Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8102

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
19-01-2015
Zaaknummer
271239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kortgeding.

Verplichting mee te werken aan aangeboden crediteurakkoord. Bij niet meewerken is aannemelijk dat gedaagde niet aleen zichzelf, maar ook de andere concurrente crediteuren en de financierende bank in nadelige positie brengt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 3 277
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/164
JOR 2015/211 met annotatie van Mr. A.M. Mennens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/271239 / KG ZA 14-507

Vonnis in kort geding van 4 november 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Nieuw-Wehl, gemeente Doetinchem,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.J. Paalman te Almelo,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AGRUNIEKRIJNVALLEI VOER B.V.,

gevestigd te Wageningen,

2. de coöperatieve vereniging

LAND- EN TUINBOUWCOÖPERATIE AGRUNIEKRIJNVALLEI U.A.,

gevestigd te Wageningen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONABIJ B.V.,

gevestigd te Didam,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. R. van Eck te Deventer.

Eiser in conventie tevens verweerder in reconventie zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden in conventie tevens eiseressen in reconventie zullen hierna gezamenlijk Agruniek c.s. worden genoemd en ieder afzonderlijk respectievelijk Agruniek Voer, AgruniekRijnvallei U.A. en Conabij.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in kort geding van 20 oktober 2014;

  • -

    de akte overlegging producties aan de zijde van [eiser] met producties 1 tot en met 24;

  • -

    een brief van mr. Van Eck, ingekomen op 24 oktober 2014 met producties 1 tot en met 6;

  • -

    een faxbericht van mr. Paalman, ingekomen op 27 oktober 2014 met producties 25 en 26;

  • -

    de mondelinge behandeling van 28 oktober 2014;

  • -

    de pleitnota van mr. Paalman, tevens houdende een vermeerdering van eis, met bijlage en de ontbrekende productie 10;

  • -

    de pleitnota van mr. Van Eck, tevens houdende een vordering in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] exploiteert een varkensbedrijf. Hij exploiteert de onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Tot het bedrijf van [eiser] behoren een woonhuis, diverse bedrijfsgebouwen met ondergrond, landbouwgrond, levende have en 1.981 productierechten (varkensrechten).

2.2

[eiser] is op 28 augustus 1999 gehuwd met [naam] Ingevolge de door partijen bij notariële akte van 23 augustus 1999 opgemaakte huwelijks voorwaarden zal tussen partijen geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

2.3.

Agruniek Voer is een besloten vennootschap, waarvan de activiteiten zich onder andere richten op de groothandel in veevoeder. Zij is de voerleverancier van [eiser].

2.4.

Conabij is een besloten vennootschap, waarvan de activiteiten zich richten op de groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen. Zij is de leverancier van natte bijproducten aan [eiser].

2.5.

Agruniek Voer en Conabij behoren tot hetzelfde concern.

2.6.

AgruniekRijnvallei U.A. is de rechtsopvolger onder algemene titel van Coöperatie Agruniek U.A. (verder: Coöperatie Agruniek) en moedermaatschappij van het concern waartoe Agruniek Voer en Conabij behoren.

2.7.

ABN AMRO Bank N.V. (verder: ABN AMRO) is de huisbankier van [eiser]. ABN AMRO heeft diverse leningen aan [eiser] verstrekt, waaronder een krediet in rekening-courant. Blijkens diverse notariële akten heeft ABN AMRO tot zekerheid van haar vorderingen op [eiser] - kort samengevat - een eerste tot en met zesde recht van hypotheek op alle onroerende zaken met opstallen van [eiser] en een pandrecht op daartoe behorende roerende zaken, die bestemd zijn om voornoemde zaken duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen. De echtgenote van [eiser] heeft zich ten behoeve van ABN AMRO borg gesteld voor [eiser] tot een bedrag van maximaal
€ 300.000,-, te vermeerderen met rente. ABN AMRO heeft verder, als eerste hypotheekhouder, een blokkaderecht op de productierechten.

2.8.

In het dossier bevindt zich een akte met opschrift ‘Verpanding levende have’, getekend op 17 april 1998 door ABN AMRO en [eiser] als pandgever/kredietnemer, geregistreerd op 1 mei 1998. Hierin staat, voor zover thans van belang:

zijn overeengekomen als volgt:
de Pandgever verklaart hierbij ten behoeve van de Bank tot meerdere zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de kredietnemer aan de Bank nu of te eniger tijd mocht blijken verschuldigd te zijn, uit welken hoofde ook, zo in als buiten rekening-courant en al of niet in het gewone bankverkeer, in eerste pand te geven, respectievelijk reeds nu voor alsnog in eerste pand te geven, welke inpandgeving de Bank hierbij verklaart aan te nemen:

zijn gehele levende have onder meer bestaande uit: fokzeugen en vleesvarkens

hierna te noemen: “Dieren”,

welke de Pandgever reeds nu toebehoren, respectievelijk zullen gaan toebehoren.”.

