Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7964

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
05/820614-14 en 05/820535-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft vandaag uitspraak gedaan in de zaak van een 62-jarige man uit Culemborg. De man is veroordeeld voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval terwijl hij onder invloed was van alcohol. De man is op de verkeerde weghelft gekomen en is toen gebotst tegen de auto van het slachtoffer. Het slachtoffer was een 54-jarige man uit Culemborg. Met dit tragische ongeval is onomkeerbaar en groot leed ontstaan voor de nabestaanden. Zij hebben op de zitting hun verdriet ook uitgesproken.

De man die het ongeval veroorzaakte, heeft zelf verklaard dat hij op de verkeerde weghelft kwam omdat hij een black-out had. De rechtbank was echter van oordeel dat dit niet kon worden bewezen.

Ook heeft de man tot op de zitting volgehouden dat hij, ondanks zijn alcoholgebruik, dacht dat hij nog wel kon rijden. De rechtbank vond dat de man hiermee een groot gebrek aan inzicht toonde.

De rechtbank heeft het verdachte vooral kwalijk genomen dat hij binnen zeven maanden na dit ongeval opnieuw met een forse hoeveelheid alcohol op is gaan rijden en opnieuw gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Ook hiervoor moest de man zich verantwoorden op zitting en ook hiervoor is hij vandaag veroordeeld.

De man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat hij moet worden behandeld voor zijn alcoholprobleem. Daarom worden van de gevangenisstraf zes maanden voorwaardelijk opgelegd, met als bijzondere voorwaarden dat de man zich laat behandelen voor zijn alcoholholproblematiek onder begeleiding en toezicht van de reclassering.

Voor alle feiten samen krijgt de man in totaal een rijontzegging van viereneenhalf jaar opgelegd. Tot slot krijgt de man een geldboete van € 600,00 voor het veroorzaken van gevaar op de weg. Dit laatste feit is voor de wet een overtreding, en geen misdrijf, en moet daarom apart bestraft worden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2015/6

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummers : 05/820614-14 en 05/820535-14

Datum zitting : 5 december 2014

Datum uitspraak : 19 december 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte] ,

geboren op : [geboortedatum] ,

adres : [adres] ,

plaats : [woonplaats] ,

raadsvrouw : mr. M. van Acquooij, advocaat te Zaltbommel.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is onder parketnummer 05/820614-14, na een toegestane vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 05 oktober 2013 in de gemeente Buren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Provinciale weg N320, komende uit de richting van Maurik en gaande in de richting van Rijswijk, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend

en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of

terwijl de weg ter plaatse bestond uit twee rijstroken, welke rijstroken door een dubbel onderbroken streep waren gescheiden, en/of

terwijl de weg, in zijn, verdachtes, rijrichting een flauwe bocht naar rechts maakte, en/of

aldaar heeft gereden met een hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die Provinciale weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) naar links heeft gestuurd, althans niet de rijrichting van de voor hem bestemde rijstrook heeft gevolgd en/of is blijven volgen, en/of

(daarbij) met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk is terecht gekomen op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte te (gaan) rijden, en/of

(daarbij) niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

(daarbij) een hem tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto met aanhangwagen) niet, althans niet tijdig, heeft waargenomen, en/of (vervolgens)(zonder te remmen en/of snelheid te minderen) op dat weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met deze, althans een hem (toen zeer dicht genaderd zijnde) personenauto met aanhangwagen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

terwijl het feit is veroorzaakt terwijl verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,02 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn; artikel 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 05 oktober 2013 in de gemeente Buren, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Provinciale weg N320, komende uit de richting van Maurik en gaande in de richting van Rijswijk, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of terwijl de weg ter plaatse bestond uit twee rijstroken, welke rijstroken door een dubbel onderbroken streep waren gescheiden, en/of terwijl de weg, in zijn, verdachtes, rijrichting een flauwe bocht naar rechts maakte, en/of aldaar heeft gereden met een hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die Provinciale weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) naar links heeft gestuurd, althans niet de rijrichting van de voor hem bestemde rijstrook heeft gevolgd en/of is blijven volgen, en/of (daarbij) met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk is terecht gekomen op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat

