Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8166

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
273374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Speciebeding. Geen aanleiding deskundige te benoemen in kort geding.

Spoedeisendheid ontbreekt en ook de rechtsgrond. Er is geen bodemprocedure aanhangig. Verzoekschriftprocedure ex art 202 Rv is de aangewezen weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/273374 / KG ZA 14-581

Vonnis in kort geding van 22 december 2014

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te Wiltshire (Verenigd Koninkrijk),

2. [eiser][eiser]

wonende te Brasschaat (België),

3. [eiser],

wonende te Wassenaar,

4. [eiser],

wonende te Kortrijk (België),

5. [eiser][eiser]

wonende te Amersfoort,

6.[eiser][eiser],

wonende te Bussum,

7. [eiser][eiser]

wonende te Amsterdam,

8. [eiser][eiser]

wonende te Amsterdam,

allen in hun hoedanigheid van deelgenoot in de onverdeelde nalatenschap van wijlen de heer [naam],

eisers,

advocaat mr. J.P. Hoegee te Nijmegen,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN, DIENST LANDELIJK GEBIED,

gevestigd te Arnhem,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN,

statutair gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. F. Sepmeijer te Den Haag.

Partijen zullen hierna de erven en de DLG en het BBL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

de mondelinge behandeling (de zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/273376 / KG ZA 14-582 van[eiser] en [naam]. tegen de DLG en het BBL)

  • -

    de pleitnota van de erven

  • -

    de pleitnota van de DLG en het BBL.

1.2.

Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is op 22 december 2014 vonnis gewezen. Hierna zullen de overwegingen van dat vonnis worden gegeven.

2 De feiten

2.1.

Wijlen de heer[naam]heeft krachtens akte gedateerd 29 maart 2001 percelen grond gelegen in de Millingerwaard verkocht en geleverd aan het BBL. In deze akte is onder meer het volgende opgenomen:

BIJZONDERE BEPALINGEN/KETTINGBEDING

Als onderdeel van de overeenkomst werd nog overeengekomen:

(…)

2. Verrekening aangaande eventueel te delven specie

Indien binnen een periode van twintig jaar na heden door Koper en/of haar rechtsopvolger(s) specie op de registergoederen zal worden gewonnen, anders dan is vastgelegd in de tussen Verkoper en “Delgromij” aangegane overeenkomsten, zoals die zijn vastgehecht aan de aan deze akte gehechte koopovereenkomst, is Koper verplicht om vijftig procent (50%) van de netto-opbrengst van de speciewinning aan Verkoper te voldoen. Bij niet-nakoming van deze bepaling verbeurt de Koper een direct opeisbare boete van vijfhonderd duizend gulden (f. 500.000,00), ten behoeve van Verkoper, met dien verstande, dat nimmer enige uitdrukkelijke ingebrekestelling zal zijn vereist.

3. Kettingbeding

Bij elke gehele of gedeeltelijke overdracht van de registergoederen moeten de hiervoor onder 1 en 2 genoemde bepalingen, alsmede de onderhavige opnameverplichting zelf, worden opgenomen in de akte van overdracht op straffe van verbeurte van een boete van een miljoen gulden (f. 1.000.000,00) door de overdragende partij die dit verzuimt en ingeval meer personen als overdragende partij optreden, door hen als hoofdelijke debiteuren verschuldigd ten behoeve van de Verkoper, met dien verstande, dat nimmer enige uitdrukkelijke ingebrekestelling is vereist.

2.2.

Na verkoop van de percelen grond heeft een ruilverkaveling plaatsgevonden. De percelen waar het om gaat zijn thans kadastraal bekend als gemeente Leuth, sectie D, nummer 211, 212 en 213 (tezamen groot circa 21.45.70 hectare).

2.3.

De heer[naam] is op 25 januari 2002 overleden. Na zijn overlijden zijn de rechten uit hoofde van de akte van 29 maart 2001 overgegaan op zijn erfgenamen, eisers (hierna: de erven).

2.4.

Het BBL heeft (onder meer) de betreffende percelen eind 2006 verkocht en geleverd aan Staatsbosbeheer, die in 2007 de percelen weer heeft teruggeleverd aan het BBL.

2.5.