2.9.

Vanwege de verlieslijdende situatie van het varkensbedrijf van [eiser] is de afdeling Bijzonder Beheer van ABN AMRO sinds 2010 bij de situatie betrokken. ABN AMRO heeft sindsdien bij [eiser] aangedrongen op verkoop van het bedrijf.

2.10.

Ten gevolge van de financiële situatie heeft [eiser] facturen voor leveranties van Agruniek Voer en Conabij onbetaald gelaten, tot een oplopend bedrag van € 230.000,-

2.11.

In een brief van 21 juli 2011, die door Coöperatie Agruniek voor akkoord is ondertekend, heeft ABN AMRO, voor zover thans van belang, aan Coöperatie Agruniek geschreven:

Wij begrijpen dat Coöperatie “Agruniek” U.A. (Agruniek) een additionele hypotheek wil vestigen op een of meerdere registergoederen, in eigendom aan de heer H.B.M. [eiser] (…), waarop reeds meerdere hypotheken ten behoeve van ABN AMRO Bank N.V. (…) zijn gevestigd.

Wij hebben geen bewaar tegen de vestiging van deze additionele hypotheek indien Agruniek zich, bijvoorbeeld door voor akkoord tekening van deze brief, jegens ABN ARMO verbindt om:

1. Zolang de thans op het Onderpand ten behoeve van door ABN AMRO rustende hypotheek niet is doorgehaald:

(…)
d. indien de heer H.B.M. [eiser] het Onderpand wenst over te dragen en ABN AMRO desgevraagd bereid is afstand te doen van de ten behoeve van ABN AMRO op het Onderpand gevestigde hypotheek, ter gelegenheid van de overdacht afstand te doenvan de ten behoeve van Agruniek op het Onderpand gevestigde hypotheek: -ingeval ABN AMRO ter gelegenheid van de overdracht afstand doet van de ten behoeve van ABN AMRO gevestigde hypotheek tegen ontvangst van de volledige netto verkoopopbrengst; om niet; (…)”.

2.12.

In een notariële akte, verleden op 4 augustus 2011 met opschrift ‘Hypotheek’ opgemaakt tussen Coöperatie Agruniek als schuldeiser / hypotheekhouder en [eiser] als schuldenaar/hypotheekgever, erkent [eiser] een bedrag van € 230.000,- schuldig te zijn aan Coöperatie Agruniek wegens op 4 augustus 2011 van haar ter leen genomen en ontvangen gelden. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de schuldig erkende hoofdsom en daarover verschuldigde rente en eventuele boete verleent [eiser] aan Coöperatie Agruniek een recht van hypotheek respectievelijk een recht van pand op - kort gezegd - de onroerende zaken van [eiser].
2.13. [eiser] heeft nog meer schulden doen ontstaan. De totale schuldenpositie van [eiser] bedroeg per 19 augustus 2014 in totaal € 2.892.754,-. Daarin is begrepen de schuld aan ABN AMRO van € 2.197.637,-, een totale schuld aan Agruniek Voer en Conabij van
€ 372.015,- en een schuld aan de moeder van [eiser] (stand van zaken per 19 augustus 2014).

2.14.

Op 27 februari 2014 heeft ir. A.C.M. Schimmel van Berk & Kerkhof Taxaties

(verder: Schimmel) de marktwaarde van het varkensbedrijf gewaardeerd op € 1.945.000,-.

2.15.

[eiser] heeft het varkensbedrijf omstreeks april 2014 te koop aangeboden via

onroerend goed makelaar Drieklomp. Daarnaast heeft het bedrijf enkele maanden te koop gestaan via bedrijfsmakelaar Teeuwsen.

2.16.

In augustus 2014 heeft A.B.Th. Huirne (verder: Huirne) een bod uitgebracht. Dit bod hield in dat Huirne het bedrijf going concern wilde overnemen, inclusief levende have, maar exclusief varkensrechten, voor € 1.950.000,- met als voorwaarde dat de mestkelders van het bedrijf bij de levering leeg zijn.

2.17.