weggedeelte te (gaan) rijden, en/of (daarbij) niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of (daarbij) een hem tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto met aanhangwagen) niet, althans niet tijdig, heeft waargenomen, en/of (vervolgens)(zonder te remmen en/of snelheid te minderen) op dat weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met deze, althans een hem (toen zeer dicht genaderd zijnde) personenauto met aanhangwagen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. hij op of omstreeks 05 oktober 2013 in de gemeente Buren, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,02 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Aan verdachte is onder parketnummer 05/820535-14 ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 03 mei 2014 in de gemeente Buren, (op de N320 te Maurik), als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 455 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2. hij op of omstreeks 03 mei 2014 in de gemeente Buren, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg N320, slingerend heeft gereden, waarbij hij met het door hem bestuurde voertuig (meermalen) geheel of gedeeltelijk in de rechterberm is terechtgekomen en/of waarbij hij met het door hem bestuurde voertuig een aantal, althans één, hectometerpaaltje(s) omver heeft gereden, althans heeft geraakt, en/of op de kruising van de Rijksweg N320 met de Ravenswaaijsesteeg niet de voor hem bestemde rijbaan heeft gebruikt, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig over een rechts naast de weg gelegen markeringsblok gereden, en/of (vervolgens) heeft gereden terwijl de rechterachterband van het door hem verdachte voertuig stuk was, waarbij of waardoor (tijdens het rijden) de rechterachterband van de velg is afgelopen), en/of (vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig (gedeeltelijk) in de berm tot stilstand is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaken zijn op 5 december 2014 ter terechtzitting onderzocht en zijn gevoegd behandeld. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M. van Acquooij, advocaat te Zaltbommel.

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van de onder 05/820614-14 tenlastegelegde feiten 1 en 2 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 5 oktober 2013 reed verdachte als bestuurder van zijn personenauto over de Provinciale weg N320, in de gemeente Buren, komende uit de richting van Maurik en gaande in de richting van Rijswijk. Deze weg bestaat uit twee rijstroken die door een dubbel onderbroken streep van elkaar zijn gescheiden. De weg maakt een, in de rijrichting van verdachte, flauwe bocht naar rechts.2 De maximaal toegestane snelheid is 80 kilometer per uur.3
Terwijl verdachte daar reed, verkeerde hij onder de invloed van alcohol. Zijn bloed bevatte (om 21.19 uur diezelfde avond) 1,02 milligram alcohol per milliliter bloed.4
Verdachte is op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen, waar hij vervolgens in botsing is gekomen met een daar rijdende personenauto met aanhanger.5 Als gevolg van dit ongeval is de bestuurder van laatstgenoemde personenauto, [slachtoffer] , (hierna te noemen: het slachtoffer) komen te overlijden.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Meer in het bijzonder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte een grove verkeersfout heeft begaan als gevolg waarvan iemand anders is komen te overlijden. Ook acht de officier van justitie het onder feit 2 ten laste gelegde feit (rijden onder invloed van alcohol) wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

Weliswaar kan bewezen worden dat verdachte te hard heeft gereden, maar het gaat om een relatief beperkte snelheidsovertreding (8 kilometer per uur te hard, uitgaande van de door de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) berekende ondergrens). Ook had verdachte tweemaal de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed; dit maakt echter niet dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De enige verklaring die verdachte voor het ontstaan van het ongeval kan geven, is dat hij is weggezakt dan wel een black-out heeft gekregen. De verdediging betoogt dan ook (zij het niet als bewijsverweer, maar de rechtbank zal het wel op deze plaats bespreken nu schuld onderdeel van de tenlastelegging uitmaakt) dat verdachte geen schuld heeft aan het ongeval.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde refereert verdachte zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd, kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat één ernstige verkeersovertreding, zoals het rijden op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer, voldoende kan zijn voor ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW. Het komt aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden gespiegeld aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

Voor schuld in de zin van genoemd artikel is ten minste nodig dat sprake is van het in aanmerkelijke mate niet in acht nemen van de normaal te verlangen voorzichtigheid.

