Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8092

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
2195677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemen van steun in de zin van artikel 5:37 BW. Na deskundigenbericht: verwijdering keermuur op eigen perceel onrechtmatig jegens de buren”.

zie ook Ecli RBGEL 2014:8092

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 2195677 \ CV EXPL 13-9790 \ 398 / 413

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

1.

[eisende partij sub 1]

2.

[eisende partij sub 2]

3.

[eisende partij sub 3]

allen wonende te [woonplaats]

gemachtigde mr. M. van den Bos

eisende partijen

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gemachtigde mr. J. Kamphuis

gedaagde partij

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 maart 2014 en de daarin genoemde processtukken

- het deskundigenbericht d.d. 25 juni 2014

- de conclusies na deskundigenbericht van beide partijen.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenvonnissen van 5 februari en 26 maart 2014.

2.2.

De deskundige heeft de vragen van de kantonrechter in zijn deskundigenbericht als volgt beantwoord:

“1. Heeft het verwijderen van de keermuur gevolgen voor het perceel van [eisende partij]?

Ja. Geconstateerd kan worden dat het verwijderen van de keermuur het afgelopen jaar nog geen gevolgen heeft gehad voor het perceel van [eisende partij] De aanwezige situatie is echter op basis van de geotechnische norm niet stabiel en er kan feitelijk op ieder moment, al dan niet onder invloed van een verkeersbelasting op het perceel van [eisende partij] of extreme weersomstandigheden, sprake zijn van bezwijken van het talud. Bij het bezwijken zal het talud een helling van circa 1:2 gaan aannemen, waarbij het aannemelijk is dat een deel van het perceel van [eisende partij] (tussen de 0,5 en 1,0 m van de erfgrens) afschuift in de richting van het perceel van [gedaagde partij]. Ook voor het perceel van [gedaagde partij] zijn er dan dus gevolgen omdat het talud mogelijk tot aan de aanwezige kapschuur onderuit zal zakken.

Om op korte termijn het bezwijken van het talud te voorkomen wordt geadviseerd om het perceel van [eisende partij] ter plaatse van de verwijderde keermuur uitsluitend nog met licht verkeer (personenauto's) te betreden.

2. Zo ja, welke gevolgen zijn dat en op welke termijn zijn deze te verwachten?

Onder punt 1 is reeds aangegeven wat de gevolgen zullen zijn bij het bezwijken van het talud als gevolg van macro instabiliteit Het is vrijwel onmogelijk aan te geven op welk moment deze macro instabiliteit zal optreden. Aangezien er reeds bijna een jaar voorbij is sinds het verwijderen van de keermuur is het waarschijnlijker dat het talud de komende periode vooral door micro instabiliteit (erosie) verder zal afkalven. Dit zal voor het perceel van [eisende partij] betekenen dat op enig moment de geplaatste perkoenpalen aan de bovenzijde van het talud zullen gaan vervormen. Deze perkoenpalen hebben dus onbedoeld een signaalfunctie. Zodra vervormingen ter plaatse van de perkoenpalen zichtbaar worden is sprake van het bezwijken van het aanwezige talud.

3. Wat kost het opnieuw doen oprichten van een keermuur?

Op basis van de genoemde bevindingen is door een onafhankelijke kostendeskundige een kostenopstelling gemaakt voor het opnieuw doen oprichten van een keermuur. Deze kostendeskundige heeft zich daarbij gebaseerd op zijn ervaringen met het herstel van soort gelijke constructies en daarbij een prijspeil anno 2014 gehanteerd.

In bijlage 3 zijn twee kostenopstellingen gepresenteerd voor het opnieuw doen oprichten van een keermuur. De goedkoopste variant gaat uit van het opnieuw opmetselen van een dubbelsteens keermuur op de bestaande, nog aanwezige fundering, met behulp van standaard nieuwe bakstenen. Deze variant is begroot op circa € 10.000,- exclusief BTW. Gezien de cultuurhistorische waarde van de woerd en de aanwezige restanten van de keermuur is ook een begroting opgesteld voor het opnieuw opmetselen met handgevormde stenen, inclusief een onderzoek naar het nog aanwezige metselwerk. Voor die variant zijn de kosten begroot op bijna € 16.000 exclusief BTW.