De percelen grond liggen in een natuurgebied, dat onderdeel uitmaakt van de Planologische kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier (onderdeel Millingerwaard). Op basis van dit plan wordt in de Millingerwaard een geulensysteem gegraven, waardoor de rivier de Waal meer ruimte krijgt bij hoog water. In het gepresenteerde plan De Rivierverruiming en natuurontwikkeling Millingerwaard is – naast de winning van zand uit het geulensysteem – rekening gehouden met de winning van zand en grind middels een ‘omputlocatie’. Dit houdt in dat in het uiterst zuidoostelijke deel van de uiterwaarden een zand- en grindwinningsplas wordt gegraven. Het zand en grind afkomstig van deze locatie wordt verkocht aan commerciële partijen. De ontstane waterput wordt daarna weer aangevuld met de uit het rivierverruimingsplan vrijkomende specie. De drie “vingers” van geulen waar specie gewonnen zou worden alsmede de omputlocatie zijn gelegen op onder meer de betreffende percelen.

2.6.

Krachtens een op 12 september 2013 door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland verleende ontgrondingsvergunning heeft de aannemerscombinatie K3Delta/Boskalis/Van de Wetering op het meest noordelijke gedeelte van de percelen Leuth, sectie D nummers 212 en 213 een verbindingsgeul gegraven. De erven stellen dat op korte termijn een aanvang zal worden gemaakt met de zandwinning (waarbij ook specie zal worden gewonnen) op de door de erven aan BBL verkochte gronden waarop het speciebeding van toepassing is. De ontgronding vindt plaats in opdracht van de DLG, die daarmee verantwoordelijk is voor de uitvoering van de inrichtingsmaatregelen. De DLG heeft in deze zaak steeds namens het BBL (die eigenaar van de percelen grond is) opgetreden.

2.7.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitvoering van de akte van 29 maart 2001. De erven menen uit hoofde van het speciebeding aanspraak te hebben op een vergoeding, terwijl het BBL zich op het standpunt stelt dat zij niets verschuldigd is. In 2013 en 2014 hebben diverse gesprekken tussen partijen plaatsgevonden en is er veelvuldig gecorrespondeerd, waarvan een deel hierna is vermeld. Deze gesprekken en de correspondentie zijn voornamelijk gevoerd door de adviseurs van de erven, te weten de heer ing. [naam] en de heer mr. [naam].

2.8.

Op 1 april 2014 heeft in opdracht van de erven een grondonderzoek op de percelen plaatsgevonden door Fugro Geoservices B.V., waarna op 24 april 2014 een rapport is opgesteld. Volgens de erven blijkt uit dit rapport dat zich in de bodem grof zand bevindt, dat geschikt is voor ophoging/drainzand en ‘zand in zandbed’ en kan dit als specie worden gekwalificeerd.

2.9.

[naam]heeft in een rapport van bevindingen van 20 juni 2014 een berekening gemaakt van het aantal kubieke meters te winnen specie op de betreffende percelen, te weten 290.000 m3. Het zand/de specie zou een waarde van € 3,50 per m3 hebben, zodat de erven recht zouden hebben op € 1,75 (50% hiervan) x 290.000 m3 = € 507.500,00.

2.10.

Bij brief van 1 juli 2014 aan de DLG en het BBL heeft [naam]alle gebeurtenissen nog eens uitvoerig uiteengezet en medegedeeld dat de DLG en het BBL de erven een bedrag van € 541.148,43 verschuldigd zijn (€ 507.500,00 op grond van het speciebeding en € 33.648,43 wegens gemaakte kosten). Tevens heeft [naam]verzocht om op een minnelijke wijze tot overeenstemming te komen.

2.11.

De erven hebben medio 2014 de DLG en het BBL verzocht om toezending van de overeenkomst met betrekking tot de ontgronding zoals die met de aannemerscombinatie is gesloten, nu zij een pagina van die overeenkomst in hun bezit hadden gekregen waaruit volgens hen kan worden afgeleid dat de aannemerscombinatie aan de DLG en het BBL

€ 1,00 per gewonnen kuub specie moet vergoeden. De DLG/het BBL heeft niet aan dit verzoek voldaan.

2.12.