Feitelijke gedragingen

Verdachte is op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen, waar het latere slachtoffer reed.

Verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol. Van verdachte is pas om 21.19 uur bloed afgenomen, terwijl het ongeval op 16.14 uur plaatsvond.7 Zoals onder de feiten vermeld was het alcoholgehalte bij verdachte toen 1,02 milligram alcohol per milliliter bloed.

Gelet op het tijdsverloop van ruim vijf uren na het ongeval acht de rechtbank waarschijnlijk dat het alcoholpercentage in het bloed van verdachte ten tijde van het ongeval (nog aanzienlijk) hoger is geweest.

Daarbij komt dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte voorafgaande aan het ongeval “klote zat” was. Getuige heeft tezamen met een vriend verdachte proberen te weerhouden van zijn plan om te gaan autorijden. Verdachte was echter te eigenwijs en vond dat hij nog prima kon rijden, aldus [getuige 1] .8 De verklaringen van verdachte dat hij twee (zware) biertjes had gedronken en dat hij nog in staat was te rijden, volgt de rechtbank gelet op het vorenstaande, dan ook niet.

Een verkeersongevallendeskundige van het NFI heeft geconcludeerd dat er een kans van 99% is dat verdachte ten tijde van het ongeval met een snelheid van hoger dan 88 km/u reed. Tevens is er een kans van 99% dat verdachte ten tijde van het ongeval met een snelheid van lager dan 138 km/u reed. Bij de door verdachte bestuurde Opel is na het ongeval geconstateerd dat de snelheidsaanwijzing was ‘bevroren’ op 110 km/u.9
Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het ongeval met een hogere snelheid heeft gereden dan de toegestane 80 km/u, in ieder geval heeft hij 8 km/u te hard gereden, mogelijk harder.

De enkele stelling van verdachte dat hij zijn cruise control op de toegestane snelheid heeft aangezet, maakt dat niet anders; de verdediging heeft de snelheidsovertreding ook niet betwist.

Zorgplicht

Van iedere bestuurder mag worden verwacht dat hij anticipeert op verkeerssituaties en dat hij voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemende en om de benodigde verkeershandelingen te verrichten.

Verdachte heeft zich niet aan deze zorgplicht gehouden. Immers, hij heeft met een hogere snelheid dan toegestaan gereden, is vervolgens op de verkeerde weghelft terechtgekomen op het moment dat daar verkeer reed, dit terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Verdachte heeft bovendien bewust waarschuwingen en alternatieven van anderen (om te voorkomen dat verdachte zou gaan rijden na het gebruiken van alcohol) terzijde geschoven en is een auto gaan besturen, met uiteindelijk een dodelijke ongeval tot gevolg.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte schuld heeft aan het tenlastegelegde ongeval, en wel in grove mate.

Black-out verweer

Indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde, kan niet gesproken worden van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging heeft aangevoerd dat bij verdachte sprake moet zijn geweest van een black-out ten tijde van het ongeval. Ter onderbouwing hiervan is aangevoerd dat verdachte eerder is weggeraakt of flauwgevallen. Dit was echter nooit op de momenten dat hij aan het nadenken was, een boek aan het lezen was of auto aan het rijden was, zodat verdachte geen rekening hoefde te houden met een mogelijke een black-out tijdens het rijden.

De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Uit de overgelegde medische informatie kan niet worden afgeleid dat bij verdachte sprake was van een, anders dan aan alcohol gerelateerd, medisch verklaarbaar moment van verminderd bewustzijn. Daarbij komt dat verdachte heeft verklaard dat hij zich (ook nadien) niet heeft laten onderzoeken op een medische oorzaak voor het mogelijk wegraken direct voorafgaande aan het ongeval.

