Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8122

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
271856
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Vraag of partijen arbitrage zijn overeengekomen. Uitleg van een koopovereenkomst (Haviltex-norm). Rechtbank bevoegd.

Incidentele vordering afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/271856 / HA ZA 14-570

Vonnis in incident van 24 december 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser],

gevestigd te Leerdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.J. Israëls te Leerdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GAASTIEL BEHEER B.V.,

gevestigd te Culemborg,

2. [gedaagde],

wonende te Culemborg,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. C.A.E. Frankhuijzen te Rotterdam.

Eisende partij zal hierna JvA Holding worden genoemd. Gedaagde partijen zullen hierna Gaastiel Beheer en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de aan de zijde van JvA Holding overgelegde inventarislijst met producties

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid met producties

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord inzake ingeroepen exceptie van onbevoegdheid.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten in het incident

2.1.

Tussen JvA Holding en Gaastiel Beheer is op 13 maart 2008 een koopovereenkomst gesloten waarbij JvA Holding alle aandelen in Speravi Groep B.V. verkoopt aan Gaastiel Beheer B.V. (verder: de koopovereenkomst). [gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van Gaastiel Beheer.

2.2.

Artikel 18 van de koopovereenkomst luidt als volgt:

Artikel 18. Toepasslijk recht; geschillen

(...)

18.2

Alle geschillen tussen partijen die mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst of van overeenkomsten of akten die daarvan het gevolge zijn, zullen, tenzij partijen dienaangaande schriftelijk andersluidend zijn overeengekomen of hiervoor expliciete arbitrage is overeengekomen, in eerste instantie worden beslecht door middel van gerechtelijke procedures voor de bevoegde rechter te Rotterdam.

18.3

Alle geschillen tussen partijen die mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst of van overeenkomsten of akten die daarvan het gevolge zijn, zullen, bij uitsluiting van de gewone rechter, worden voorgelegd aan een arbitragecommissie of mediator, die in enige en hoogste rechtsprekende instantie het geschil zal beslechten. De arbitragecommissie zal zijn samengesteld uit twee accountants en een voorzitter-jurist, die de hoedanigheid van meester in de rechten dient te bezitten. De arbitrage zal een aanvang nemen door de schriftelijke verklaring van één van partijen dat ze een geschil wenst voor te leggen aan de arbitragecommissie. Het geschil dient een belang te hebben van tenminste € 10.000. Indien het belang lager is, zal geen der partijen recht hebben om het geschil voor te leggen aan een arbitragecommissie noch enige andere commissie of rechtsprekende instantie. (…)

Voor zover vereist zal deze arbitrageclausule worden aangemerkt als een overeenkomst tot arbitrage c.q. akte van compromis. Het scheidsgerecht beslist als goede mannen naar billijkheid.

2.3.

JvA Holding en Gaastiel Beheer hebben eveneens op 13 juni 2008 een notariële akte van geldlening opgemaakt, met JvA Holding als schuldeiser en Gaastiel Beheer als schuldenaar. Deze akte luidt, voor zover thans van belang:

Schuldigerkenning
De schuldenaar erkent, blijkens een notariële akte van levering aandelen mede op heden voor de ondergetekende notaris verleden, van de schuldeiser op heden een bedrag als geldlening te hebben ontvangen groot: drie honderd duizend euro (€ 300.000,00), hierna ook te noemen “de geldlening”, en dit bedrag op grond hiervan schuld te zijn aan de schuldeiser.

2.4.

Bij dagvaarding van 1 oktober 2014 vordert JvA Holding:

primair: Gaastiel Beheer te veroordelen tot betaling van in totaal € 27.125,00 (€ 16.500 en € 10.625), te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten en, rente en kosten. Zij beroept zich daartoe op nakoming van de koopovereenkomst dan wel nakoming van de akte van geldlening.
subsidiair: Gaastiel en [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van in totaal € 27.125,00 (€ 16.500 en € 10.625), te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten en, rente en kosten. Zij legt daaraan een onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag.

3 De vordering in het incident

Gaastiel Beheer en [gedaagde] vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart ter zake van de hiervoor onder 2.4. weergegeven vorderingen van JvA Holding, omdat partijen ten aanzien van deze vorderingen, die alle voortvloeien uit de koopovereenkomst dan wel daarmee onlosmakelijk zijn verbonden, arbitrage, met uitsluiting van de burgerlijke rechter, zijn overeengekomen. JvA Holding voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Het uitgangspunt is dat het recht op toegang tot de rechter van artikel 6 EVRM niet absoluut is, doch dat partijen van (het gebruik van) hun recht op toegang afstand kunnen doen. Afstand van dit recht dient ongedwongen, vrijwillig en ondubbelzinnig te geschieden om rechtsgeldig te zijn.

