Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8167

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
275405
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding.

Verbod op publiceren persoonlijke gegevens op internet en contactverbod.

Art 285b Sr, inbreuk op persoonlijke levenssfeer.

Artt 7 Gw en 10 EVRM, vrijheid van meningsuiting.

Art 8 Wet bescherming persoonsgegevens.

Belangenafweging

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Grondwet
Grondwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/275405 / KG ZA 14-671

Vonnis in kort geding van 24 december 2014

in de zaak van

de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. D.M. [naam] te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te Arnhem,

2. [gedaagde]

wonende te Arnhem,

3. de stichting STICHTING KREDIET VERDRIET,

gevestigd te Andelst,

gedaagden,

[gedaagde] en [gedaagde] verschenen in persoon en Stichting Krediet Verdriet vertegenwoordigd door [gedaagde], bestuurder.

Partijen zullen hierna SNS Bank en [gedaagde] c.s. genoemd worden. Wanneer gedaagden afzonderlijk worden aangeduid worden zij [gedaagde], [gedaagde] respectievelijk Stichting Krediet Verdriet genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van SNS Bank

  • -

    de pleitnota van [gedaagde]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde], voor zichzelf en voor Stichting Krediet Verdriet.

1.2.

Ten slotte is in verband met de spoedeisendheid van de zaak op 24 december 2014 vonnis gewezen. De feiten en de motivering waarop de beslissing in het vonnis steunt, worden hieronder vastgelegd.

2. De feiten

2.1.

SNS Bank heeft aan Fruithandel W.W. [gedaagde] V.O.F. (hierna: de V.O.F.) op 9 maart 2005 een geldlening van in hoofdsom, naar de voorzieningenrechter begrijpt

€ 769.000,00, verstrekt voor de financiering van de aankoop van drie panden aan de [adres] te Arnhem. Tot zekerheid van die geldlening heeft de V.O.F. een recht van hypotheek op die panden verleend aan SNS Bank.

2.2.

Nadat de V.O.F. in 2007 haar verplichtingen niet nakwam, heeft SNS Bank de geldlening opgezegd en opgeëist. Eén van de panden van de V.O.F., [adres]te Arnhem, is verkocht. [gedaagde] heeft SNS Bank verzocht om een deel van de verkoopopbrengst te mogen aanwenden voor betaling van andere schuldeisers. SNS Bank heeft daarmee ingestemd onder de voorwaarde dat [gedaagde] de cijfers van 2006 en de tussentijdse resultaten van 2007 aan SNS Bank zou verstrekken. Omdat [gedaagde] in gebreke bleef met het verstrekken van de cijfers heeft de bank de kredietlimiet verlaagd. De verkoopopbrengst van het pand is op 17 juni 2008 aangewend voor betaling van de achterstand bij SNS Bank, de verlaging van de kredietlimiet en de betaling van enkele crediteuren die beslag hadden gelegd op het pand.

2.3.

In februari 2013 zijn de V.O.F. en [gedaagde] in privé failliet verklaard op verzoek van [gedaagde] zelf. Als curator is benoemd mr. A. [naam] (hierna: de curator). [gedaagde] heeft zich op dat moment bij de curator en SNS Bank gemeld als belangenbehartiger van [gedaagde], waarbij [gedaagde] handelde in eigen naam en tevens als bestuurder van Stichting Krediet Verdriet.

2.4.

De curator is een veilingprocedure gestart om de panden aan de [adres] te Arnhem te verkopen. [gedaagde] was het niet eens met de poging die SNS Bank heeft ondernomen om de panden te verkopen. De buurvrouw van [gedaagde], mevrouw Van Ginkel, heeft een onderhandse bieding van € 760.000,00 gedaan. Nog voordat het bod in behandeling kon worden genomen heeft zij zich teruggetrokken. Vervolgens deed de vennootschap TBT The Netherlands B.V. (hierna: TBT) een bod van € 761.000,00. Met deze partij is een koopovereenkomst gesloten, maar TBT heeft het pand desondanks niet afgenomen. De panden zijn nog steeds niet verkocht.