ABN AMRO heeft, naar aanleiding van het door Huirne uitgebrachte bod, op
14 augustus 2014 een eindvoorstel gedaan voor medewerking aan een onderhands crediteurenakkoord bij verkoop aan Huirne. Dit eindvoorstel komt - samengevat en voor zover thans van belang - op het volgende neer:

- ABN AMRO ontvangt de verkoopopbrengst van het bedrijf met levende have van
€ 1.950.000,-;

- de kosten van mestafvoer worden na overleg met ABN AMRO verrekend met de koopsom of ten laste van de ABN AMRO bankrekening voldaan tot ten hoogste € 100.000,-. Bij lagere kosten komt het ‘voordeel’ ABN AMRO toe;

- ABN AMRO zal maximaal € 22.000,- ‘beschikbaar stellen’ voor een crediteurenakkoord van 15 % (niet Agruniek Voer);

- Ten aanzien van Agruniek Voer is ABN AMRO bereid afstand te doen van haar blokkaderechten op de varkensrechten en, na overdracht van het bedrijf, de geschatte waarde van die varkensrechten ad € 100.000,- aan Agruniek Voer over te maken (hetgeen neerkomt op een voorgesteld percentage van circa 25%). Daaraan verbindt ABN AMRO de voorwaarde dat Agruniek Voer haar vordering op [eiser] per augustus 2014 volledig kwijtscheldt en het recht van hypotheek op de onroerende zaken van [eiser] doorhaalt.

- ABN AMRO gaat niet mee in het verzoek om de lening van de moeder van [eiser] gedeeltelijk af te lossen. Daartegenover staat dat zij bereid is afstand te doen van haar rechten uit hoofde van de borgstelling jegens de echtgenote van [eiser];

- na overdracht en afwikkeling zoals hiervoor beschreven, is ABN AMRO bereid finale kwijting te verlenen voor de restschuld indien de overige crediteuren en Agruniek c.s. dit ook doen c.q. hebben gedaan.

2.18.

Aan alle crediteuren, waaronder Agruniek Voer en Conabij, doch met uitzondering van ABN AMRO en de moeder van [eiser], is een crediteurenregeling aangeboden conform het hiervoor vermelde voorstel van ABN AMRO. In dat voorstel staat onder andere:

Als onderdeel van deze crediteurenregeling verbinden de crediteuren zich de huidige dienstverlening aan de heer [eiser] voort te zetten tot het moment van overdracht. Toekomstige vorderingen worden - mits zij overeenkomen met de contractuele afspraken tussen partijen - volledig voldaan. Voor vorderingen die zijn ontstaan na 19 augustus 2014 verlenen de schuldeisers dus geen kwijting.

2.19.

Alle crediteuren, aan wie de crediteurenregeling is aangeboden conform het eindvoorstel van ABN AMRO, met uitzondering van Agruniek Voer en Conabij, hebben zich akkoord verklaard met dit aanbod.

2.20.

Tussen [eiser] en Huirne is op 9 september 2014, conform het eerder uitgebrachte bod van Huirne, een koopovereenkomst gesloten, met een aanvulling op
24 september 2014. In de koopovereenkomst en in de aanvulling daarop is een ontbindende voorwaarde opgenomen dat de koopovereenkomst - onder andere - kan worden ontbonden als [eiser] en zijn echtgenote niet vóór 15 november 2014 overeenstemming bereiken met de hypotheekhouders omtrent het verkrijgen van royement voor de op het verkochte rustende hypothecaire inschrijvingen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis samengevat -:

1. Agruniek Voer en Conabij te veroordelen om hun medewerking te verlenen aan de door [eiser] aangeboden crediteurenregeling, en

2. AgruniekRijnvallei U.A. te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan doorhaling van het hiervoor in rechtsoverweging 2.11 vermelde recht van hypotheek, met bepaling dat indien zij hieraan niet voldoet, het vonnis in de plaats zal treden van de gevorderde medewerking;

3. Agruniek Voer te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 2.000,-,
met veroordeling van Agruniek c.s. in de proceskosten.

Daarnaast verzoekt [eiser] de voorzieningenrechter om met betrekking tot de ter zitting overgelegde productie 10 gebruik te maken van de in artikel 29 lid 1 sub b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv.) neergelegde bevoegdheid.

3.2.

Agruniek c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Agruniek Voer en Conabij vorderen samengevat - veroordeling van [eiser] om bij wijze van voorschot te betalen aan Agruniek Voer € 23.943,70 en aan Conabij
€ 1.839,23, te vermeerderen met de wettelijke rente, verhoogd met de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.2.