Voorts blijkt niet dat de door verdachte gestelde eerdere wegrakingen dan wel het flauwvallen van voor en tijdens het ongeval door een medisch specialist is gediagnosticeerd. Wel kan blijken dat bij verdachte sprake was van geheugenfunctiestoornissen en van een depressie. Zonder nadere toelichting, en die ontbreekt, kunnen deze omstandigheden echter geen black-out verklaren.

Uit de medische informatie blijkt dat reeds langere tijd sprake is van alcoholmisbruik en
-afhankelijkheid. De inname van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol kan leiden tot een verminderd bewustzijn. Deze zelfintoxicatie kan echter nooit, hoezeer ook sprake van alcoholafhankelijkheid, leiden tot verontschuldiging voor het nadien deelnemen aan het verkeer en het daardoor veroorzaken van een ongeval.

Daarom wordt het verweer verworpen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/820614-14 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. hij op 05 oktober 2013 in de gemeente Buren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Provinciale weg N320, komende uit de richting van Maurik en gaande in de richting van Rijswijk, zeer, onvoorzichtig, onoplettend

en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, en

terwijl de weg ter plaatse bestond uit twee rijstroken, welke rijstroken door een dubbel onderbroken streep waren gescheiden, en

terwijl de weg, in zijn, verdachtes, rijrichting een flauwe bocht naar rechts maakte, en

aldaar heeft gereden met een hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur, en

(daarbij) niet op het voor hem gelegen weggedeelte van die Provinciale weg en het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en

(daarbij) niet de rijrichting van de voor hem bestemde rijstrook heeft gevolgd en/of is blijven volgen, en

(daarbij) met het door hem bestuurde voertuig geheel is terecht gekomen op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte te (gaan) rijden, en

(daarbij) niet heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en

(daarbij) op dat weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, is gebotst tegenen hem (toen zeer dicht genaderd zijnde) personenauto met aanhangwagen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

terwijl het feit is veroorzaakt terwijl verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,02 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2. hij op 05 oktober 2013 in de gemeente Buren, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,02 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Ten aanzien van het onder 05/820535-14 tenlastegelegde 10

Feit 1:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van misdrijf, p. 5 en 6;

- een rapportage van ademanalyse, p. 10;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2014.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. hij op 03 mei 2014 in de gemeente Buren, (op de N320 te Maurik), als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 455 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Feit 2:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 mei 2014 reed verdachte als bestuurder van zijn personenauto over de Rijksweg N320 in de gemeente Buren. Verdachte reed slingerend, waarbij hij herhaaldelijk gedeeltelijk in de rechterberm is terechtgekomen. Ook heeft hij een aantal hectometerpaaltjes geraakt, heeft hij gereden terwijl de rechterachterband van zijn auto stuk en van de velg afgelopen was, en is hij uiteindelijk in de rechterberm tot stilstand gekomen.11

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging meent dat niet bewezen kan worden dat verdachte over een markeringsblok is gereden. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Naast de onder de vaststaande feiten aangeduide verklaringen heeft getuige [getuige 2] verklaard dat de auto (door verdachte bestuurd) bij een oversteekplaats op de kruising Ravenswaaijsesteeg/N320 over een rechts naast de weg gelegen markeringsblok reed. Volgens getuige stonden bij die oversteekplaats ook mensen te wachten om over te steken toen de Opel bestuurder daar op het witte markeringsblok reed.12

Nu de verdediging de overige verklaringen van deze getuige niet heeft betwist en nu verdachte heeft bekend dat hij op voornoemde weg herhaaldelijk slingerend heeft gereden, ziet de rechtbank geen aanleiding de verklaringen van de getuige op dit onderdeel niet te volgen.

Doordat verdachte onder invloed van alcohol (zie feit 1) slingerend over een provinciale weg heeft gereden, terwijl aldaar ook andere verkeersdeelnemers aanwezig waren, heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

2. hij op 03 mei 2014 in de gemeente Buren, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg N320, slingerend heeft gereden, waarbij hij met het door hem bestuurde voertuig (meermalen) geheel of gedeeltelijk in de rechterberm is terechtgekomen en waarbij hij met het door hem bestuurde voertuig een aantal hectometerpaaltje heeft geraakt, en op de kruising van de Rijksweg N320 met de Ravenswaaijsesteeg niet de voor hem bestemde rijbaan heeft gebruikt, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig over een rechts naast de weg gelegen markeringsblok gereden, en (vervolgens) heeft gereden terwijl de rechterachterband van het door hem verdachte voertuig stuk was, waarbij of waardoor (tijdens het rijden) de rechterachterband van de velg is afgelopen, en (vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig (gedeeltelijk) in de berm tot stilstand is gekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/820614-14 feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid.