2.5.

In januari 2014 zijn de panden aan de [adres] te Arnhem ontruimd, nadat daartoe een procedure was gevoerd.

2.6.

Op 2 juni 2014 hebben [gedaagde] en Stichting Krediet Verdriet de website www.bankenboeven.nl (hierna: de website) gelanceerd. Op de website wordt over de naam daarvan gemeld:

De Stichting is zich zeer wel bewust van de impact van de gekozen naam, toch lijkt de naam treffend te zijn voor de dossiers die de Stichting voorgelegd heeft gekregen.

2.7.

De website heeft aandacht gekregen in de media. In een artikel in NRC heeft [gedaagde] over de website onder meer het volgende gezegd:

Het wordt een Facebook voor foute bankiers.

De website www.nieuws.nl heeft de website van [gedaagde] een “digitale schandpaal” genoemd. Het artikel waarin dit is gebeurd is gepubliceerd op de website.

De situatie van [gedaagde] is bij de lancering van de website van [gedaagde] als voorbeeld gebruikt. De website vermeldde geen publicaties van concrete kwesties.

2.8.

Tussen SNS Bank en [gedaagde] hebben, al dan niet met tussenkomst van de advocaat van [gedaagde] en [gedaagde], gesprekken plaatsgevonden op 5 juni 2014, 27 juni 2014 en 21 oktober 2014. Ook hebben partijen gebeld en is er gemaild.

2.9.

Op 1 juli 2014 heeft de zoon van [gedaagde] aan de curator een bod van

€ 550.000,00 gedaan op de twee panden. Zowel de rechter-commissaris als SNS Bank zijn akkoord gegaan met dit bod. Medio september 2014 is echter gebleken dat de zoon van [gedaagde] geen financiering heeft gekregen voor het geboden bedrag. Op 21 oktober 2014 heeft de zoon van [gedaagde] SNS Bank verzocht om alsnog akkoord te gaan met een lagere verkoopprijs. SNS Bank heeft aan dat verzoek niet voldaan.

2.10.

Op 20 november 2014 is op de hiervoor genoemde website het verhaal van [gedaagde] gepubliceerd. Daarbij zijn één oud-werknemer en één werknemer van SNS bij naam genoemd, te weten [naam] en [naam]. [naam] is aangeduid als “bankboef” en gemeld wordt dat SNS bank tot wel 17% rente en kosten heeft gerekend over de te laat binnenkomende betalingen van [gedaagde]. Aan het eind van het artikel worden [naam] en [naam] aangeduid als “beulen”.

2.11.

De advocaat van SNS Bank heeft [gedaagde] gebeld over deze publicatie en hem verzocht om de namen van de oud-werknemer en de werknemer van SNS Bank van de website te verwijderen. [gedaagde] heeft gemeld dat hij aan het verzoek zou voldoen indien SNS Bank [gedaagde] tegemoet wilde komen. SNS Bank heeft dit geweigerd.

2.12.

Op 28 november 2014 is op voornoemde website een nieuwe publicatie geplaatst, waarin wederom de namen van [naam] en [naam] zijn opgenomen en daarnaast zijn de namen van mr. [naam], van [naam] (bestuursvoorzitter van SNS Reaal) en van de curator van [gedaagde], mr. [naam]genoemd. Ook is een e-mail van [naam], werkzaam bij het secretariaat Raad van Bestuur bij SNS Reaal, aan [gedaagde] integraal gepubliceerd inclusief de zakelijke adresgegevens van [naam] Op de website is verder een link naar het persoonlijke profiel van [naam], [naam] en [naam] op de website LinkedIn geplaatst en informatie die door Dirkzwager advocaten over [naam] op de website van Dirkzwager is geplaatst.

2.13.

