Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:8090

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
265603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Mededelingsplicht (art. 7:928 lid 1 BW) niet nagekomen door geen informatie te verstrekken over klachten en medicatie. De gevraagde verklaring voor recht, dat Achmea is gehouden de arbeidsongeschiktheidsverzekering na te komen, wordt dus afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 3, p. 160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/265603 / HA ZA 14-317

Vonnis van 17 december 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. E.A. Echter te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. H.E. Foudraine te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Achmea genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 augustus 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Achmea heeft [eiser] op 8 januari 2010 een brief met daarbij een persoonlijke offerte voor de “Ondernemers AOV Compleet” (productie 1 bij dagvaarding) gestuurd.

Bij deze brief was ook een “Toelichting telefonische gezondheidsverklaring” (productie 2 bij dagvaarding) gevoegd. Hierin staat onder meer het volgende:

“(…)

Voor de definitieve acceptatie van uw aanvraag hebben wij medische informatie nodig. Daarom bellen wij u om u een aantal vragen over uw gezondheid te stellen. En dit leidt tot een ‘telefonische gezondheidsverklaring’.

(…)

Twee dagen na het gesprek ontvangt u een verslag van het telefoongesprek. U kunt zo nalezen of de juiste informatie is vastgelegd. Uiteraard kunt u eventueel correcties op de verklaring aanbrengen. Als wij de verklaring ondertekend hebben ontvangen, gaat de behandeling van uw aanvraag verder.

(…)

Waar u aan moet denken bij de beantwoording van de vragen

Ook als u in het verleden klachten heeft gehad waarvan u nu denkt dat ze minder belangrijk zijn, moet u dit melden. Dan moet u de vraag of u een onderzoek heeft ondergaan met ‘ja’ beantwoorden, ook als de arts toen geen afwijking heeft geconstateerd of behandeling niet nodig vond.

Wij zijn niet verplicht u een uitkering te doen als de arbeidsongeschiktheid, of de verergering daarvan, een oorzaak heeft die bestond voor de ingangsdatum van de verzekering, terwijl u dit niet heeft gemeld bij het aangaan van de verzekering. Het is belangrijk dat u de vragen naar waarheid, zo volledig mogelijk en zonder voorbehoud beantwoordt.

(…)

Wie beoordeelt uw gezondheid?

(…)

Geeft de beoordeling aanleiding voor extra onderzoek dan vindt dit onderzoek altijd plaats onder verantwoordelijkheid van een medisch adviseur. (…)

Wat betekent een eventueel advies van een medisch adviseur voor de aanvraag?

De medisch adviseur beoordeelt of er in de toekomst een verhoogd risico op arbeidsongeschiktheid is. De gezondheidsverklaring (en eventuele keuring) geven soms onvoldoende informatie om het risico in te schatten. De medisch adviseur kan dan besluiten extra informatie op te vragen bij uw huisarts of specialist. Dit gebeurt uitsluitend met uw toestemming. (…)”.

2.2.

Uit een bericht van het OLVG (productie 4 bij dagvaarding) blijkt dat [eiser] zich op 24 februari 2010 heeft gemeld (per ambulance) bij de spoedeisende hulp aldaar. Conclusie was dat sprake was van passagere hartkloppingen.

2.3.

In een brief van het OLVG aan [eiser] huisarts (productie 13 bij dagvaarding) staat het volgende:

“(…)

Bovengenoemde patiënt was van 23-03-2010 tot 24-03-2010 opgenomen op de afdeling Cardiologie van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis.

Reden van komst

Duizeligheid.

(…)

Cardiale voorgeschiedenis:

SEH presentatie februari 2010 ivm duizelingen en snel hartbonzen toen geen afwijkingen gevonden, poliklinische analyse loopt.

Medicatie bij opname:

Oxazepam zn 10 mg sinds februari 2010

(…)

Anamnese

(…)

Sinds februari zijn de klachten op en af aanwezig waarbij er regelmatig zowel in rust als bij inspanning hartbonzen optreedt. (…)

Een enkele keer nemen de klachten af na oxazepam, niet altijd.

