Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8157

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
258089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 476a, 476b Rv; 6:127 lid 1 BW. Executoriaal derdenbeslag; verklaringsprocedure. Verrekeningsverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/258089 / HA ZA 14-55

Vonnis van 10 september 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JOH. ENSCHEDÉ STAMPS BV,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

advocaten mrs. A.M. van Aerde en M.H.B.J. Harbers te Amsterdam,

tegen

de stichting

ST. ACADEMIE VOOR BEWUSTZIJNSONTWIKKELING SOERIA,

gevestigd te Laag Soeren,

gedaagde,

advocaat mr. F. Kemp te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Enschedé en Soeria genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 mei 2014 en de daarin genoemde gedingstukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 juli 2014;

  • -

    de comparitieaantekeningen van mr. Harbers voornoemd;

  • -

    de korte aantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen op 11 juli 2014 om 10.30 uur van mr. Kemp voornoemd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het arrest, het executoriaal derdenbeslag en de verklaring

2.1.1.

Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 11 december 2012 de Stichting Maharishi Global Financing Research, gevestigd in de gemeente Roerdalen (verder te noemen: SMGFR), in hoger beroep, voor zover hier van belang:

* veroordeeld tot betaling aan Enschedé van:

€ 26.203,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 13 januari 2008, € 2.896.926,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 26 oktober 2008, € 40.000,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 19 februari 2009; € 10.000,- voor iedere maand of gedeelte daarvan na januari 2009, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf het einde van elk van die maanden, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening;

* veroordeeld in de kosten van die procedure, in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van Enschedé in totaal begroot op € 49.604,25.

2.1.2.

Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.

2.1.3.

De grosse van het arrest is bij exploot van 26 april 2013 aan SMGFR betekend.

2.1.4.

Bij exploot van 18 juli 2013 is op verzoek van Enschedé ten laste van SMGFR executoriaal derdenbeslag gelegd onder Soeria, met bevel om uiterlijk vier weken na die datum verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Het proces-verbaal van de beslaglegging is bij exploot van dezelfde datum aan Soeria betekend.

2.1.5.

Soeria heeft op 18 juli 2013 door middel van het in artikel 475 lid 2 Rv bedoelde formulier verklaard dat er tussen haar en SMGFR geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan SMGFR op het tijdstip van het beslag en op het tijdstip van de verklaring nog iets van Soeria te vorderen had of nog kon vorderen.

2.1.6.

De raadslieden van Enschedé hebben bij aangetekende brief van 23 september 2013 aan Soeria gemotiveerd meegedeeld dat er voor Enschedé aanleiding was niet zonder meer aan te nemen dat er geen enkele rechtsverhouding tussen Soeria en SMGFR zou bestaan en/of dat Soeria geen betalingsverplichting ten opzichte van SMGFR zou hebben, en Soeria verzocht om, indien zij verplicht is door haar van VZW (vereniging zonder winstoogmerk) Maharishi Institute of Vedic Science (verder: MIVS) en Private Stichting European Financial Capital ontvangen huurpenningen af te dragen aan SMGFR, dit nader te staven aan de hand van schriftelijke stukken.

2.2.

De voorgeschiedenis

2.2.1.

Als bestuurder van SMGFR staan in het handelsregister ingeschreven Benjamin [naam] te Vlodrop (verder: [naam]), [naam](verder: [naam]) en [naam](verder: [naam].

2.2.2.

Genoemde [naam] en [naam] staan ook ingeschreven als bestuurder van Soeria.

2.2.3.

SMGFR is eigenaar van een perceel aan de[adres].

2.2.4.

In de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 28 april 2008 wordt melding gemaakt van een besluit van de algemene vergadering van MIVS (waarvan de zetel is gevestigd aan de [adres]), waarbij [naam] wordt opgenomen in de raad van bestuur.

2.2.5.

Bij notariële akte van 5 december 2012 heeft SMGFR, vertegenwoordigd door [naam] en [naam], een “Liegenschaft EX 44 Grundbuch 01804 Kalksburg (Oostenrijk), Bezirksgericht Liesing, mit den Grundstück Nr. 39 Gärten und 40 Bauf. (Gebäude), Gärten - Breitenfurter Straβe 539” te Oostenrijk verkocht aan Flair Bauträger GmbH te Wenen, Oostenrijk, voor een prijs van € 405.000,-.

2.2.6.

Op een bankrekening van Soeria is op 27 februari 2013 een bedrag van € 250.000,- bijgeschreven. Op dezelfde dag is er van die rekening een bedrag van € 275.000,- afgeschreven.

2.2.7.

MIVS bericht op 27 juni 2013 per e-mail aan A. Hansebout, de Belgische raadsman van Enschedé, voor zover hier van belang:

“In antwoord op uw eerste vraag in uw brief van 20 juni, kan ik u meedelen dat wij tot maart 2013 geen huur betaalden. Vanaf 1 maart 2013 betaalden we

620 euro per maand voor de huur van een verdieping. Vanaf 1 april werd dat verhoogd naar 2120 euro voor drie verdiepingen. Huur van maart, april en mei werd betaald aan Maharishi Global Peace Government. Vanaf juni betalen we aan Stichting Academie voor Bewustzijnsontwikkeling Soeria.

In antwoord op uw tweede vraag kan ik meedelen dat in eerste reactie op uw vraag omtrent verschuldigde bedragen aan Stichting Maharishi Global Financing Research en na een eerste nazicht van de meest recente boekhouding bleek dat er geen verschuldigde bedragen waren.”

3 Het geschil

3.1.

