Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8091

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
2195677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Ontnemen van steun in de zin van artikel 5:37 BW. Bevel deskundigenbericht”

zie ook RBGEL:2014:8092

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 2195677 \ CV EXPL 13-9790 \ 455 \ 507

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

1.

[eisende partij sub 1]

2.

[eisende partij sub 2]

3.

[eisende partij sub 3]

allen wonende te [plaats]

gemachtigde mr. M. van den Bos

eisende partijen

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [plaats]

gemachtigde mr. J. Kamphuis

gedaagde partij

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 oktober 2013 en de daarin genoemde processtukken

- de brief van de zijde van [eisende partij] d.d. 31 december 2013 houdende een akte aanvulling eis

- de brief van de zijde van [eisende partij] d.d. 13 januari 2014 houdende een akte aanvulling eis en rechtsgronden

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 17 januari 2014.

2 De feiten

2.1.

De partijen zijn buren. [eisende partij] is eigenaar van het perceel aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats] [sectie]. [gedaagde partij] van het perceel aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats] [sectie]. Bij akte van levering van 17 december 1996 is het perceel van [eisende partij] door de erven van [erflater 1], overleden op [dag en maand] 1991, aan [eisende partij] geleverd. Dit perceel was door [erflater 1] verkregen op 3 juni 1953. Hij was ook eigenaar van het perceel van [gedaagde partij]. Zij heeft dit perceel na het overlijden van haar echtgenoot [erflater 2] op[dag en maand] 1997, door erfopvolging verkregen. [erflater 2] was zoon en één van de erfgenamen van [erflater 1].

2.2.

De betrokken percelen zijn op de kadastrale kaart hieronder weergegeven. Ter hoogte van ongeveer de achterste 15 meter van het perceel van [eisende partij] heeft, in ieder geval sinds 1953, evenwijdig aan de perceelsgrens maar volledig op thans het perceel van [gedaagde partij], een bakstenen keermuur gestaan van ongeveer 90 cm hoog (door de kantonrechter met vijf pijlen op de kaart aangegeven.) Deze muur overbrugde het verschil tussen het maaiveld van het perceel van [gedaagde partij] en het hoger gelegen perceel van [eisende partij], zij het dat achter de keermuur nog een enkele tientallen centimeters brede strook van het perceel van [gedaagde partij] ligt die op gelijke hoogte ligt als het perceel van [eisende partij]

2.3.

Bij brief van 11 september 2012 heeft [gedaagde partij] aan eiser sub 3 laten weten dat zij zich ernstig zorgen maakt over de staat van de keermuur die, volgens [gedaagde partij], als gevolg van trillingen van (zwaar) verkeer op het perceel van [eisende partij] scheuren vertoont en waarvan voegen loslaten. [gedaagde partij] verzoekt een minnelijke oplossing van de schade, echter zonder in dat verband kosten te willen maken.

2.4.

Bij brief van 4 december 2012 heeft [gedaagde partij] aan eiser sub 3 laten weten dat zij voornemens is de keermuur op termijn te (laten) verwijderen. De kosten van vervanging c.q. verbetering van de muur, door een aannemer geschat op ad € 8.000,00, wenst zij niet te dragen.

2.5.

Bij brief van 12 februari 2013 heeft [gedaagde partij] aan eiser sub 3 laten weten dat een aannemer op korte termijn de muur zal gaan verwijderen.

2.6.

Bij brief van 19 februari 2013 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] bericht dat vervanging van of onderhoud aan de muur niet nodig is en dat [gedaagde partij] indien zij de muur laat verwijderen aansprakelijk wordt gehouden voor de schade als gevolg daarvan.

2.7.

Bij brief van 25 februari 2013 heeft [gedaagde partij] aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.8.

Bij brief van 13 mei 2013 heeft [gedaagde partij] [eisende partij] laten weten dat de keermuur op 16 en 17 mei zal worden verwijderd. Een dag later laat zij berichten dat zij, gelet op hetgeen in het verleden tussen partijen allemaal is voorgevallen, niet wenst in te gaan op het voorstel van [eisende partij] om met een mediator of via buurtbemiddeling tot een passende oplossing te komen en dat zij de opdracht tot verwijdering van de muur zal doorzetten.

2.9.

Op 16 en 17 mei 2013 is de keermuur in opdracht van [gedaagde partij] verwijderd en is de daarachter gelegen grond afgegraven, volgens [gedaagde partij] tot op 10 centimeter van de erfgrens. Aan verzoeken van [eisende partij] een nieuwe muur te plaatsen heeft zij niet voldaan.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert – na vermeerdering van eis, waartegen [gedaagde partij] zich niet heeft verzet – dat de kantonrechter [gedaagde partij] zal veroordelen tot:

-primair het terugbrengen van de muur binnen twee weken na dagtekening van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde partij] daarmee in gebreke blijft,

-subsidiair schadevergoeding nader op te maken bij staat,

-betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 750,00,

-betaling van de proceskosten.