(…)

Decursus

Patient werd opgenomen op de afdeling cardiologie in verband met duizeligheidsklachten die sinds enkele maanden bestaan. Bij lichamelijk onderzoek en bij laboratorium onderzoek werden geen afwijkingen gevonden. (…) Er kan dus geen cardiale oorzaak gevonden voor de duizeligheid. Differentiaal diagnostisch wordt met name gedacht aan stress/emotie gerelateerde klachten. Patient werd naar huis ontslagen en geadviseerd om bij blijvende klachten contact op te nemen met de huisarts.

Er kan dan gezocht worden naar een niet-cardiale verklaring voor zijn klachten, mogelijk met behulp van de neuroloog. Er zal eenmaal poliklinische controle plaatsvinden.

(…)”.

2.4.

Uit een waarneembericht voor [eiser] huisarts van 24 maart 2010 (productie 13 bij dagvaarding) blijkt van een nacht/dienst telefonisch consult met als urgentie classificatie dringend. Dit bericht vermeldt onder meer het volgende:

“(…) Dhr is afgelopen week 3x bij de Seh bij de OLVG geweest met hartkloppingen. Is Maandag opgenomen geweest ter observatie, moest een aantal testen doen. Er waren geen aanwijzingen die naar hartproblemen verwijzen. Is vanochtend weer ontslagen. Belt nu dat hij weer last heeft van hartkloppingen. Wil overleggen wat hij moet doen. Benauwd-, kortademig-, pijn op de borst-, zweterig-, misselijk, braakneiging-, beklemmende gevoel op de borst, unheimlich gevoel?

(JON) net vanmorgen weer uit OLVG, observatie, Holter etc geen verklaring. Gaat nog naar neuroloog. Angstig omdat ij weer duizelig werd bij wandelen met hond

(P)(JON) extra oxazepam innemen, gaat morgen naar s.u.”.

2.5.

De verwijsbrief van [eiser] huisarts, ter attentie van de Poli Neurologie van het OLVG (productie 13 bij dagvaarding), naar aanleiding van een consult op

25 maart 2010, vermeldt:

“(…)

Bovengenoemde patient verwijs ik hierbij wegens:

Duizeligheid.

Is net geheel door de afdeling cardiologie nagezien die de klachten niet kon verklaren en een consult neuroloog voorstelde. De klachten kunnen goed een psychogene oorzaak hebben.

(…)”.

2.6.

Bij [eiser] is op 25 maart 2010 een gezondheidsverklaring (productie 2 bij dagvaarding) afgenomen. Op vraag 1.b (Hebt u op dit moment klachten, ziekten of aandoeningen?) heeft hij nee geantwoord.

Bij vraag 4 (Heeft u één van de volgende klachten, ziekten of aandoeningen (gehad)?) heeft hij onder c (Hartkloppingen, kortademigheid, verhoogde bloeddruk? Ziekte van hart- of bloedvaten, beklemming of pijn op de borst?) ja geantwoord. Daarop heeft hij de volgende toelichting gegeven:

“Ik heb 4 weken geleden wat last gehad van hartkloppingen. Ik heb toen een overlijden van een familielid doorgemaakt en dat heeft me behoorlijk aangegrepen. Ik had dit soort klachten nog nooit gehad dus ben naar het ziekenhuis geweest voor onderzoek. Ze hebben me toen 2 x uitgebreid onderzocht (inclusief inspanningstesten etc) en daaruit bleek niets bijzonders. Ze noemden het passagere hartklachten.

Wanneer 2010

Duur van de klacht, ziekte of aandoening 1 dag

Hebt u nog steeds klachten Nee

(…)

Bent u behandeld door een hulpverlener Ja

Welke hulpverlener Cardioloog

(…)

Frequentie 2 x

(…)

Opgenomen geweest Ja

Wanneer maart 2010

Duur opname nvt: voor 2 onderzoeken naar ziekenhuis geweest

Vraag 4 m ((Kinder)verlamming, toevallen, flauwtes, duizelingen, hoofdpijnen?) heeft hij ontkennend beantwoord.

Op 27 maart 2010 heeft [eiser] deze verklaring ondertekend.

2.7.

Het verslag van de neuroloog (productie 13 bij dagvaarding), bestemd voor [eiser] huisarts, vermeldt het volgende:

“(…)

Op 13-4-2010 zag ik poliklinisch bovengenoemde patient. Vanaf half maart heeft hij aanvalletjes van duizeligheid, dat wil zeggen een licht en zweverig gevoel in het hoofd, maar geen vertigo. (…) De klachten zijn begonnen nadat hij ’s nachts ontwaakt was met hartkloppingen. (…)

Medicatie: oxazepam en een betablokker.