De advocaat van de erven heeft op 25 augustus 2014 een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur ingediend bij de DLG en verzocht om de basisovereenkomst met betrekking tot de ontgronding van de Millingerwaard zoals die op 15 april 2011 is gesloten met de aannemerscombinatie, alsook om berekeningen van de voorgenomen ontgravingen van de geulen op de betreffende percelen die eigendom waren van wijlen de heer [naam]. Soortgelijke berekeningen zijn volgens de erven ook gemaakt van ontgravingen op andere percelen die onderdeel uitmaken van hetzelfde project.

2.13.

Nadat op 10 september 2014 een bespreking tussen partijen had plaatsgevonden en door [naam]een gespreksverslag hiervan was opgemaakt, heeft de DLG bij brief van 16 september 2014 de erven bericht dat zij op basis van de door haar uitgevoerde grondonderzoeken en het door de erven overgelegde onderzoeksrapport van Fugro van 3 april 2014 zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van een netto-opbrengst van de speciewinning, die aanleiding zou kunnen vormen voor een nadere verrekening met de erven. De kwaliteit van het aanwezige zand tot op de gehanteerde ontginningsdiepte beantwoordt volgens de DLG aan de kwalificatie “ophoogzand” en zal (en kan) niet leiden tot een netto-opbrengst, mede gezien alle met de ontgronding samenhangende kosten, waardeverminderingen etc. De prijs van € 3,50 per m3 is niet onderbouwd en een enkele verwijzing naar de prijs die is gehanteerd in de Pannerdensche Waard (een vergelijkbaar project) doet geen recht aan de specifieke omstandigheden die bepalend zijn bij de prijszetting, aldus de DLG.

2.14.

Bij brief van 17 oktober 2014 aan de advocaat van de erven heeft de DLG medegedeeld dat zij één document heeft aangetroffen (de basisovereenkomst met betrekking tot de ontgronding in de Millingerwaard gesloten met de aannemerscombinatie op 17 november 2011), welk document zij niet openbaar zal maken, omdat bedrijfsgevoelige informatie van de combinatie daarmee openbaar wordt gemaakt, hetgeen de concurrentiepositie van de bedrijven zou kunnen verzwakken. De advocaat van de erven heeft ter zitting gesteld dat hij deze brief niet heeft ontvangen en pas op de hoogte hiervan is geraakt op het moment dat deze brief door de DLG en het BBL als productie werd ingediend voor het onderhavige kort geding.

2.15.

Bij brief van 4 november 2014 aan de DLG heeft [naam]namens de erven aanspraak gemaakt op een bedrag van € 507.500,00 (te vermeerderen met wettelijke rente) dat het BBL op grond het speciebeding aan de erven verschuldigd zou zijn, op een bedrag van € 226.890,11 (fl. 500.000,00), zijnde een direct opeisbare boete wegens overtreding van het speciebeding (omdat het BBL geen enkele waarde aan de gewonnen specie toekent en geen vergoeding wenst te betalen, verkeert zij van rechtswege in verzuim aldus de erven) en op een bedrag van € 68.314,31, zijnde de kosten (voor de adviseurs, advocaat en Fugro) die de erven hebben gemaakt. Tevens is verzocht om de koopovereenkomst behorende bij de leveringsakte gedateerd 28 december 2006, op grond waarvan het BBL de percelen overdraagt en levert aan Staatsbosbeheer toe te sturen (teneinde vast te kunnen stellen of het BBL zich aan haar verplichting heeft gehouden om het kettingbeding na te leven en daarmee of het BBL al dan niet een boete van 1 miljoen gulden verschuldigd is) over te leggen, en om geen werkzaamheden meer uit te voeren op de betreffende percelen zonder toestemming van de erven, dan wel voordat de erven maatregelen hebben kunnen treffen om hun rechtspositie zeker te kunnen stellen.

3 Het geschil

3.1.