[eiser] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Het spoedeisend belang bij de gevorderde veroordeling om medewerking te verlenen aan de aangeboden crediteurenregeling en aan doorhaling van het recht van hypotheek, vloeit uit de stellingen van partijen voort.

5.2.

In conventie ligt ter beoordeling voor of Agruniek c.s. al dan niet kan worden gedwongen in te stemmen met het crediteurenakkoord.

5.3.

Bij de totstandkoming van een buitengerechtelijk akkoord is de contractsvrijheid van de schuldeiser het uitgangspunt. Een schuldeiser kan in beginsel niet gedwongen worden afstand te doen van zijn vordering. Van dit uitgangspunt kan slechts in uitzonderingssituaties worden afgeweken. Hiervan is sprake als de weigering mee te werken aan een dergelijke akkoord misbruik van bevoegdheid oplevert (art. 3:13 BW) en de schuldeiser aldus naar redelijkheid aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren (vgl. HR 12 augustus 2005, NJ 2006, 230). Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

5.4.

De kern van het verweer van Agruniek c.s. is dat de waarde van het varkensbedrijf van [eiser] hoger is dan € 1.945.000,- . Verder voert zij aan dat in de door [eiser] overgelegde rapporten alleen inzage wordt verstrekt in het zakelijk vermogen van [eiser], maar dat gegevens over privé vermogen, zoals eventuele pensioenverzekeringen, ontbreken.

5.5.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Dat de verkoopprijs aan Huirne in overeenstemming is met de waarde van het varkensbedrijf van € 1.945.000,- heeft [eiser] onderbouwd met een taxatie, verricht door Schimmel van Berk & Kerkhof Taxaties en met de controleverklaring (inclusief de gewaarmerkte financiële verantwoording) van Janssen, registeraccountant van Flynth. Uit voornoemd taxatierapport volgt dat Schimmel aan de verschillende bedrijfsonderdelen de navolgende waarde heeft toegekend:

Woonhuis met ondergrond en tuin: € 305.000,-
Bedrijfsgebouwen: € 550.000,-
Erf/ondergrond: € 170.000
Diverse voorzieningen: € 35.000,-
Landbouwgrond: € 760.000,-

Subtotaal: € 1.820.000,-
varkensrechten: € 105.000,-
toeslagrechten: € 20.0000,-
Totaal: € 1.945.000,-


Dezelfde waarde wordt genoemd in de financiële verantwoording van Flynth.

5.6.

Agruniek c.s. heeft de waarde van deze afzonderlijke onderdelen niet betwist. Zij voert echter aan dat, nu het bedrijf going concern wordt verkocht en overgedragen, bij de taxatie van de waarde ten onrechte geen rekening is gehouden met de waarde van de levende have. De waarde daarvan is, zo stelt zij met verwijzing naar de financiële verantwoording, € 531.512,-. Daarmee rekening houdend zou de waarde van het bedrijf van [eiser] volgens Agruniek € 2.476.512,- bedragen, aldus Agruniek c.s.. Ook had volgens Agruniek c.s. een waarde moeten worden toegekend aan de milieuvergunning.

5.7.

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat in de door Schimmel getaxeerde waarde, geen rekening is gehouden met de waarde van de levende have. Kloos, eveneens accountant van Flynth heeft tijdens die mondelinge behandeling toegelicht dat het bedrag van € 531.512,- ziet op de fiscale boekwaarde per ultimo 2013 maar dat de waarde van de levende have, gezien de huidige markt, veel lager ligt. Dit heeft Agruniek c.s. niet betwist. [eiser] heeft voorts verklaard dat hij op dit moment nog circa 1.100 zeugen en circa 3.000,- biggen houdt en dat de waarde van een zeug € 150,- per stuk bedraagt en die van een big (mits gespeend en op gewicht) € 25 á € 30,- verminderd met € 3,- entkosten. Ook dit heeft Agruniek c.s. niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van een waarde van de levende have van in totaal € 246.000,- (immers de som van (1.100 x 150) + (3.000 x 27,-)) en zou voorshands betekenen dat de waarde van het bedrijf going concern en inclusief productierechten en levende have op in totaal € 2.191.000,- (te weten: € 1.945.000 + € 246.000,-) moet worden vastgesteld in plaats van de getaxeerde waarde van € 1.945.000,-. Dat aan de milieuvergunning substantiële waarde moet worden toegekend heeft Agruniek c.s. op geen enkele wijze toegelicht, zodat daaraan in het kader van dit kort geding voorbij moet worden gegaan.

5.8.