(…)”.

2.8.

Bij brief van 15 april 2010 (productie 3 bij dagvaarding) heeft Achmea [eiser] gevraagd haar te machtigen voor het opvragen van informatie bij de cardioloog bij wie hij onder behandeling is (geweest).

2.9.

De ingangsdatum van [eiser] arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Achmea is

21 april 2010.

2.10.

Op 28 november 2011 is [eiser] uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Per

juni 2012 maakt [eiser] aanspraak op een uitkering krachtens zijn AOV.

2.11.

Bij brief van 31 juli 2012 (productie 9 bij dagvaarding) schrijft [eiser] het volgende aan Achmea:

Tijdens de AOV aanvraag hebben zich, na het onverwacht overlijden van een naast familielid in februari 2010, palpitatieklachten voorgedaan. Deze klachten hadden zich nooit eerder voorgedaan en zijn onderzocht, in het OLVG in Amsterdam. De klachten zijn gemeld in het kader van de telefonische gezondheidsverklaring (…). Conform het medisch dossier (OLVG) betrof het passagere palpitatieklachten, onschuldig van aard (de afgelopen jaren niet onder medische behandeling geweest en ook geen medicijn gebruik). Het medisch verslag (OLVG) is destijds aan Centraal Beheer verstuurd, waarna acceptatie van de AOV verzekering heeft plaatsgevonden. (…)

Voor wat betreft de ‘neurologische klachten’, deze hebben betrekking gehad op een tekort aan vitamine B12 in 2010. De symptomen (duizeligheid, ‘spiersamentrekking’/verminderde spierkracht, slapeloosheid) hebben zich in mei/juni 2010 voor gedaan. Aangezien er voordien nooit klachten zijn geweest is er derhalve geen melding gemaakt m.b.t. de telefonische gezondheidsverklaring in een eerder stadium.

(…)

Zoals met de arbeidsdeskundige besproken heb ik destijds mijn werkzaamheden in augustus 2010 hervat. (…)

2.12.

Bij brief van 21 augustus 2012 (productie 10 bij dagvaarding) heeft Achmea [eiser] het volgende bericht:

“(…)

De medisch adviseur geeft hierover het volgende aan:

(…)

Recent is gebleken uit de door betrokkene toegestuurde gegevens van de bedrijfsarts dat hij vanaf 3 mei 2010 enkele maanden heeft verzuimd in verband met overlijden zwager en neurologische klachten op basis van vitamine B12-tekort.

(…)”.

2.13.

In een brief van 6 september 2012 (productie 19 bij dagvaarding) meldt [eiser] huisarts:

“(…)

Uw vragen:

1. De klachten zijn begonnen in de eerste maanden van 2010

2. Mijn spreekuur bezocht hij met duizeligheidsklachten voor het eerst 25-03-2010. Daarvoor waren er klachten van hartkloppingen waarvoor hij mij vanaf 25-02-2010 heeft bezocht.

3. (…)

4. Eind maart werd de heer [eiser] naar een psychotherapeut verwezen wegens aanhouden van duizeligheidsklachten. Tevens werd hij naar een neuroloog verwezen, (…).

In mei volgde nog een opname in het Sint Lucas ziekenhuis op de afdeling PAAZ ivm een depressie die uiteindelijk opklaarde na gebruik van sertraline 100mg

(…)”.

2.14.

In de brief van Achmea aan [eiser] van 27 september 2012 (productie 11 bij dagvaarding) staat het volgende:

“(…)

Nieuwe gegevens met betrekking tot de situatie vóór ingangsdatum van de verzekering zijn:

Gevraagd naar psychische klachten meldt de huisarts nu dat deze klachten al begonnen zijn in de eerste maanden van 2010.

Voor duizeligheidklachten is hij voor het eerst gezien door de huisarts op 25 maart 2010. In verband met deze klachten is betrokkene eind maart naar een psychotherapeut en een neuroloog verwezen. De opname van 23 maart 2010 tot 24 maart 2010 hield verband met duizeligheidklachten. Sinds februari 2010 gebruikt betrokkene Oxazepam. Sinds februari 2010 zijn de klachten op en af gegaan. Een cardiale oorzaak voor de duizeligheid werd niet gevonden. Differentiaal diagnostisch wordt gedacht aan stress/emotiegerelateerde klachten. Geadviseerd wordt om bij aanhouden van de klachten te zoeken naar andere verklaringen mogelijk met behulp van een neuroloog. Een poliklinische controle zou nog volgen.