Op 30 november 2014 is gebleken dat een kennis van de heer [naam], te weten de voorzitter van de Kerkenraad waar [naam] vrijwilliger is, meerdere malen door [gedaagde] is gebeld. [gedaagde] heeft zijn geschil met SNS Bank voorgelegd aan die kennis en hem geattendeerd op de website. De kennis van [naam] heeft gemeld dat hij een dergelijk gesprek niet met [gedaagde] wenst te voeren, waarna [gedaagde] heeft gemeld dat de naam van de betreffende kennis dan ook op de website zou verschijnen.

2.14.

Op 9 december 2014 heeft SNS Bank [gedaagde] c.s. gesommeerd om de persoonsgegevens van [naam] en [naam] van de website te verwijderen en niet langer mensen in de privésfeer van betrokkenen te benaderen. [gedaagde] heeft telefonisch gemeld dat hij aan de sommatie geen gehoor zal geven en [gedaagde] heeft een korte e-mail verzonden waaruit slechts blijkt dat [gedaagde] de sommatie heeft ontvangen.

2.15.

Op de website is vervolgens een derde publicatie geplaatst. Daarin is een integrale publicatie van de sommatie van mr. [naam] opgenomen en opnieuw zijn de namen van [naam], [naam], mr. [naam] en mr. [naam] genoemd.

3 Het geschil

3.1.

SNS Bank vordert – samengevat – dat [gedaagde] c.s. wordt veroordeeld om uiterlijk twaalf uur na betekening van het vonnis, althans binnen een redelijke termijn door de rechtbank vast te stellen, alle persoonsgegevens van werknemers en/of oud-werknemers van SNS Bank als bedoeld in artikel 1 sub a van de Wet Bescherming Persoonsgegevens waaronder tenminste namen, links naar persoonlijke of zakelijke profielen op andere websites en telefoonnummers en e-mailadressen te verwijderen en verwijderd te houden van de website of elke andere openbare bron, digitaal of anderszins, een en ander op kosten van gedaagden hoofdelijk, op straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per dagdeel van acht uur dat de betreffende gedaagde in strijd handelt met dit gebod. Ook vordert SNS Bank dat [gedaagde] c.s. wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.

3.2.

SNS vordert voorts dat aan [gedaagde] een verbod wordt opgelegd om telefonisch, digitaal of in persoon werknemers, oud-werknemers of mensen in de omgeving van werknemers of oud-werknemers te benaderen met de bedoeling aandacht te vragen voor zijn geschil en/of bemoeienissen met SNS Bank en/of zijn zakelijke verwikkelingen, met uitzondering van het benaderen van werknemers van SNS Bank door tussenkomst van een advocaat die op het moment van het contact is ingeschreven op het tableau, op straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per overtreding van dit verbod.

3.3.

SNS Bank legt aan haar vordering jegens [gedaagde] c.s. ten grondslag dat [gedaagde] c.s. op de website persoonsgegevens verwerkt als bedoeld in de Wet Bescherming Persoonsgegevens (hierna: de Wbp). Deze verwerking is volgens SNS Bank alleen toegestaan op één van de in de Wbp limitatief opgesomde gronden. Nu [naam] en [naam] geen toestemming hebben gegeven voor publicatie van hun gegevens en [gedaagde] c.s. ook overigens geen gerechtvaardigd belang heeft bij publicatie van die gegevens terwijl het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [naam] en [naam] prevaleert boven de noodzaak van [gedaagde] c.s. om die gegevens te publiceren, is publicatie volgens SNS Bank niet toegestaan.

3.4.

SNS Bank legt aan haar vordering jegens [gedaagde] ten grondslag dat [gedaagde] een directe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van (oud-)werknemers van SNS Bank heeft gemaakt in de zin van artikel 285b Wetboek van Strafrecht (Sr), hetgeen het opleggen van een contactverbod rechtvaardigt.

3.5.