De vraag is dan of met de overeengekomen verkoopprijs van € 1.950.000,- (inclusief onroerende zaken en levende have, doch exclusief productierechten) een (substantieel) te lage opbrengst wordt verkregen, gelet op de waarde van die onroerende zaken en levende have van in totaal € 2.066.000,- (te weten: € 1.820.000 + € 246.000,-). Dit verschil komt uit op € 116.000,-.
Dit kan in de gegeven omstandigheden niet worden aangenomen. Daarbij staat voorop dat de waarde van een zaak wordt bepaald door wat ‘de markt’ bereid is te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat de markt voor varkensbedrijven slecht is. Agruniek c.s. heeft niet betwist dat het bedrijf gedurende vijf maanden te koop heeft gestaan bij twee makelaars en dat dit slechts tot één concreet bod heeft geleid, dat van Huirne. Evenmin heeft Agruniek c.s. de stelling van Kloos tijdens de mondelinge behandeling bestreden dat het bedrijf van [eiser] in theorie al failliet is en op dit moment feitelijk door AMB AMRO gefinancierd wordt, waartoe zij niet veel langer bereid is. Een spoedige verkoop was en is dus geboden. Verder zijn partijen het erover eens dat een eventuele verkoop pas weer in het voorjaar kans van slagen heeft. Het is dan ook onaannemelijk dat op korte termijn een hoger bod wordt gerealiseerd. Evenmin is het reëel af te wachten of er mogelijk in het voorjaar nog een hoger bod komt. Over dat scenario heeft ABN AMRO Bank immers - onbestreden - gesteld dat in die periode ook de kosten en daarmee de schulden verder oplopen, waardoor niet aannemelijk is dat per saldo een hoger bedrag resteert voor de schuldeisers.
Van de zijde van Agruniek c.s. is door Schuttert tijdens de mondelinge behandeling nog betoogd dat [eiser] een hogere opbrengst had kunnen realiseren indien hij het bedrijf niet als een geheel zou hebben verkocht, maar gedurende een langere periode successievelijk percelen grond zou hebben verkocht. Die stelling is echter niet met een concrete onderbouwing aannemelijk gemaakt, mede gezien in het licht van de stelling van [eiser] dat hij met Natuurmonumenten in gesprek is geweest over verkoop van de grond, maar dat dit niet tot een bod heeft geleid.

5.9.

Agruniek c.s. voert nog aan dat zij niet kunnen beoordelen of [eiser] over privé-vermogen, zoals pensioenverzekeringen, beschikt, omdat gegevens ter zake ontbreken.
Dit verweer kan Agruniek c.s. naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet baten. [eiser] exploiteert zijn bedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Het uitgangspunt is dus dat - anders dan bij een rechtspersoon het geval is - geen onderscheid bestaat tussen de financiële positie van het bedrijf en de financiële positie van het privévermogen. Er moet dus van worden uitgegaan dat de gewaarmerkte financiële verantwoording van Flynth de totale financiële positie van [eiser] weergeeft. In die verantwoording bevestigt de registeraccountant, in reactie op een vraag van Agruniek c.s., ook dat [eiser], naast de levende have geen overige bezittingen met een waarde van meer dan € 5.000,- heeft. Bovendien heeft de accountant van [eiser], Kloos, tijdens de zitting nog bevestigd dat [eiser] geen andere bezittingen heeft.
Al met al heeft [eiser] voldoende objectief en verifieerbaar inzichtelijk gemaakt wat zijn totale financiële positie is en is niet aannemelijk geworden dat [eiser] nog ander vermogen bezit.

5.10.

De conclusie is dat bij deze stand van zaken voldoende aannemelijk is gemaakt dat de geboden prijs - gelet op de waarde van het bedrijf in de huidige markt - reëel is en dat het niet aannemelijk is dat een hogere prijs kan of had kunnen worden gerealiseerd of dat [eiser] nog over ander relevant vermogen beschikt

5.11.

