij de rapportage van dr. [naam] grotendeels onderschrijft, geeft de brief van dr. Van Molen toch aanleiding voor het stellen van nadere vragen. Daarvoor is in het kader van de deelgeschilprocedure echter geen ruimte. Mede op grond daarvan – en gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.7. – is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om te bepalen dat bij de verdere afwikkeling van deze zaak het deskundigenrapport van dr. [naam] door partijen als uitgangspunt zal moeten worden genomen (verzoek II) niet toewijsbaar is. Met dat oordeel zijn ook de verzoeken I en III niet toewijsbaar, nu in deze procedure niet kan worden vastgesteld (gelet op het verzoek II dat zal worden afgewezen) of dr. [verweerder] en dr. [verweerder] tekort zijn geschoten in de geneeskundige behandelingsovereenkomst tijdens de consulten op 27 september 2002 en 2 oktober 2002.

4.10.

Dan de kosten. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

4.11.

[verzoekster] c.s. heeft in dat kader verzocht dr. [verweerder] en dr. [verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding, met het verzoek ter zake van het honorarium van de advocaat deze kosten aan de zijde van [verzoekster] c.s. te begroten op € 6.546,25 (22.9 uur x € 225,00 + BTW en kantoorkosten), te vermeerderen met het verschuldigde griffierecht.

4.12.

Dr. [verweerder] en dr. [verweerder] hebben aangevoerd dat een kostenbegroting achterwege moet blijven, wanneer de inhoudelijke verzoeken zelf worden afgewezen. Dat gaat niet op. Uit artikel 1019aa Rv volgt immers dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek, waarbij het in beginsel niet van belang is dat het verzoek zelf wordt afgewezen. Dr. [verweerder] en dr. [verweerder] hebben voorts bezwaar gemaakt tegen het aantal genoteerde uren van 22.9 uur. Gelet op de omvang en complexiteit acht de rechtbank een totaal aantal uren van 18 redelijk. Vermeerderd met BTW, kantoorkosten en griffierecht (€ 842,00) bedragen de totale kosten dan € 5.987,53.

4.13.

De rechtbank zal dr. [verweerder] en dr. [verweerder] niet veroordelen in de begrote kosten, aangezien de aansprakelijkheid niet vaststaat en derhalve onzeker is of voor veroordeling op de voet van artikel 6:96 BW een grondslag bestaat.

4.14.

Voor zover het verzoek van [verzoekster] c.s. daarnaast strekt tot een veroordeling in de proceskosten, zoals dr. [verweerder] en dr. [verweerder] dat kennelijk hebben begrepen, geldt dat daarvoor geen plaats is. Op grond van artikel 1019aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, dat de grondslag vormt voor een veroordeling in de proceskosten, niet van toepassing. Het als buitengerechtelijke kosten begrote bedrag wegens de gemaakte kosten voor het deelgeschil komt in wezen in de plaats van een (forfaitaire) proceskostenveroordeling.

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

wijst de verzoeken af,

5.2.

begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] c.s. op € 5.987,53.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.

Cc: AB