De erven vorderen dat de voorzieningenrechter

primair

  1. de DLG en het BBL verbiedt om enige werkzaamheid op de percelen (kadastraal bekend gemeente Leuth sectie D nummers 211, 212 en 213 op te dragen en/of toe te staan en/of te verrichten die de vaststelling van de kwaliteit en kwantiteit van de aanwezige specie belemmert, totdat middels deskundigenonderzoek de kwaliteit en kwantiteit van de aanwezige specie is vastgesteld,

  2. de DLG en het BBL gebiedt om gezamenlijk met de erven binnen veertien dagen na dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, een onafhankelijke deskundige te benoemen die de kwaliteit, kwantiteit en de waarde c.q. netto-opbrengst van de nog te winnen specie, alsmede de al gewonnen specie op de voormalige percelen van de erven vaststelt,

  3. de DLG en het BBL gebiedt om binnen zeven dagen na benoeming van een onafhankelijk deskundige, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, ter beschikking te stellen aan de erven en de onafhankelijke deskundige de overeenkomst die is gesloten met de aannemer, en/of andere documentatie waaruit blijkt:

 welke ontzandingswerkzaamheden zullen worden verricht,

 welke percelen bij de werkzaamheden betrokken zullen zijn,

 om hoeveel kubieke meter specie het gaat,

 welke vergoeding voor de specie wordt betaald,

 in welke mate de vrijkomende specie wordt aangewend binnen de door Boskalis/Van de Wetering in combinatie met K3Delta uit te voeren werken met betrekking tot rivierverruimende maatregelen/ontzanding via omputten,

 welke kwaliteit specie het betreft door onder andere bodemgegevens ter beschikking te stellen, waaronder boorgegevens,

het BBL gebiedt aan de erven binnen zeven dagen na dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, ter beschikking te stellen de koopovereenkomst behorende bij de leveringsakte gedateerd 28 december 2006, waaruit blijkt of het BBL het kettingbeding en het speciebeding heeft opgenomen toen zij de percelen die voorheen eigendom waren van de erven aan Staatsbosbeheer heeft verkocht,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede jusitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of dagdeel dat de DLG en het BBL na betekening van dit vonnis in gebreke zullen blijven met de nakoming van het verbod en/of het/de gebod(en),

subsidiair

de DLG en het BBL verbiedt om enige werkzaamheid op de percelen (kadastraal bekend gemeente Leuth sectie D nummers 211, 212 en 213 op te dragen en/of toe te staan en/of te verrichten die de vaststelling van de kwaliteit en kwantiteit van de aanwezige specie belemmert, totdat middels deskundigenonderzoek de kwaliteit en kwantiteit van de aanwezige specie is vastgesteld,

de DLG en het BBL gebiedt om de erven toe te staan om binnen een maand na dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, een deskundigenonderzoek ter plaatse van de voormalige percelen van de erven te laten verrichten door een of meerdere door de voorzieningenrechter aan te wijzen deskundige(n) naar de kwaliteit en kwantiteit van de nog te winnen specie,

de DLG en het BBL gebiedt om binnen zeven dagen na dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, ter beschikking te stellen aan de erven en de onafhankelijke deskundige de overeenkomst die is gesloten met de aannemer, en/of andere documentatie waaruit blijkt:

 welke ontzandingswerkzaamheden zullen worden verricht,

 welke percelen bij de werkzaamheden betrokken zullen zijn,

 om hoeveel kubieke meter specie het gaat,

 welke vergoeding voor de specie wordt betaald,

 in welke mate de vrijkomende specie wordt aangewend binnen de door Boskalis/Van de Wetering in combinatie met K3Delta uit te voeren werken met betrekking tot rivierverruimende maatregelen/ontzanding via omputten,

 welke kwaliteit specie het betreft door onder andere bodemgegevens ter beschikking te stellen, waaronder boorgegevens,

I. het BBL gebiedt aan de erven binnen zeven dagen na dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, ter beschikking te stellen de koopovereenkomst behorende bij de leveringsakte gedateerd 28 december 2006, waaruit blijkt of het BBL het kettingbeding en het speciebeding heeft opgenomen toen zij de percelen die voorheen eigendom waren van de erven aan Staatsbosbeheer heeft verkocht,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede jusitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of dagdeel dat de DLG en het BBL na betekening van dit vonnis in gebreke zullen blijven met de nakoming van het verbod en/of het/de gebod(en).

Alles met veroordeling van de DLG en het BBL in de kosten van het geding.

3.2.

De DLG en het BBL voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

rechtsmacht

4.1.