Niet aannemelijk is voorts dat Agruniek c.s. bij een ander (verkoop)scenario in een betere positie zou komen te verkeren. Uit de - door Agruniek c.s. niet betwiste - financiële verantwoording volgt dat de totale vordering van ABN AMRO per 19 augustus 2014
€ 2.197.637,- bedraagt. Vast staat ook dat ABN AMRO uit hoofde van haar hypotheekrecht gerechtigd is op de opbrengst van alle onroerende zaken, dat zij een blokkaderecht heeft op de productierechten en dat uitsluitend ABN AMRO rechten kan ontlenen aan de borgstelling van de echtgenote van [eiser]. Verder is, zo oordeelt de voorzieningenrechter, voldoende aannemelijk geworden dat ABN AMRO een pandrecht heeft op de levende have. De voorzieningenrechter verwerpt het verweer van de Agruniek c.s. dat de ABN AMRO geen zekerheidsrecht zou hebben op de levende have. De verpanding van de levende have blijkt uit de op 1 mei 1998 geregistreerde pandakte (genoemd in rechtsoverweging 2.8.) en ABN AMRO heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij haar rechten uit hoofde van die akte nimmer heeft prijsgegeven. Zonder nadere feiten en omstandigheden - die Agruniek c.s. niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft aangevoerd - is er geen aanleiding te veronderstellen dat dit pandrecht niet meer zou gelden.

5.12.

Er moet dus van worden uitgegaan dat zonder crediteurenakkoord de totale verkoopopbrengst van het bedrijf aan ABN AMRO toekomt en dat er voor Agruniek c.s. met een hypotheekrecht, lager in rang dan dat van ABN AMRO, niets overblijft. Dit zou overigens niet anders zijn indien met de verkoop van het bedrijf de in rechtsoverweging 5.7. berekende waarde (dus inclusief levende have) van € 2.191.000,- zou kunnen zijn gerealiseerd, omdat de vordering van ABN AMRO de verkoopprijs dan nog steeds overstijgt. Evenmin zou dit anders zijn ingeval van een faillissement van [eiser], in welk scenario, naar aannemelijk is, een veel lagere verkoopprijs voor het bedrijf gerealiseerd zal worden.

5.13.

Bij de aangeboden crediteurenregeling, waarbij ABN AMRO bereid is een bedrag ter beschikking te stellen waardoor Agruniek Voer en Conabij circa 25 % en de overige concurrente crediteuren (met uitzondering van moeder) 15 % van hun vordering voldaan krijgen, komen deze crediteuren in een aanzienlijke betere positie te verkeren.

5.14.

Het voorgaande betekent dat Agruniek c.s. door haar medewerking te weigeren aan de aangeboden crediteurenregeling niet in een betere positie zal komen te verkeren. Veeleer is aannemelijk dat zij niet alleen zichzelf, maar ook de andere concurrente crediteuren en ABN AMRO in een nadeliger positie brengt. Gelet op de penibele financiële situatie waarin [eiser] thans verkeert, is bovendien aannemelijk dat een faillissement op zeer korte termijn onafwendbaar is. In dat geval zal, nu een liquidatie van het bedrijf doorgaans tot een lagere opbrengst zal leiden, ook ABN AMRO in een beduidend slechtere positie kunnen komen te verkeren.

5.15.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat indien Agruniek c.s. haar medewerking aan het aanbod weigert, sprake is van een onevenredigheid tussen het belang bij het uitoefenen van haar bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad en zij aldus misbruik van haar bevoegdheid maakt en naar redelijkheid de aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren. De vordering om Agruniek Voer en Conabij te veroordelen om hun medewerking aan de aangeboden crediteurenregeling te verlenen zal worden toegewezen.

5.16.

Op dezelfde gronden is de voorzieningenrechter van oordeel dat medewerking moet worden verleend aan de doorhaling van het recht van hypotheek, zoals dat blijkens de hypotheekakte van 4 september 2011 ten behoeve van Coöperatie Agruniek is gevestigd. Dit geldt temeer nu, zoals [eiser] onbetwist heeft gesteld, de (rechtsopvolger) van Coöperatie Agruniek daartoe op grond van de brief van 21 juli 2011 (productie 24 van [eiser]) is gehouden in het geval dat [eiser] het verhypothekeerde wenst over te dragen en ABN AMRO bereid is afstand te doen van het ten behoeve van haar gevestigde recht van hypotheek.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Agruniek c.s. echter naar voren gebracht dat het recht van hypotheek toekomt aan Agruniek Voer in plaats van aan AgruniekRijnvallei U.A.
Agruniek c.s. stelt zich op het standpunt dat AgruniekRijnvallei U.A. weliswaar de rechtsopvolger is van Coöperatie Agruniek, maar dat na afsplitsing en daaropvolgende fusie het recht van hypotheek uiteindelijk onder algemene titel door Agruniek Voer is verkregen en dat Agruniek Voer derhalve de relevante partij is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de juistheid van dit standpunt - dat zonder nadere onderbouwing niet kan worden vastgesteld - in het midden kan blijven. Het crediteurenakkoord dat aan Agruniek Voer is aangeboden betreft immers mede de voorwaarde tot doorhaling van het hypotheekrecht. De vordering van [eiser] om Agruniek Voer te veroordelen medewerking te verlenen aan het aangeboden crediteurenakkoord moet daarom tevens worden begrepen als een vordering tot het verlenen van medewerking aan het doorhalen van het recht van hypotheek, voor zover dat in de macht ligt van Agruniek Voer. Die vordering kan daarom jegens Agruniek Voer worden toegewezen. Overigens leidt de voorzieningenrechter uit het betoog van Agruniek Voer af dat zij zich ook niet - anders dan op inhoudelijke gronden - verzet tegen een dergelijke veroordeling.