Enschedé vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, Soeria zal veroordelen:

1. om een schriftelijke en door haar ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen met inachtneming van hetgeen Enschedé in de dagvaarding heeft gesteld, van hetgeen zij van SMGFR onder zich heeft en/of aan SMGFR verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van SMGFR zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan SMGFR verschuldigd zal worden;

2. tot betaling van de dwangsom van € 5.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat Soeria niet voldoet aan de onder 1 genoemde veroordeling;

3. om, nadat die verklaring door Soeria zal zijn afgelegd en door de rechtbank zal zijn bepaald hetgeen zij van SMGFR onder zich heeft en/of aan SMGFR verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van SMGFR zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan SMGFR verschuldigd zal worden - tot het ter tenuitvoerlegging af- en overdragen van zodanige gelden, voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag van Enschedé ingevolge voormelde executoriale titel van SMGFR te vorderen heeft, met veroordeling van Soeria in de kosten gevallen op de verbetering van de verklaring;

4. tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

De vordering is gegrond op de volgende stellingen, samengevat weergegeven. SMGFR is eigenaar van het pand aan de [adres] en verhuurt dit aan MIVS. De huurpenningen worden sinds juni 2013 geïnd door Soeria, maar komen nog steeds toe aan SMGFR. Verder heeft SMGFR de voor het pand te Kalksburg ontvangen koopsom laten overmaken op een bankrekening van de Duitse advocaat Armin Ratke. Deze rekening is op verzoek van Enschedé geblokkeerd. Ratke heeft naar aanleiding daarvan verklaard dat hij het bedrag van de koopprijs, € 405.000,-, heeft laten overmaken op een Nederlandse bankrekening van SMGFR. Van dit bedrag is eind februari € 250.000,- overgemaakt aan Soeria, zonder dat de reden voor die betaling duidelijk is. Vermoedelijk is dit pand verkocht om het beslag voor te zijn en is het grootste deel van de koopprijs via diverse schakels bij Soeria terechtgekomen, alles door tussenkomst van [naam] en [naam], die zowel van SMGFR als van Soeria bestuurder zijn.

3.3.

Soeria voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang voor de beslissing, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 477a lid 2 Rv is bepaald, voor zover hier van belang, dat, indien de derde-beslagene een verklaring heeft afgelegd (namelijk een verklaring van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen, zoals bedoeld in artikel 476a lid 1 Rv), de executant bevoegd is deze geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door tegen de derde een vordering in te stellen tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen.

4.2.

In artikel 476b lid 2 Rv is bepaald dat de verklaring zo veel mogelijk vergezeld gaat van afschrift van tot staving dienende bescheiden.

4.3.

Een en ander brengt mee dat in deze procedure, gelet op de ingestelde vorderingen, de juistheid van de verklaring van Soeria inzake het door Enschedé gelegde derdenbeslag moet worden vastgesteld.

4.4.

Voor zover Enschedé op het standpunt staat dat Soeria al met de stukken als bedoeld in artikel 476b lid 2 Rv had moeten komen is dat onjuist. Uit het systeem van de wet volgt dat de derde-beslagene die zich op het standpunt stelt geen vorderingen of zaken van de geëxecuteerde onder zich te hebben, dat standpunt niet met bescheiden hoeft te staven. In het geval dat de beslaglegger de verklaring betwist is hij immers degene die de bewijslast draagt van de onjuistheid van de verklaring.

4.5.

Het verweer van Soeria is tweeërlei:

1) Soeria was verzocht te bemiddelen in een geschil tussen een crediteur van SMGFR en SMGFR en is daarin geslaagd op voorwaarde dat een bedrag van € 275.000,- zou worden betaald. Naar aanleiding van een verzoek heeft Soeria € 250.000,- ontvangen. Op dezelfde dag heeft zij € 275.000,- aan de genoemde crediteur betaald. Dusdoende heeft zij nog € 25.000,- van SMGFR te vorderen. Daarover is afgesproken dat dit in gedeelten mag worden voldaan dan wel verrekend. Soeria heeft inderdaad twee betalingen van in totaal € 4.240,- ontvangen, zodat de vordering op SMGFR nu € 20.660,- bedraagt. Zij is niets aan SMGFR verschuldigd.

2) Enschedé stelt dat een huurder van een pand dat SMGFR in eigendom toebehoort huurpenningen aan Soeria heeft betaald. Soeria is daar niet mee bekend; zij weet niet of er een huurovereenkomst bestaat tussen SMGFR en MIVS. De huurder heeft verklaard dat er tot mei 2013 huur werd betaald aan Maharishi Global Peace Government.

4.6.

Enschedé heeft de verklaring van Soeria dat zij niets aan SMGFR verschuldigd is en geen goederen van SMGFR onder zich heeft gemotiveerd betwist. Gegeven het verweer van Soeria en het verhandelde ter zitting zal de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 22 Rv Soeria bevelen de volgende stukken in het geding te brengen:

1) de bijlagen bij het rekeningafschrift dat zij als productie 1 heeft overgelegd bij haar conclusie van antwoord;

2) de overeenkomst uit 2009 waarbij een schikking is getroffen met Siemens Lease;

3) de e-mailcorrespondentie uit 2013 over de manier waarop die schikking zou worden nagekomen.

De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

4.7.

Als gezegd rust op Enschedé de bewijslast van haar stelling dat de door Soeria afgelegde verklaring onjuist is. Enschedé zal bij antwoordakte gelegenheid hebben om nader bewijs aan te bieden; voor zover zij van haar kant alsnog stukken wil overleggen zal zij dat bij die akte kunnen doen.

4.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 24 september 2014 voor het bij akte overleggen van de hiervoor onder 4.6 genoemde bescheiden door Soeria;

5.2.

bepaalt dat Enschedé op de rolzitting vier weken na de hiervoor bedoelde akte een antwoordakte mag nemen;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, bij zijn afwezigheid ondertekend door de rolrechter mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.

coll. FH