Eiseres sub 1., eiser sub 2. en eiser sub 4. zijn woonachtig in het Verenigd Koninkrijk respectievelijk België. Hun vorderingen tegen in Nederland gevestigde gedaagden dragen een internationaal karakter. De Nederlandse rechter komt krachtens artikel 2 EEX-Verordening (EG Verordening nr. 44/2001) rechtsmacht toe, nu gedaagden hun vestigingsplaats in Nederland hebben. De rechtbank Gelderland, zittingslocatie Arnhem, is relatief bevoegd, gelet op de vestigingsplaats van gedaagde sub 1 te Arnhem.

toepasselijk recht

4.2.

Tussen partijen is niet in discussie dat op hun rechtsverhouding, de vorderingen en de beoordeling daarvan Nederlands recht toepasselijk is.

inhoudelijk beoordeling

4.3.

Het gaat in deze zaak om het volgende. In 2001 zijn er door wijlen [naam] percelen grond gelegen in de Millingerwaard verkocht aan het BBL. In de akte van levering is een speciebeding opgenomen, inhoudende dat als binnen twintig jaar nadien specie zou worden gewonnen op de percelen het BBL 50% van de netto-opbrengst aan de verkoper zou moeten betalen. De erven van[naam] stellen zich thans op het standpunt dat het BBL voornemens is ontgrondings-/ ontzandingswerkzaamheden op de percelen te verrichten (en ook al heeft verricht), maar dat zij weigert het speciebeding (en daarmee haar bestalingsverplichting) na te komen, alsook relevante informatie te verstrekken, terwijl uit het rapport van Fugro en dat van [naam]blijkt dat de specie van zodanige kwaliteit is dat wel sprake is van een netto-opbrengst voor de specie. De erven vorderen (om hun rechtspositie veilig te stellen) dat de werkzaamheden op de betreffende percelen worden stilgelegd en dat partijen samen een onafhankelijke deskundige benoemen, die de kwaliteit, kwantiteit en de waarde c.q. netto-opbrengst van de nog te winnen en gewonnen specie op de percelen vaststelt, althans dat de voorzieningenrechter een deskundige benoemt die een onderzoek ter plaatse kan uitvoeren. Daarnaast vorderen de erven een afschrift van diverse stukken (vorderingen sub C./H. en D./I.).

4.4.

De DLG en het BBL betwisten het voorgaande en stellen zich op het standpunt dat

zij de erven niet zullen verhinderen om een deskundigenonderzoek op de percelen uit te voeren. Volgens de DLG en het BBL zal de gewonnen specie niet worden verkocht, omdat de kwaliteit daarvoor niet geschikt is en de kosten in relatie tot de te verwachten opbrengst te hoog zijn, zodat een deskundigenonderzoek nodeloos is. De gewonnen specie zal als

vul-/ophoogzand worden gebruikt in de omputlocatie en zal niet worden verkocht. De strekking van eerdere boorprofielen, maar ook van het rapport van Fugro is dat het merendeel van het aangetroffen zand matig tot fijn van structuur is, dat veel voorkomt en waar weinig vraag naar is. Subsidiair stellen de DLG en het BBL dat als het zand al te vermarkten zou zijn, er geen sprake zal zijn van een netto-opbrengst gelet op de hoge bijkomende kosten van onder andere opslag en transport. Ten aanzien van het verstrekken van een afschrift van stukken stellen de DLG en het BBL dat in januari 2014, en voorafgaand aan dit kort geding, al boorstaten, bodemonderzoeken en kaartmateriaal beschikbaar zijn gesteld en dat zij niet over meer stukken beschikken. Wat de overeenkomst met de aannemerscombinatie betreft geldt dat sprake is van gewichtige redenen om het overleggen van een afschrift hiervan te weigeren, hetgeen reeds is toegelicht in het besluit van 17 oktober 2014. Ten aanzien van de overeenkomst met Staatsbosbeheer hebben de DLG en het BBL verklaard dat de leveringsakte via de openbare registers is te raadplegen en dat het speciebeding en het kettingbeding hierin niet zijn opgenomen, maar dat de erven hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad, omdat de percelen weer terug zijn geleverd aan het BBL.

4.5.