De voorzieningenrechter zal deze vordering ook jegens AgruniekRijnvallei U.A. toewijzen. AgruniekRijnvallei U.A. heeft immers de stelling van [eiser] dat zij het in haar macht heeft te bewerkstelligen dat het recht van hypotheek wordt doorgehaald, niet betwist.

5.17.

Verder ligt ter beoordeling voor de vermeerderde eis, te weten de vordering om Arguniek Voer te veroordelen tot betaling van € 2.000,-.

5.18.

[eiser] legt daaraan te grondslag dat hij op 2 september 2014 onverschuldigd een bedrag van € 21.098,06 aan Agruniek Voer heeft betaald. Volgens [eiser] is deze betaling onverschuldigd verricht, omdat deze betrekking heeft op facturen van voor 19 augustus 2014, waarop het crediteurenakkoord betrekking heeft. Daar staat volgens [eiser] tegenover dat hij zich op grond van het crediteurenakkoord heeft verplicht om facturen die betrekking hebben op leveringen na 19 augustus 2014 volledig te voldoen. In de - door Agruniek Voer niet betwiste - redenering van [eiser] is hij op grond van het crediteurenakkoord nog € 19.624,86 aan Agruniek Voer verschuldigd (te weten de door Agruniek Voer in reconventie gevorderde hoofdsom van € 22.794,37 vermeerderd met
€ 146,39 rente en verminderd met het door [eiser] betwiste bedrag van € 3.315,90, waarvan hierna in reconventie is aangenomen dat het niet is verschuldigd).

5.19.

De beoordeling van deze vermeerderde eis van [eiser] hangt samen met de beoordeling van de vorderingen in reconventie van Agruniek Voer en Conabij.
Zoals hierna bij de beoordeling van die vorderingen zal blijken, is het door [eiser] op
2 september 2014 aan Agruniek Voer voldane bedrag van € 21.098,06 onverschuldigd betaald. Nu [eiser] tevens een bedrag van € 19.624,86 aan Agruniek Voer verschuldigd is, betekent dit dat [eiser] € 1.473,20 onverschuldigd heeft betaald aan Arguniek Voer (te weten: € 21.098,06 - € 19.624,86). De vermeerderde eis van [eiser] zal daarom voor een bedrag van € 1.473,20 worden toegewezen. Het meerdere tot € 2.000,- heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd en zal worden afgewezen.

5.20.

Het verzoek van [eiser] om met betrekking tot de ter zitting overgelegde productie 10 gebruik te maken van de in artikel 29 lid 1 sub b Rv neergelegde bevoegdheid

zal de voorzieningenrechter, gelet op het vertrouwelijk karakter daarvan en bij gebreke van bezwaar van Agruniek c.s. toewijzen, zoals hierna vermeld.

5.21.

Agruniek c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 282,00

- overige kosten € 0,00

- salaris advocaat € 904,- (2 punten x tarief II)

Totaal € 1.279,50

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Ter beoordeling ligt voor de vordering van Agruniek Voer en Conabij tot betaling van onbetaald gelaten facturen, die betrekking hebben op na 19 augustus 2014 ( de peildatum van het crediteurenakkoord) verrichte leveringen. De vordering van Agruniek Voer bedraagt in hoofdsom € 22.794,37; die van Conabij in hoofdsom € 1.589,45 (in totaal dus € 24.383,82), te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke incassokosten. Zij leggen aan die vorderingen ten grondslag dat [eiser] in het crediteurenakkoord heeft toegezegd dat facturen, die betrekking hebben op leveringen na voornoemde peildatum zullen worden voldaan.
6.2. Het spoedeisend belang is aanwezig. Immers, nu op korte termijn uitvoering zal worden gegeven aan het crediteurenakkoord, hebben Agruniek Voer en Conabij belang bij een oordeel of hun vorderingen op grond van het crediteurenakkoord verschuldigd zijn. Een restitutierisico aan de zijde van Agruniek Voer en/of Conabij is gesteld noch gebleken. De vordering is bovendien in ieder geval voor een bedrag van € 20.658,10 voldoende aannemelijk, omdat [eiser] de leveringen en de hoogte van dit gefactureerde bedrag niet heeft betwist.