4.2.

Als meest verstrekkend verweer voert JvA Holding aan dat partijen geen arbitrage zijn overeengekomen. Dit vergt uitleg van artikel 18 van de koopovereenkomst. Deze uitleg dient evenals een uitleg van een overeenkomst te geschieden aan de hand van de zogenaamde Haviltex-norm. Deze houdt in dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

De voormelde eis van ondubbelzinnigheid doet aan de toepasselijkheid van de Haviltex-norm niet af, het brengt hooguit mee dat extra gewicht toekomt aan de bewoordingen van het arbitraal beding.

4.3.

Nu partijen niets hebben gesteld omtrent hetgeen zij voorafgaande aan en ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst over artikel 18 hebben besproken, zal de rechtbank uitgaan van de meest voor de hand liggende uitleg van artikel 18.3 mede bezien in het licht van artikel 18.2.
Uit de omstandigheid dat partijen artikel 18.2 voorop hebben gesteld, leidt de rechtbank af dat het uitgangspunt van partijen bij hun geschillenregeling is geweest, dat zij geschillen die onder de reikwijdte van artikel 18 vallen, in eerste instantie hebben willen laten beslechten door de bevoegde rechter te Rotterdam. Uitsluitend indien partijen dienaangaande anders schriftelijk zijn overeengekomen of indien zij hiervoor expliciete arbitrage zijn overeengekomen doet zich een uitzondering voor op dat uitgangspunt.
De vraag is dan of partijen met artikel 18.3. expliciete arbitrage zijn overeengekomen als bedoeld in artikel 18.2. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Uit de tekst van artikel 18.3 zou weliswaar kunnen worden afgeleid dat partijen zijn overeenkomen dat zij dezelfde soort geschillen als die genoemd in artikel 18.2 bij uitsluiting van de gewone rechter, hebben willen voorgeleggen aan een arbitragecommissie of mediator, indien het geschil een belang heeft van ten minste € 10.000,00 en dat dus voor geschillen met een belang lager dan € 10.000,00 de gewone rechter, bedoeld in artikel 18.2 bevoegd is.

4.4.

Echter in artikel 18.3 staat ook dat indien het belang lager is dan € 10.000,00 geen der partijen recht zal hebben om het geschil voor te leggen aan een arbitragecommissie of enige andere commissie of rechtsprekende instantie. Indien artikel 18.3 zo moet worden uitgelegd dat partijen ten aanzien van de daarin genoemde geschillen met een belang van ten minste 10.000,00 arbitrage overeengekomen zijn, zou dit artikel 18.2 zinledig maken. Er zijn dan immers geen geschillen meer die aan de gewone rechter kunnen worden voorgelegd, omdat voor geschillen onder de € 10.000,00 de voornoemde uitsluiting van toepassing is. Dit betekent dat er niet van kan worden uitgegaan dat partijen met artikel 18.3 hebben bedoeld expliciete arbitrage overeen te komen voor de in artikel 18.2 en artikel 18.3 genoemde geschillen. Het ligt veeleer voor de hand dat partijen met “expliciet” hebben bedoeld de situatie dat zij ten aanzien van een tussen hen na het tekenen van de overeenkomst ontstaan geschil uitdrukkelijk arbitrage zijn overeengekomen. Voor die gevallen geldt dan artikel 18.3, waarin zij ook aspecten van arbitrage regelen buiten de essentialia van de overeenkomst van arbitrage.

4.5.

In ieder geval acht de rechtbank de tekst van artikel 18.2. en 18.3. in onderling verband bezien te onduidelijk om daaruit af te kunnen leiden dat partijen ongedwongen, vrijwillig en ondubbelzinnig afstand hebben gedaan van hun recht op toegang tot de gewone rechter. Dit betekent dat de gewone rechter zowel ten aanzien van de primaire en de subsidiaire vorderingen bevoegd is.

4.6.

Nu JvA Holding niet (tijdig) een beroep op de geschillenregeling in artikel 18.2 heeft gedaan, kan in het midden blijven of partijen hebben beoogd door middel van artikel 18.2 de door JvA Holding ingestelde vorderingen te onderwerpen aan de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank te Rotterdam.
4.7. De conclusie is dat de rechtbank bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.

4.8.

Gaastiel Beheer en [gedaagde] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt Gaastiel beheer en [gedaagde], hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, in de kosten van het incident, aan de zijde van JvA Holding tot op heden begroot op € 452,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 februari 2015 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.