[gedaagde] c.s. voert verweer. [gedaagde] c.s. heeft aangevoerd dat niet in strijd met de wet is gehandeld. In het kader van een belangenafweging dienen, zo stelt [gedaagde] c.s., het recht op vrijheid van meningsuiting als neergelegd in artikel 7 van de Grondwet (Gw) en artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het algemeen en maatschappelijk belang om misstanden in de financiële dienstverlening naar buiten te brengen, te prevaleren boven het belang van (oud)medewerkers bij de bescherming van hun levenssfeer. Verzocht is om artikel 8 Wbp te toetsen aan artikel 10 EVRM. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de stellingen van SNS Bank volgt het spoedeisend belang, zodat de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van haar vordering.

4.2.

[gedaagde] c.s. heeft betoogd dat de dagvaarding nietig is.

[gedaagde] stelt dat niet blijkt dat de dagvaarding tijdig is uitgebracht omdat een tijdsaanduiding op de stukken ontbreekt en de aangekondigde plaatsing van de oproep in het Parool niet is terug te vinden.

[gedaagde] stelt dat niet volstaan kan worden met het afgeven van de dagvaarding aan een persoon die toevallig verblijft op het adres waar de Stichting Krediet Verdriet haar zetel heeft.

4.3.

De voorzieningenrechter constateert dat zowel [gedaagde] als [gedaagde] (voor zichzelf en namens de stichting Krediet Verdriet) bij de mondelinge behandeling van het kort geding is verschenen en uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om tegen de vordering van SNS Bank in te brengen wat hij wenselijk heeft geacht, zodat hij niet in zijn belangen is geschaad. De nietigheid van de dagvaarding is daarmee, wat daarvan verder ook zij, gedekt als bedoeld in artikel 122 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het verweer wordt gepasseerd.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in dit kort geding slechts centraal staat de vraag of publicatie van de namen van een werknemer en een oud-werknemer van SNS Bank door [gedaagde] c.s. op de website in strijd is met artikel 8 Wbp. Daarbij doet hetgeen door [gedaagde] c.s. is aangevoerd over zaken van andere individuen en al dan niet ten aanzien van andere banken niet ter zake. De voorzieningenrechter zal hierna dan ook niet ingaan op hetgeen partijen in dat kader naar voren hebben gebracht.

4.5.

Voor zover door [gedaagde] en/of [gedaagde] en/of Stichting Krediet Verdriet is betoogd dat aan [gedaagde] schade is toegebracht door het handelen van SNS Bank, geldt dat dit standpunt thans niet kan worden beoordeeld omdat [gedaagde] failliet is verklaard en slechts de curator bevoegd is om een dergelijke vordering in te stellen.

4.6.

Het geschil van partijen ziet op de vermelding van persoonsgegevens van een werknemer en een oud-werknemer van SNS Bank op de website. Tussen partijen is niet in geschil dat de (oud)werknemers van SNS Bank door die gegevens worden geïdentificeerd of identificeerbaar zijn als bedoeld in artikel 1 sub a Wbp. Op grond van artikel 8 van de Wbp mogen persoonsgegevens van een betrokkene slechts op internet gepubliceerd worden indien de betrokkene daarvoor ondubbelzinnig zijn toestemming heeft verleend of indien

– kort gezegd – een aantoonbare noodzaak bestaat voor publicatie van de betreffende gegevens. Wanneer in dit laatste geval echter de fundamentele rechten en vrijheden, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, van de betrokkene prevaleren is publicatie niet toegestaan. Met de publicatie wordt immers inbreuk gemaakt op het recht op een persoonlijke levenssfeer en dat is in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven verkeer in het maatschappelijk verkeer betaamt en daarmee onrechtmatig.

4.7.

Vast staat dat [naam] en [naam], en ook de andere bij naam genoemde medewerkers van SNS Bank, geen toestemming aan [gedaagde] c.s. hebben verleend om hun persoonsgegevens op internet te publiceren.

4.8.

Beoordeeld dient – kort gezegd – daarom te worden of het belang van [gedaagde] c.s. bij publicatie van de namen van (oud)medewerkers van SNS Bank zwaarder weegt dan het belang van die (oud)werknemers om hun persoonlijke levenssfeer te beschermen.