Ten aanzien van parketnummer 05/820614-14 feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van parketnummer 05/820535-14 feit 1:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van parketnummer 05/820535-14 feit 2:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde misdrijven zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij dienen hem de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering. Tevens dient hem een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren te worden opgelegd.

Ter zake van de overtreding (van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994) heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 600,00, te vervangen door 12 dagen hechtenis, en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd dat zijn rijbewijs al ingevorderd is geweest door de officier van justitie, te weten zes maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij heeft onder andere opgemerkt dat verdachte door verschillende oorzaken lichamelijke en psychische problemen heeft gekregen, als gevolg waarvan het vanaf 2010 slechter met hem ging. Zo is zijn alcoholverslaving verergerd en heeft hij ernstige klachten gekregen van depressieve aard. Ondanks een prangende hulpvraag van hem en van zijn echtgenote, is de juiste hulp gedurende jaren achterwege gebleven.
Inmiddels is (eindelijk) sprake van een succesvolle detoxificatie en verslavingsbehandeling. Ook verdachte en zijn echtgenote hebben zeer veel moeite met dit ongeval. Verdachte kan, aldus de raadsvrouw, zich moeilijk uiten maar de gevolgen van het ongeval, in het bijzonder voor de nabestaanden van het slachtoffer, gaan hem aan het hart.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 27 oktober 2014; en

 een reclasseringsrapport van 4 december 2014, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een grove verkeersfout door onder invloed van een behoorlijke hoeveelheid alcohol te gaan rijden, met een te hoge snelheid en zonder aanleiding op de verkeerde weghelft terecht te komen.

De verkeersgedragingen van verdachte hebben in dit geval geleid tot een buitengewoon tragisch ongeval, waarbij een 54-jarige man om het leven is gekomen. De rechtbank realiseert zich tot welk onuitsprekelijk en onherstelbaar leed dit ongeval heeft geleid bij de nabestaanden. Tijdens de terechtzitting hebben de nabestaanden van hun verdriet doen blijken.

De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij binnen zeven maanden na dit ongeval opnieuw met een forse hoeveelheid alcohol op is gaan rijden. Het is niet aan verdachte te danken dat op die rit geen nieuwe (dodelijke) slachtoffers zijn gevallen. Dat verdachte onvoldoende hulp zou hebben gekregen voor zijn (drank)problemen is zonder meer kwalijk, maar deze omstandigheid kan nooit een excuus vormen om onder invloed van alcohol te gaan autorijden, omdat men dan ook onacceptabele risico’s voor de levens van anders neemt, zoals in deze zaak helaas ook is gebleken.

Tot slot overweegt de rechtbank dat verdachte, ondanks behandeling voor zijn alcoholproblematiek, op de terechtzitting niet heeft laten merken de onjuistheid en gevaarzetting van het autorijden onder invloed van alcohol in te zien. Zo heeft verdachte opgemerkt dat hij er nog steeds vanuit gaat dat hij wel op de fatale dag wel auto kon rijden. Dat verdachte psychische problemen heeft, waarvoor hij zware medicijnen gebruikt, kan hieraan niet afdoen.