6.3.

[eiser] betwist wel dat hij gehouden is deze facturen te betalen. Ten aanzien van een bedrag € 3.315,90 respectievelijk € 209,82 (in totaal € 3.725,72) betwist hij de verschuldigdheid aan Agruniek Voer respectievelijk Conabij, omdat deze bedragen zouden zien op facturen van voor 19 augustus 2014 waarop het crediteurenakkoord betrekking heeft. Dit hebben Agruniek Voer en Conabij niet betwist. Ten aanzien van de resterende vordering in hoofdsom en daarover verschuldigde rente beroept [eiser] zich op verrekening met betalingen van € 21.098,06 aan Agruniek Voer en van € 2.053,81 aan Conabij (in totaal € 23.151,87) die hij op 2 september 2014 heeft verricht ter zake van leveringen van voor 19 augustus 2014.

6.4.

Dit beroep op verrekening slaagt. Ingevolge het crediteurenakkoord, waaraan Conabij en Agruniek Voer blijkens het vonnis in conventie moeten meewerken, hebben zij recht op voldoening van 15% respectievelijk 25% van de op 19 augustus 2014 openstaande vordering, en verder op volledige betaling van de na 19 augustus 2014 ontstane vorderingen.
[eiser] heeft op de schuld die openstond op 19 augustus 2014 - dit is niet betwist - op
2 september 2014 een bedrag van € 21.098,06 aan Agruniek Voer en van € 2.053,81 aan Conabij afgelost. Dit betekent, dat, indien Agruniek Voer en Conabij ingevolge het crediteuren akkoord de genoemde percentages van hun per 19 augustus 2014 openstaande vorderingen zouden ontvangen, zij per saldo meer zou ontvangen dan waartoe zij ingevolge het crediteurenakkoord gerechtigd zijn. Het akkoord houdt in dat zij voor het meerdere afstand van recht hebben gedaan. De door [eiser] op 2 september 2014 betaalde bedragen heeft hij dus - achteraf beschouwd - onverschuldigd betaald. [eiser] is daarom bevoegd de vorderingen van Agruniek Voer en Conabij te verrekenen met de door hem reeds betaalde bedragen. De vorderingen in reconventie van Agruniek Voer en Conabij is na verrekening per saldo nihil.

6.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de vorderingen in reconventie en de nevenvorderingen moeten worden afgewezen.

6.6.

Agruniek Voer en Conabij zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op

€ 527,- voor salaris advocaat.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt Agruniek Voer tot betaling aan [eiser] van € 1.473,20.

7.2.

veroordeelt Agruniek Voer en Conabij ieder, om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis, medewerking te verlenen aan de hen door [eiser] aangeboden crediteurenregeling door binnen deze termijn de desbetreffende namens [eiser] aan hen gerichte brieven van 21 augustus 2014 (productie 17 bij dagvaarding) respectievelijk
25 augustus 2014 (productie 18 bij dagvaarding) voor akkoord te ondertekenen en aan [eiser] te verstrekken, alsmede te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van deze medewerking indien gedaagden na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn hun medewerking aan de crediteurenregeling nog niet hebben verleend;

7.3.

gebiedt Agruniek Voer en AgruniekRijnvallei U.A. om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan doorhaling van de hypotheek zoals die blijkens de hypotheekakte van 4 augustus 2011 (productie 9 in de dagvaarding) ten behoeve van Coöperatie Agruniek is gevestigd op het daarin genoemde onderpand van [eiser] in de openbare registers door middel van een daartoe door [eiser] aan te wijzen notaris (of diens plaatsvervangers bij ontstentenis), alsmede te bepalen dat indien Agruniek Voer en AgruniekRijnvallei U.A. niet binnen de hiervoor genoemde termijn aan dit gebod voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van deze medewerking;

7.4.

bepaalt dat het Agruniek c.s. verboden is aan derden mededeling te doen omtrent (de inhoud) van productie 10 bij dagvaarding;

7.5.

veroordeelt Agruniek c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.279,50;

7.6.

verklaart dit vonnis, wat betreft de onder 7.1. tot en met 7.4. vermelde veroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad;

7.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7.8.

wijst de vorderingen af;

7.9.

veroordeelt Agruniek c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.279,50;

7.10

verklaart dit vonnis, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2014.