4.9.

Voor zover [gedaagde] c.s. in dat kader een beroep heeft gedaan op artikel 7 van de Grondwet, geldt dat de voorzieningenrechter de Wbp daaraan niet rechtstreeks mag toetsen.

Ten aanzien van het verzoek om artikel 8 Wbp te toetsen aan artikel 10 EVRM, geldt dat lid 1 van artikel 10 EVRM voor een ieder het recht op vrijheid van meningsuiting waarborgt. Lid 2 bepaalt echter dat de uitoefening van dat recht plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, reden waarom het recht op vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt, mits dat bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving om redenen van – kort gezegd – veiligheid of ter waarborging van belangen van anderen.

Door middel van de Wbp is de Richtlijn 95/46/EG over gegevensbescherming (Richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 november 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens) in Nederland geïmplementeerd. De Wbp stelt beperkingen aan het recht op vrije meningsuiting. Door [gedaagde] c.s. is niet gesteld dat die beperkingen niet noodzakelijk zouden zijn in een democratische samenleving om redenen van veiligheid of ter waarborging van belangen van anderen. Ook anderszins is daarvan niet gebleken, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat vooralsnog niet is gebleken dat de Wbp in strijd is met artikel 10 EVRM.

4.10.

Door [gedaagde] is voorts gesteld dat hij op de website – samengevat – misstanden in de financiële dienstverlening aan de orde wil stellen en de belangen wil behartigen van individuen die in zijn opzicht daardoor zijn benadeeld. Om de zaak zo volledig en transparant mogelijk weer te geven zijn op de website de namen van de (destijds) bij de zaak betrokken medewerkers van SNS Bank genoemd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die enkele stelling van [gedaagde] niet voldoende is om aan te nemen dat voor het volledig en transparant weergeven van een zaak nodig is dat persoonsgegevens worden genoemd van (oud)medewerkers van, in dit geval, SNS Bank.

4.11.

[gedaagde] c.s. stelt verder dat publicatie van de persoonsgegevens van [naam] en [naam] is gerechtvaardigd omdat zij bij de verkoop van het pand aan de [adres]te Arnhem in 2008 hadden dienen te bewerkstelligen dat een deel van de verkoopopbrengst ten goede van andere schuldeisers van [gedaagde] zou komen, hetgeen zij hebben nagelaten. Door [gedaagde] c.s. is echter niet gesubstantieerd dat [naam] en [naam] bij de verkoop van één van de panden van [gedaagde] in 2008, of nadien, uit persoonlijk gewin en anders dan ter uitvoering van het beleid en de regels van SNS Bank

– welk beleid en welke regels in dit kort geding niet ter beoordeling voorliggen – hebben gehandeld, ook niet waar het betreft het door de afdeling bijzonder beheer gehanteerde rentepercentage van 17%, en dat daardoor publicatie van hun persoonsgegevens gerechtvaardigd zou zijn. In dit verband is tijdens de mondelinge behandeling bovendien komen vast te staan dat [naam] pas in 2011 bij het dossier van [gedaagde] betrokken is geraakt.

4.12.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] c.s. niet aannemelijk heeft gemaakt dat een gerechtvaardigd belang bestaat bij de vermelding van persoonsgegevens van [naam] en [naam] op de website. Het belang van [naam] en [naam] om hun persoonlijke levenssfeer te beschermen dient dan ook te prevaleren. Daarmee is publicatie van de persoonsgegevens van [naam] en [naam] onrechtmatig.

4.13.