Ter zitting is gebleken dat partijen geen overeenstemming hebben over de definitie van het begrip specie. Volgens de erven (althans hun adviseur [naam]) is specie zand, maar ook grind, dat onder klei in de grond/bodem zit en waarin ook klei en leem kan zitten. De advocaat van de erven heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van State van 16 april 2014 (inzake het verlenen van de onderhavige ontgrondingsvergunning) waarin is overwogen dat artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) ‘baggerspecie’ definieert als materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grond met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm. Volgens de advocaat van de erven bevat baggerspecie meer zand en grind dan specie. De advocaat van DLG en het BBL heeft aangevoerd dat specie ook klei, veen en/of zand bevat en dat de definitie van baggerspecie publiekrechtelijk is en niets zegt over de vraag wat specie betekent in dit privaatrechtelijk geschil. Volgens de heer [naam], die namens gedaagden verantwoordelijk is voor de realisatie van de werkzaamheden in de Millingerwaard, is specie hetzelfde als grond, bestaat er baggerspecie en gewonnen specie, en wordt de term ‘specie’ veelal gebruikt in geval van geldelijk gewin.

4.6.

Nu partijen van mening verschillen over de uitleg van het speciebeding en zelfs over de vraag wat specie is en of daar in het onderhavige geval sprake van is (over en weer zijn rapporten en boorstaten overgelegd en weersproken), is het aan een deskundige om hier nader onderzoek naar toe doen. Dit geldt temeer nu partijen ook (hetgeen in het verlengde daarvan ligt) van mening verschillen over de netto-opbrengst van de specie/het zand (en daarmee dus over de kwaliteit, de aanwendbaarheid binnen het plan (het zogenaamde omputten) en de afzetmogelijkheden van de specie).

4.7.

De voorzieningenrechter ziet evenwel onvoldoende aanleiding om thans in het bestek van dit kort geding de DLG en het BBL te verplichten om mee te werken aan de benoeming van een deskundige die de kwaliteit, kwantiteit en waarde van de specie beoordeelt (zoals gevorderd onder B.) dan wel om de DLG en het BBL te gebieden een onderzoek door een door de voorzieningenrechter te benoemen deskundige die de kwaliteit, kwantiteit en waarde van de specie beoordeelt toe te staan (zoals gevorderd onder G.). Allereerst ontbreekt daarvoor het spoedeisend belang. Onweersproken is dat het de erven vrijstaat om een deskundige op elk moment boringen te laten verrichten op meerdere plekken op de percelen (die volgens de erven nog niet afgegraven zijn en representatief zijn voor de overige percelen) en monsters hiervan te bewaren, zodat mogelijk later in een nog op de starten procedure een deskundige deze bodemmonsters alsnog kan onderzoeken.

Nog daargelaten dat voor het gelasten van een (voorlopig) deskundigenonderzoek – nu nog geen bodemprocedure aanhangig is – een aparte verzoekschriftprocedure ex artikel 202 Rv dient te worden gevolgd, ziet de voorzieningenrechter daarnaast niet in op grond waarvan hij de DLG en het BBL thans – in het bestek van dit kort geding – zou kunnen verplichten om mee te werken aan de benoeming van een deskundige dan wel om hen te gebieden een onderzoek door een te benoemen deskundige toe te staan. Dit geldt temeer nu geen duidelijkheid bestaat over de vragen die aan een deskundige zouden moeten worden gesteld. De vorderingen sub B. en G. zullen dus worden afgewezen

4.8.

De erven vorderen tevens (onder A.) een verbod om werkzaamheden op de betreffende percelen te verrichten die de vaststelling van de kwaliteit en kwantiteit van de aanwezige specie belemmeren, totdat via een deskundigenonderzoek de kwaliteit en kwantiteit van de aanwezige specie is vastgesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat de erven geen (spoedeisend) belang hebben bij toewijzing van deze vordering, nu de DLG en het BBL ter zitting hebben verklaard dat het BBL in 2014 en 2015 geen werkzaamheden zal verrichten op de percelen en ook nog nauwelijks heeft verricht. De erven zijn in 2014 reeds in de gelegenheid gesteld om boringen te verrichten – hetgeen heeft geresulteerd in het rapport van Fugro – waarna er kennelijk enkele werkzaamheden zijn uitgevoerd. Thans staat de erven niets in de weg om alsnog een onderzoek uit te voeren naar de kwaliteit van de grond/specie. Dat de erven in bewijsnood zouden geraken, is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden. Deze vordering komt dus evenmin voor toewijzing in aanmerking.