Tenslotte is er een brief van de neuroloog 26 april 2010 waarin gemeld wordt dat betrokkene op 13 april 2010 is gezien op het spreekuur in verband met duizeligheidklachten. Er wordt afgesproken nog een MRI-scan te laten maken. Het vitamine B12 gehalte is laag. De neuroloog houdt de diagnose vooralsnog op aspecifieke klachten waarbij de uitslag van de MRI-scan nog moet volgen.

Overweging:

Uit de nieuwe informatie blijkt dat betrokkene naast hartkloppingen ook last had van duizeligheidklachten. De klachten hebben niet een dag geduurd maar zijn doorlopend vanaf begin 2010 tot in ieder geval 13 april 2010 aanwezig geweest. Er is geen lichamelijke verklaring gevonden voor de duizeligheidklachten. In de differentiaal diagnose wordt duidelijk verwezen naar spanningsgerelateerde klachten. Dit verklaart ook de verwijzing eind maart 2010 door de huisarts naar een psychotherapeut.

Reden van afwijzing

Gelet op volgende gegevens kan niet anders dan geconcludeerd worden dat betrokkene ten tijde van het acceptatieproces ten tijde van de ingangsdatum van de verzekering nog actuele klachten had: Volgens de huisarts zijn de “huidige” psychische klachten begonnen in de eerste maanden van 2010. Eind maart 2010 is betrokkene nog verwezen naar een psychotherapeut. Ten tijde van het acceptatieproces en twee dagen voor ingangsdatum van de verzekering gebruikte betrokkene een tranquillizer (Oxazepam).

Tevens was de diagnostiek ten tijde van de ingangsdatum van de verzekering nog niet geheel afgerond. Er moest nog op de uitlag van een MRI-scan gewacht worden en ook moest de psychotherapie nog starten.

Afwijzing verzekering

Op grond van het aanwezig zijn van actuele klachten ten tijde van de aanvraag maar ook nu de diagnostiek nog niet was afgerond, zou geconcludeerd zijn dat er een dermate verhoogd risico op een arbeidsongeschiktheidsclaim bestond dat geadviseerd zou zijn de aanvraag af te wijzen.

Daarom wijzen wij uw arbeidsongeschiktheidsclaim in verband met burn-out vanaf

28 november 2011 met terugwerkende kracht af. U had immers geen aanspraak op deze verzekering kunnen maken, omdat deze verzekering niet tot stand gekomen zou zijn.

Beëindiging arbeidsongeschiktheidsverzekering

Uw arbeidsongeschiktheidsverzekering is vanaf de datum van deze brief beëindigd. U bent vanaf deze datum niet meer verzekerd voor het risico van arbeidsongeschiktheid. (…)”.

2.15.

Bij brief van 4 maart 2013 (productie 13 bij dagvaarding) heeft [eiser] huisarts gemeld:

“(…)

Op basis van mijn gegevens van de heer [eiser] heb ik vastgesteld dat er geen verwijzing heeft plaatsgevonden naar een neuroloog of psycholoog in de periode voorafgaand aan

25 maart 2010 en is er in deze periode mijnerzijds geen gedachte geweest aan psychisch lijden.

Zoals gesteld in mijn brief aan Centraal Beheer dd 8-10-12 hebben verwijzingen in een latere fase in 2010 (april) plaatsgevonden. Oxazepam voor zover nodig is in deze periode verstrekt door de cardioloog. Het is niet ongebruikelijk dit voor te schrijven bij acute rouw.

(…)”.

Het daarbij gevoegde “Overzicht journaalregels van [eiser]” vermeldt het volgende:

25.02.2010

3 wkn geleden zwager overleden. Onduidelijke oorzaak. Onderzoek wordt nog gedaan. Heel veel geregel. Veel neemt hij op zich. Zwager was als broer voor hem. 2 x met spoed op de seh beland ivm acuut niet lekker worden, hartkloppingen, trillen. 2x uitgebreid onderzoek gedaan. Cardiologisch gb. Oxazepam gekregen, 2x genomen. Helpt goed. Wil graag nog wat extra.