[eisende partij] baseert zijn vordering op misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 lid 2 BW ([gedaagde partij] misbruikt haar bevoegdheid als eigenaar met geen ander doel dan [eisende partij] te schaden) en onrechtmatige daad, op de voet van artikel 5:37 j° artikel 6:162 BW (door het doen verwijderen van de keermuur heeft [gedaagde partij] steun ontnomen en aldus op onrechtmatige wijze hinder toegebracht aan [eisende partij]).

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde partij] heeft onder meer opgeworpen dat zij de muur heeft laten verwijderen omdat deze volgens haar zo was beschadigd door trillingen veroorzaakt door verkeer op het perceel van [eisende partij] dat voor instorten moest worden gevreesd, omdat volgens de aannemer de muur rot was, en omdat zij uit esthetisch oogpunt de beschadigde muur niet langer kon aanzien. [eisende partij] heeft een en ander betwist, maar uit de summiere feiten en omstandigheden waarop hij in dat verband heeft gewezen volgt niet dat de door [gedaagde partij] gestelde redenen voor verwijdering niet (mede) kunnen hebben geleid tot haar beslissing de muur te laten verwijderen. Dat het verwijderen van de keermuur geen ander doel had dan [eisende partij] te schaden heeft hij aldus onvoldoende toegelicht. De vordering is derhalve niet toewijsbaar op de grondslag van artikel 3:13 lid 2 BW.

4.2.

Ter zake van de grondslag van artikel 5:37 BW is het de vraag of hier sprake is van onrechtmatige hinder. Daarvoor is nodig dat met de verwijdering van de keermuur steun is ontnomen en dat dit [eisende partij] hinder oplevert in een mate of op een wijze die onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. Hierbij komt het erop aan welk gevolg (en welke schade) de verwijdering voor [eisende partij] feitelijk heeft c.q. zal gaan hebben. Indien deze voldoende ernstig is kan sprake zijn van een handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Verder moet rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen van [gedaagde partij] die met de verwijdering zijn gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. (Vergelijk HR 15 februari 1991, NJ 1991/639.)

4.3.

Ter comparitie heeft [eisende partij] in dit verband gesteld dat zijn perceel als gevolg van het weghalen van de keermuur zal gaan verzakken, dat er grond zal gaan wegspoelen en dat je dan met een probleem zit. Dit is slechts een kwestie van tijd. Er zijn al kluiten klei naar beneden gekomen, aldus [eisende partij] [gedaagde partij] werpt op dat van het ontnemen van steun geen sprake is, dat thans van verzakking geen sprake is en voorts dat over eventuele verzakking in de toekomst niets zinnigs valt te zeggen.

4.4.

De kantonrechter acht het wenselijk hierover een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, stelt de kantonrechter partijen in de gelegenheid zich daarover uit te laten, alsmede over het aantal, het specialisme en de naam (namen) van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. De kantonrechter geeft partijen in overweging gezamenlijk (een) deskundige(n) voor te stellen. De kantonrechter verwijst de zaak hiertoe naar de rol.

4.5.

De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van de geotechniek en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Heeft het verwijderen van de keermuur gevolgen voor het perceel van [eisende partij]?

2. Zo ja, welke gevolgen zijn dat en op welke termijn zijn deze te verwachten?

3. Wat kost het opnieuw doen oprichten van een keermuur?

4. Heeft u nog overige opmerkingen op uw vakgebied die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

4.6.

Gelet op de hoofdregel van artikel 195 Rv moet [eisende partij] het voorschot op de kosten van de deskundige(n) betalen. In het eindvonnis zal worden beslist wie van partijen de kosten van die deskundige uiteindelijk moet dragen.

4.7.

[gedaagde partij] stelt verder, zo begrijpt de kantonrechter, dat de gebrekkige staat van de keermuur de verwijdering daarvan door [gedaagde partij] rechtvaardigde. Het is, in het geval geoordeeld wordt dat op zichzelf sprake is van onrechtmatige hinder, aan [gedaagde partij] om de door [eisende partij] betwiste gebrekkigheid van de muur, te bewijzen. Mogelijk is ook in dat verband dan voorlichting door een onafhankelijke deskundige aangewezen.

4.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter

bepaalt dat partijen op de rolzitting van woensdag 19 februari 2014 om 11.30 uur hun reactie kunnen geven over de aangekondigde deskundigenrapportage;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op