[gedaagde] en [gedaagde] hebben geen antwoord gegeven, of willen geven, op de vraag wie verantwoordelijk is geweest voor de op de website geplaatste teksten. Duidelijk is wel dat [gedaagde] de beheerder is van de website die behoort bij de Stichting Krediet Verdriet, waarvan hij bestuurder is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij niet meer weet wie verantwoordelijk is geweest voor de tekst en dat meerdere personen teksten voor hem schrijven dan wel aanleveren. [gedaagde] heeft gezegd dat hij de tekst misschien wel heeft aangeleverd. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de inhoud van de tekst gerechtvaardigd is, dat hij de uitdrukking “bankenbeulen” nog netjes vindt en geen aanleiding ziet om zijn woorden terug te nemen. Ook is gebleken dat [gedaagde] wil voorkomen dat SNS Bank zijn panden, met name het pand waar hij heeft gewoond, verkoopt en dat het geschil tussen hem en SNS Bank nog niet ten einde is.

4.14.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de vordering van SNS Bank jegens [gedaagde] c.s. toewijsbaar is, nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Henriks en [gedaagde] gezamenlijk verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de inhoud van de teksten op de website. [gedaagde], [gedaagde] en Stichting Krediet Verdriet worden dan ook veroordeeld om de persoonsgegevens van (oud)medewerkers van SNS Bank van de website te verwijderen en verwijderd te houden, waarbij [gedaagde], [gedaagde] en Stichting Krediet Verdriet hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van

€ 20.000,00 per dag dat in strijd met deze veroordeling wordt gehandeld, met een maximum van € 200.000,00, een en ander zoals in de beslissing vermeld.

4.15.

Ten aanzien van het door SNS Bank jegens van [gedaagde] gevorderde contactverbod geldt dat [gedaagde] niet heeft betwist dat hij contact heeft gezocht met de voorzitter van de Kerkenraad, waar [naam] vrijwilliger is. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling niet willen toezeggen dat hij zich in de toekomst zal onthouden van dergelijke handelingen. Eerder blijkt uit zijn houding en bewoordingen dat hij zijn gedrag zal willen continueren. De vordering van SNS Bank is dan ook gerechtvaardigd en zal worden toegewezen, waarbij [gedaagde] een dwangsom van € 20.000,00 zal verbeuren per overtreding van dat verbod, met een maximum van € 200.000,00, een en ander zoals in de beslissing vermeld.

4.16.

[gedaagde] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SNS Bank worden begroot op:

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

4.17.

De gevorderde veroordeling in de nakosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde], [gedaagde] en Stichting Krediet Verdriet om binnen twaalf uur na betekening van het vonnis alle persoonsgegevens van werknemers en/of oud-werknemers van SNS Bank als bedoeld in artikel 1 sub a van de Wet Bescherming Persoonsgegevens waaronder tenminste namen, links naar persoonlijke of zakelijke profielen op andere websites en telefoonnummers en e-mailadressen te verwijderen en verwijderd te houden van de website Bankenboeven.nl of elke andere openbare bron, digitaal of anderszins,

5.2.

veroordeelt [gedaagde], [gedaagde] en Stichting Krediet Verdriet gezamenlijk, doch hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen tot het bedrag van die betaling zijn bevrijd, om aan SNS Bank een dwangsom te betalen van

€ 20.000,00 voor iedere dag, waaronder begrepen een gedeelte van een dag, dat niet aan de onder 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om zich te onthouden van het benaderen zowel telefonisch, digitaal of in persoon van werknemers, oud-werknemers of mensen in de omgeving van werknemers of oud-werknemers met de bedoeling aandacht te vragen voor zijn geschil en/of bemoeienissen met SNS Bank en/of zijn zakelijke verwikkelingen met uitzondering van het benaderen van werknemers van SNS Bank door tussenkomst van een advocaat die op het moment van contact is ingeschreven op het tableau,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan SNS Bank een dwangsom te betalen van

€ 20.000,00 per overtreding van de onder 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt,

5.5.

veroordeelt [gedaagde], Hendricks en Stichting Krediet Verdriet in de proceskosten, aan de zijde van SNS Bank tot op heden begroot op € 608,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagde], [gedaagde] en Stichting Krediet Verdriet in de nakosten, met een maximum van € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014. De feiten en de motivering zijn afzonderlijk vastgelegd op 14 januari 2015.