4.9.

Onder C. vorderen de erven dat de DLG en het BBL de overeenkomst die is gesloten met de aannemer alsook andere stukken aan de erven ter beschikking stellen. Dat de erven een spoedeisend belang bij deze vordering hebben, is niet weersproken. Ten aanzien van de basisovereenkomst van 17 november 2011 geldt dat de aannemerscombinatie geen partij is in dit kort geding, zodat niet beslist kan worden over haar belangen. Daar komt bij dat de DLG eerder in een Wob-procedure, nadat de aannemerscombinatie Boskalis B.V./Van de Wetering daarover haar zienswijze bij brief van 16 september 2014 had ingediend, heeft besloten om de overeenkomst niet openbaar te maken. Hoewel het vervelend voor de erven is dat het besluit van 17 oktober 2014 hen kennelijk niet heeft bereikt (de advocaat van de erven heeft pas voorafgaand aan dit kort geding kennis hiervan kunnen nemen, toen deze als productie door de DLG en het BBL werd overgelegd), maakt dat het voorgaande niet anders.

De DLG en het BBL hebben ter zitting desgevraagd toegezegd dat zij het bestek, zoals dat is gepubliceerd op www.TenderNed.nl, zullen overleggen aan de erven. Nu de erven niet eerder concreet om het bestek hebben gevraagd, rechtvaardigt dit geen veroordeling op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter gaat er evenwel vanuit dat de DLG en het BBL het bestek zo spoedig mogelijk na het wijzen van dit vonnis beschikbaar zullen stellen aan de erven, althans hun advocaat.

4.10.

Ten aanzien van de overige documentatie moet worden vastgesteld dat deze niet nader is geconcretiseerd. De DLG en het BBL hebben verklaard dat zij niet in het bezit zijn van stukken aangaande eerdere of andere metingen/grondboringen, dan wel een berekening/tekening van Royal Haskoning, dan reeds zijn overgelegd. Voor dit kort geding heeft de DLG en het BBL boorstaten uit 2002, 2004, 2008, 2010 en 2011 en een geotechnisch rapport van Grontmij gedateerd 15 november 2012 overgelegd en in januari 2014 heeft de DLG en het BBL de erven reeds boorstaten uit 2002 en 2011 toegestuurd.

In dit kort geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat er daarnaast nog andere rapporten zijn die nog niet zijn overgelegd. Ook deze vordering (sub C.) zal dan ook worden afgewezen.

4.11.

De voorzieningenrechter zal het BBL wel gebieden om een afschrift van de koopovereenkomst (gesloten tussen het BBL en Staatsbosbeheer) behorende bij de leveringsakte gedateerd 28 december 2006 aan de erven te verstrekken. De erven hebben hierbij voldoende (spoedeisend) belang, nu zij willen controleren of het BBL (zoals op straffe van een boete is overeengekomen) het kettingbeding en het speciebeding hierin heeft opgenomen toen zij de percelen die voorheen eigendom waren van de erven aan Staatsbosbeheer heeft verkocht. De erven hebben niet gevraagd om een afschrift van de leveringsakte, zodat het gebod daar niet op ziet. Deze leveringsakte kan overigens ook geraadpleegd worden in de openbare registers van het Kadaster.

Er zal geen dwangsom worden verbonden aan deze veroordeling, nu het BBL heeft toegezegd dat zij gevolg zal geven aan de uitspraak van de voorzieningenrechter.

4.12.

De erven zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de DLG en het BBL worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt het BBL aan de erven binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis ter beschikking te stellen een afschrift van de koopovereenkomst gesloten tussen het BBL en Staatsbosbeheer behorende bij de leveringsakte d.d. 28 december 2006,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.4.

veroordeelt de erven in de proceskosten, aan de zijde van de DLG en het BBL tot op heden begroot op € 1.424,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 22 december 2014. De overwegingen waarop dit vonnis stoelt zijn afzonderlijk vastgelegd op 14 januari 2015.