Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8169

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
266960
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art 476a Rv verklaring derdenbeslag

Art 479a Rv

Vraag of onredelijk laag loon is opgegeven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/266960 / HA ZA 14-373

Vonnis van 31 december 2014

in de zaak van

[eiser][eiser]

wonende te Tiel,

eiser,

advocaat mr. P.W.H. Stassen te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde][gedaagde]

gevestigd te Delwijnen, gemeente Zaltbommel,

gedaagde,

advocaat mr. K.A. Doekhi te Alblasserdam.

Partijen zullen hierna[eiser] en [naam] Agency genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 september 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 december 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de vader van [naam].

2.2.

[eiser] heeft op 7 mei 2014 executoriaal derdenbeslag onder [gedaagde] laten leggen voor een bedrag van € 401.496,92 met rente en kosten.

2.3.

Dit beslag is gelegd uit kracht van de grosse van een akte houdende overeenkomst van geldlening en hypotheek, opgemaakt op 29 juli 2011 en een akte houdende een overeenkomst van 10 juli 2013. Partijen bij laatstgenoemde akte zijn enerzijds [naam] voor zich en als vertegenwoordiger van J.W. Meubelagenturen B.V. (hierna JW Meubelagenturen) en anderzijds[eiser], optredend voor zichzelf en voor[eiser] Meubelagenturen Holding B.V. (hierna: JW Holding).

2.4.

De akte van 10 juli 2013 verwijst naar de akte van 29 juli 2011 en geeft aan dat daaruit het bestaan van een aantal schuldverhoudingen blijkt, namelijk van een vordering in hoofdsom groot € 180.000,00 van [eiser] op [naam], een vordering in hoofdsom groot € 220.000,00 van JW Holding op[naam], een vordering in hoofdsom groot € 200.000,00 van JW Holding op JW Meubelagenturen, en een vordering in hoofdsom groot € 120.000,00 van[eiser] op[naam] en diens echtgenote[naam]. De grondslag van deze vorderingen ligt voornamelijk in rentedragende geldleningen.

2.5.

Op 23 mei 2013 maakt JW Holding haar stille pandrecht, gekoppeld aan een aantal van bovenstaande vorderingen, openbaar. Later wordt het weer stil gemaakt.

2.6.

Op 24 juni 2013 richt[naam] Holding B.V., [naam] Agency, Diaz Design B.V. en Trends & Trading B.V. op. Naast de eerstgenoemde holding hebben al deze b.v.’s onder meer de agentuur in meubels als doel, evenals JW Meubelagenturen. [eiser] is van deze oprichtingen niet op de hoogte.

2.7.

Blijkens de akte van 10 juli 2013 sluiten de partijen daarbij na vaststelling van een aantal feiten die betrekking hebben op de hierboven onder 2.4 bedoelde vorderingen, nadere overeenkomsten. Blijkens de akte komen partijen voorts overeen later opnieuw in overleg te treden over de voorwaarden die op de schuldverhoudingen van toepassing zijn.

2.8.

Per 30 september 2013 worden de activiteiten van JW Meubelagenturen beëindigd.

2.9.

Op 5 december 2013 maakt [eiser] opnieuw het pandrecht openbaar. Hij verneemt dan dat JW Meubelagenturen geen vorderingen meer heeft op schuldenaren op wie ze voorheen wel vorderingen had.

2.10.

Als het onder 2.2 bedoelde beslag is gelegd, legt [gedaagde] een verklaring af van wat zij meent [naam] verschuldigd te zijn. Zij verklaart dat[naam] bij haar in loondienst is tegen een loon van € 1.131,00 bruto per maand, waarvan voor belastingen en sociale lasten € 131,33 wordt ingehouden. De beslagvrije voet is, zo verklaart [naam] Agency tevens, € 1.219,09.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot het doen van een verklaring van al hetgeen zij van [naam] onder zich heeft en/of hem verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [naam] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [naam] schuldig zal worden, rekening houdend met een redelijke beloning voor de door hem verrichte werkzaamheden in plaats van de onevenredig lage die zij heeft opgegeven te betalen (zie onder 2.9), op verbeurte van een dwangsom, alsmede tot overdracht na het doen van die verklaring, een en ander met veroordeling in de kosten.

3.2.

[eiser] stelt dat er in de opgave van [gedaagde] bewust een te laag loon wordt genoemd voor[naam]. Dit stemt overeen met het loon op een loonstrookje uit 2014, maar blijkens zijn aangifte Inkomstenbelasting verdiende [naam] in 2011 € 65.700,00 per jaar, welk bedrag overeenstemt met € 5.475,00 brutoloon per maand, terwijl hem over december 2012 een nettoloon van € 3.500,41 is uitbetaald. Blijkens de jaarrekening 2011 van JW Meubelagenturen verdiende[naam] € 69.467,00. In de eerste zeven maanden van 2013 ontving hij € 6.138,28 bruto per maand aan loon.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil ligt in de vraag die art. 479a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan de orde stelt, namelijk of[naam] tegen een onevenredig lage vergoeding werkzaamheden verricht voor [gedaagde], waarvan de aard en omvang zodanig zijn dat aangenomen moet worden dat een redelijke, dus hogere, vergoeding hiervoor verschuldigd is. Bij de beantwoording van deze vraag worden alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen. In het bijzonder gaat het daarbij in dit geval om de aard van de verrichte werkzaamheden en de financiële draagkracht van [gedaagde].

4.2.