02.03.2010

Vorige week wakker geworden met palpitaties, presentaties SEH OLVG => gb. troponine niet na 6 gecontroleerd overigens. Geen AP klachten. Geduid als angstaanval, emotiegerelateerd ivm overlijden van zwager. Vannacht weer palpitaties, nu afgewacht, ging vanzelf over. Neemt oxazepam voor slapen.

Komt vrijdag a.s. nog op controle bij cardio.

25.03.2010

Duizeligheidsaanvallen met hartkloppingen. Zit rechtop in bed. Kloppend suizend bij R oor

29.03.2010

Houdt duizeligheid bij inspannen.

31.03.2010

Vannacht met hartkloppingen weer ambu gebeld. Blijft duizelig bij inspannen.

(…)”.

Ook is bijgevoegd een medicatie-overzicht, waaruit blijkt dat aan [eiser] op 25 februari 2010 20 tabletten Oxazepam zijn afgeleverd, op 25 maart 2010 30 tabletten en op 16 april 2010 wederom 30 tabletten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat Achmea gehouden is de arbeidsongeschiktheidsverzekering met polisnummer [nummer] na te komen en te gebieden, op straffe van een dwangsom, dat Achmea binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de verzekeringsovereenkomst alsnog nakomt en overgaat tot uitkering krachtens deze verzekeringsovereenkomst vanaf 1 juni 2012 tot

18 december 2012, met veroordeling van Achmea in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende, kort samengevat, ten grondslag.

Volgens hem heeft hij in zijn gezondheidsverklaring alle feiten meegedeeld die hij kende of behoorde te kennen. Nu hij zijn mededelingsplicht volledig is nagekomen, heeft Achmea de verzekeringsovereenkomst ten onrechte beëindigd.

3.3.

Achmea voert verweer. Zij voert aan dat [eiser] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst zijn wettelijke mededelingsplicht niet is nagekomen. Had hij dit wel gedaan, dan zou zij de verzekeringsovereenkomst niet zijn aangegaan, aldus Achmea.

3.4.

Op de stellingen van partijen, voor zover van belang, wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] was verplicht voor het sluiten van de overeenkomst met Achmea aan Achmea alle informatie te verstrekken die hij kende of moest kennen en waarvan hij wist of moest weten dat deze informatie voor Achmea van belang was bij de vraag of zij [eiser] wilde verzekeren (artikel 7:928 lid 1 BW).

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser] deze verplichting niet nagekomen. Op het aanvraagformulier heeft hij de vragen die zagen op huidige klachten en gebruik van medicatie ontkennend beantwoord, terwijl hij bij herhaling Oxazepam voorgeschreven had gekregen en hij, eveneens bij herhaling (en dus niet alleen in februari 2010), duizeligheidsklachten ervoer.

Zijn betoog dat hij pas nadien wist dat het ging om psychische klachten heeft niet het gewenste resultaat. Het was immers niet aan hem om een diagnose door te geven, maar (enkel) om informatie over door hem ervaren klachten en/of gebruikte medicatie te verschaffen.

4.3.

Voor zover [eiser] heeft willen stellen dat Achmea met de door hem ingevulde machtiging in staat was geweest alle relevante informatie op te vragen, baat dit hem niet. Zoals Achmea terecht stelt, bepaalt artikel 7:928 lid 4 BW immers dat de verzekeringnemer er zich niet op kan beroepen dat de verzekeraar bepaalde feiten kent of behoort te kenen indien op een daarop gerichte vraag een onjuist of onvolledig antwoord is gegeven.

Wellicht ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het niet aan [eiser] – in medisch opzicht een leek – is om in het kader van de te verschaffen informatie een onderscheid te maken tussen volgens hem relevante en minder relevante informatie.

4.4.

Achmea heeft aangevoerd dat zij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben afgesloten; zij, althans haar medisch adviseur had, gelet op de (onduidelijkheid van de herkomst van de) bestaande klachten ten tijde van de aanvraag en het nog te verrichten onderzoek, zeker geen verzekeringsovereenkomst aangeboden, omdat het risico op uitval niet in te schatten was. [eiser] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het door [eiser] gevorderde zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal hij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op € 608,00 aan griffierecht en € 904,00 aan salaris advocaat (2,0 punten × tarief € 452,00).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 1.512,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2014.