De uitgewerkte variant met handgevormde stenen heeft slechts tot doel partijen te informeren over de meerkosten die hiermee gemoeid zijn, vanuit functionaliteit volstaat de toepassing van standaard nieuwe bakstenen.

4. Heeft u nog overige opmerkingen op uw vakgebied die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

De keermuur is volgens de verstrekte informatie verwijderd op 16 mei 2013. Wellicht dat de betreffende aannemer nog beschikt over de verwijderde stenen. Indien de keermuur met de oorspronkelijk stenen kan worden opgebouwd dan heeft dit een belangrijke kostenreductie tot gevolg.”

Van belang is verder nog dat de deskundige zeer waarschijnlijk acht dat de verwijderde keermuur dateert van vóór 1899 (pagina 7 van zijn rapport).

2.3.

De partijen hebben de bevindingen van de deskundige niet bestreden. Deze zijn duidelijk en overtuigend gemotiveerd. Ze zullen aan de beslissing ten grondslag worden gelegd.

2.4.

Volgens de deskundige heeft het verwijderen van de keermuur feitelijk nog geen gevolgen gehad voor het perceel van [eisende partij], maar is hierdoor wel de situatie geschapen dat het talud op ieder moment kan bezwijken. Aannemelijk is dat tussen een halve en één meter van het perceel van [eisende partij] zal afschuiven in de richting van het perceel van [gedaagde partij]. Verder concludeert de deskundige dat aannemelijk is dat het talud de komende periode vooral door erosie verder zal afkalven hetgeen op termijn, wat het perceel van [eisende partij] betreft, tot vervorming van de perkoenpalen zal leiden, hetgeen het bezwijken van het talud impliceert. Hieruit volgt dat [gedaagde partij], door de keermuur te laten verwijderen, steun heeft ontnomen in de zin van artikel 5:37 BW. Ter zake van de vraag of dit jegens [eisende partij] onrechtmatige hinder oplevert, geldt het volgende.

2.5.

Uit de hierboven samengevatte bevindingen van de deskundige volgt dat, hoewel niet direct, van het verwijderen van de keermuur in de toekomst ernstige en ook schadelijke gevolgen te verwachten zijn voor het perceel van [eisende partij] en de zich daarop in de nabijheid van het talud bevindende palen, coniferen en bestrating.

2.6.

Hier staat tegenover dat de verwijdering enkel is ingegeven door onvrede aan de zijde van [gedaagde partij] over de aanblik van de muur, over de bouwkundige staat ervan en over de afwerende houding van [eisende partij] ten opzichte van eventueel renovatiewerk aan de oude muur. Dat afbraak vanwege een slechte bouwkundige staat noodzakelijk was (althans dat haar vrees voor instorting gerechtvaardigd was) heeft [gedaagde partij], in het licht van de betwisting daarvan door [eisende partij], onvoldoende toegelicht. Enige concrete onderbouwing heeft zij niet verschaft. Het is gebleven bij de blote stelling dat de muur (als gevolg van trillingen veroorzaakt door zwaar verkeer op het perceel van [eisende partij]) is aangetast en dat de aannemer - die met de afbraak zou worden belast - heeft verklaard dat de muur rot was. De ouderdom van de muur is in dit verband niet voldoende, nu daaruit op zichzelf evengoed kan volgen dat de muur degelijk was. Anders dan [gedaagde partij] suggereert, heeft de deskundige zich over de staat van de verwijderde muur niet uitgelaten. Dat het uit bouwkundig oogpunt noodzakelijk was de muur te verwijderen, kan dan niet worden vastgesteld. Het gewicht van de met de verwijdering van de keermuur gediende belangen van [gedaagde partij] is dus niet groot.