[naam] heeft het bedrijf overgenomen van[eiser] in 1992. Bij antwoord wordt gesuggereerd dat hij hiervoor te veel heeft moeten betalen; daarop gaat de rechtbank hieronder nog in. Tien jaar later volgde een aanbod van[eiser] om ‘de onderneming te financieren’; dat is het begin geweest van de onder 2.4 en 2.7 bedoelde leningen en herzieningen daarvan. Uiteindelijk liep de schuldenlast van [naam] en JW Meubelagenturen op. Er volgde in 2013 een grootscheepse reorganisatie, stelt [gedaagde]. [naam] werkt nu voor haar als handelsagent. [gedaagde] verhuurt hem aan derden en krijgt daarvoor betaald. Zijn loon bedraagt € 1.131,00 bruto per maand, terwijl zijn vrouw € 2.950,00 verdient. Ook is [naam] een auto ter beschikking gesteld om klanten te bezoeken.

4.3.

Wezenlijk in het verweer is de herstructurering van de activiteiten van [naam] en zijn vrouw in 2013, een herstructurering die bij[eiser], die er niet van op de hoogte was, bijzonder veel kwaad bloed gezet heeft, wat gelet op dit gebrek aan communicatie tussen vader en zoon, niet verwonderlijk is. De wrok die kennelijk vanaf 1992 bij [naam] bestond over de betaalde overnamesom, geeft bovendien voedsel aan de vrees van[eiser] dat de bedoeling was hem zijn geld te onthouden. Dit is een materie die zich vrijwel volledig aan het zicht van de rechtbank onttrekt, maar die door[eiser] en [naam] grondig uitgepraat zal moeten worden, willen ze ooit uit hun geschil komen.

4.4.

Wat de rechtbank wel kan beoordelen, is dat de hier bedoelde herstructurering van de activiteiten van[naam] en zijn vrouw geheel los staat van de stellingen van [eiser], terwijl zij op zichzelf niet betwist wordt. Dat het verwonderlijk is dat [naam] tegen een laag loon voor [gedaagde] zou werken terwijl zijn vrouw daar een hoger salaris geniet, leidt, gelet op de door [naam] aangevoerde en niet gemotiveerd weersproken redenen van de herstructurering, niet tot het vermoeden – laat staan tot de vaststelling – dat het niet juist is dat hij in 2014 veel minder is gaan verdienen.

4.5.

Ook als, zoals [gedaagde] suggereert, activiteiten verlegd zijn van JW Meubelagenturen naar de nieuwe b.v.’s die door [naam] zijn opgericht, betekent dit op zichzelf nog niet dat [gedaagde] [naam] een onredelijk laag loon betaalt.

4.6.

De enige stelling van [eiser] die nader onderzoek verdient, is dat de agenturen van Bella Comfort en VDV Meubelen die JW Meubelagenturen had, verdwenen lijken te zijn, maar mogelijk hun plaats hebben gevonden in de vennootschap onder firma Home & Trading die inmiddels bestaat tussen [gedaagde] en [naam], een man die [naam] als zijn nieuwe compagnon aanduidt. Deze v.o.f. staat volgens een overgelegd uittreksel van het handelsregister ingeschreven op hetzelfde adres als [gedaagde]

4.7.

De verklaring van [naam] dat inmiddels [naam] handelsagent is voor Bella Comfort en VDV Meubelen, is voor de rechtbank niet afdoende. Zonder nadere toelichting immers is niet begrijpelijk waarom de agenturen, ook als Bella Comfort en VDV Meubelen niet meer met [naam] zouden willen samenwerken, overgegaan zouden zijn, niet op [gedaagde], maar wel op de andere vennoot van een v.o.f. waarvan [gedaagde] vennoot is, zonder dat dit [gedaagde] enig voordeel, direct of via deze v.o.f. oplevert.

4.8.

De hier bedoelde stelling van[eiser] verdient nu onderzoek omdat zij ook in de vaststaande nieuwe constellatie waarin de activiteiten van Henk [naam] plaatsvinden, een mogelijk inkomen voor [gedaagde]genereren waarvoor de activiteiten van[naam] van belang zijn. Dit kan meebrengen dat het opgegeven loon van [naam] onredelijk laag is.

4.9.

Dit betekent dat [gedaagde] dient aan te geven

  1. over welke agenturen de v.o.f. Home & Trading beschikt,

  2. wat er precies is gebeurd met de agenturen Bella Comfort en VDV Meubelen,

  3. bij welke agenturen[gedaagde] direct of indirect, bijvoorbeeld via de v.o.f. Home & Trading, belang heeft,

  4. hoe binnen de activiteiten die zich rond deze v.o.f. afspelen, de taken van [naam],[naam] en [naam] verdeeld zijn,

  5. wat voor rol de activiteiten van [naam] bij het onderhouden/verkrijgen van de hier genoemde en of andere agenturen spelen,

  6. hoeveel uren hij per jaar aan de activiteiten voor [gedaagde] besteedt en

  7. hoeveel kilometers hij rijdt in de hem daartoe ter beschikking gestelde bedrijfsauto.

4.10.

[gedaagde] kan de hier bedoelde inlichtingen bij akte verschaffen en zij dient zich daarbij te realiseren dat haar stelplicht in een procedure als de onderhavige meebrengt dat zij op dit onderdeel volledige openheid van zaken geeft, terwijl de rechtbank uit het achterwege laten daarvan de conclusies mag trekken die zij geraden acht.

4.11.

[eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld op het naar voren gebrachte te reageren. Hij dient zich daarbij te realiseren dat de criteria voor de beoordeling van zijn vordering liggen in de huidige situatie waarin [naam] voor [gedaagde] werkt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 januari 2015 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder 4.9, waarna[eiser] op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2014.