2.7.

Verder is nog van belang dat de kosten van het nemen van maatregelen ter voorkoming van schade, de kosten dus van het opnieuw oprichten van de keermuur, weliswaar aanzienlijk zijn, maar dat [gedaagde partij] zelf tot afbraak is overgegaan, zonder dat de noodzaak daartoe (in een op voorhand door [gedaagde partij] aan te spannen gerechtelijke procedure, zoals op zichzelf in de rede lag) is komen vast te staan. Zij heeft de kosten dan in zekere zin aan zichzelf te wijten.

2.8.

Al met al is de kantonrechter van oordeel dat de toekomstige (schadelijke) gevolgen van de verwijdering van de keermuur voor (het perceel van) [eisende partij] zo ernstig zijn en de toegebrachte hinder daarom van dien aard is, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat [gedaagde partij], door de muur te doen verwijderen, heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, hetgeen op die voet jegens [eisende partij] onrechtmatig is. [gedaagde partij] heeft aldus gehandeld in strijd met de uit artikel 5:37 BW voortvloeiende rechtsplicht de keermuur niet te verwijderen. Zij is dan ook gehouden eenzelfde muur weer op te richten. [gedaagde partij] zal daartoe, zoals [eisende partij] primair hebben gevorderd, op de voet van artikel 3:296 BW worden veroordeeld, zij het dat haar daartoe niet twee, maar vier weken zullen worden gegund. De gevorderde dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan de veroordeling gevolg te geven, is op de voet van artikel 611a Rv toewijsbaar, zij het, met toepassing van artikel 611b Rv, tot een maximum van € 50.000,00.

2.9.

[gedaagde partij] heeft nog opgeworpen dat naar matstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de volledige kosten van het opnieuw oprichten van de keermuur voor haar rekening komen. Zij heeft daartoe gewezen op een weigering van [eisende partij] om bij te dragen in de kosten van onderhoud van de muur. Wat daarvan zij, het was zoals gezegd aan [gedaagde partij] om dat geschil aan de rechter voor te leggen. Een omstandigheid die onaanvaardbaar maakt dat zij de kosten van het miskennen van artikel 5:37 BW draagt, levert dit niet op.

2.10.

[gedaagde partij] heeft niet een eis in reconventie ingesteld strekkende tot het delen van de kosten van het opnieuw oprichten van de keermuur op de voet van artikel 5:49 BW, of aanspraak gemaakt op een vergoeding op basis van een eventueel door verjaring onstane erfdienstbaarheid tot het dulden van een keermuur ten behoeve van [eisende partij] Het is gebleven bij het suggereren van deze mogelijkheden in de conclusie na deskundigenbericht. Wat van deze standpunten ook zij, een beoordeling ervan door de kantonrechter is dan in deze procedure niet mogelijk.

2.11.

Aannemelijk is, gelet op onder meer (de inhoud van) de brief van de gemachtigde van [eisende partij] aan de advocaat van gedaagde van 19 februari 2013 en op haar e-mail van 13 mei 2013, dat [eisende partij] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is niet in overeenstemming met de gebruikelijke en redelijke tarieven. Op basis van deze tarieven wijst de kantonrechter een bedrag van € 363,00 toe.

2.12.

[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Aan verschotten betreffende het opvragen van adresinformatie wordt niet meer dan het forfaitaire bedrag van € 1,97 toegewezen, omdat geen factuur is overgelegd waaruit blijkt dat hogere kosten zijn gemaakt.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen vier weken na heden de keermuur weer aan te brengen,

3.2.

veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 363,00,

3.3.

veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 3.1. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

3.4.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 94,45 aan dagvaardingskosten, € 75,00 aan griffierecht, € 450,00 aan salaris voor de gemachtigde, en € 3.388,00 ter zake van de kosten van het deskundigenbericht;

3.5.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op