In het voorgaande ziet de rechtbank, met de officier van justitie, aanleiding tot het opleggen van een rijontzegging van aanzienlijke duur.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de zaak met parketnummer 05/820614-14 een gevangenisstraf van veertien maanden passend en geboden is. Daarnaast dient verdachte te worden behandeld voor zijn problemen en zal een deel van de gevangenisstraf, te weten zes maanden, voorwaardelijk worden opgelegd. De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank houdt rekening met wat in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd – hoewel de rechtbank zich realiseert dat, in het bijzonder gelet op de opeenstapeling van feiten en de omstandigheden van het geval en die van verdachte, een vergelijking moeilijk is te maken – en, meer dan de officier van justitie heeft gedaan, met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Dat laatste laat onverlet dat ook de rechtbank van oordeel is dat alleen een lange gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de feiten.

In de zaak met parketnummer 05/820535-14 zal de rechtbank voor het tweede feit (een overtreding, dus daarvoor moet een aparte straf worden opgelegd) verdachte veroordelen tot betaling van een geldboete van 600 euro, zoals de officier van justitie heeft gevorderd en daarnaast tot een rij-ontzegging van zes maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest.

Ten aanzien van het beslag

Op zowel de Opel (goednummer: PL0824-2013100248-178189) als de Volvo (goednummer: PL0824-2013100248-340366) is beslag gelegd.

De verdediging heeft verzocht om teruggave van de Opel aan verdachte, om emotionele redenen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Opel verbeurd moet worden verklaard. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij met de raadsvrouw in overleg zal treden over (bijvoorbeeld) teruggave van persoonlijke bezittingen van verdachte, uit de auto.

De rechtbank overweegt als volgt.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Opel is een voorwerp met behulp waarvan één van de feiten is begaan. De rechtbank zal deze Opel verbeurd verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Volvo toebehoort aan de nabestaanden van het slachtoffer en aan hen zal moeten worden teruggegeven.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 57, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5, 6, 8, 175, 176, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde onder parketnummer 05/820614-14, feiten 1 en 2 en onder parketnummer 05/820535-14, feit 1 tot

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich moet houden aan de aanwijzingen die de verslavingsreclassering Iriszorg hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis aan de balie van reclassering Iriszorg Tiel dan wel binnen 3 werkdagen na de terechtzitting indien de rechtbank dat nodig acht. Hierna moet hij zich gedurende door reclassering Iriszorg bepaalde perioden blijven melden zo frequent als reclassering Iriszorg gedurende deze periode nodig acht.

5. zich verplicht laat behandelen voor zijn persoonlijkheidsproblematiek/verslavings-problematiek bij Kairos Tiel of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de verslavingsreclassering Iriszorg, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.
Veroordeelde dient, indien naar het oordeel van de reclassering noodzakelijk, verplicht mee te werken aan een klinische opname ten behoeve van zijn verslavingsproblematiek binnen een ambulant behandeltraject, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

6. zich gedurende de proeftijd, voor zover en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, zal onthouden van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Veroordeelt verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 4 (vier) jaren.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde onder parketnummer 05/820535-14, feit 2 tot:

een betaling van een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 12 (twaalf) dagen hechtenis.

en veroordeelt verdachte voorts tot wegens het bewezenverklaarde onder parketnummer 05/820535-14, feit 2 tot

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 6 (zes) maanden,

met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het beslag

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Opel (goednummer: PL0824-2013100248-178189).

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Volvo (goednummer: PL0824-2013100248-340366) aan de rechthebbende.

Aldus gewezen door:

mr. E. de Boer (voorzitter), mr. A.M. van Gorp en mr. W.L.J.M. Duijst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Gelderland-Zuid, district De Waarden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL083E-2013100248, gesloten op 10 juni 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is tevens te vinden in de bijlage bij voornoemd proces-verbaal, zijnde een proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, BVH-nummer: 2013100248, opgesteld op ambtseed door brigadiers [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en gesloten op 22 april 2014 (hierna: het proces-verbaal VOA).

2 Proces-verbaal VOA, p. 4 en 6 van 46 en verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 december 2014.

3 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 17.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 26, een NFI-rapport alcohol in het verkeer, p. 36 en verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 december 2014.

5 Proces-verbaal VOA, p. 43 en een NFI-rapport met zaaknummer 2013.12.19.143, opgesteld door ing. [deskundige] , p. 19.

6 Proces-verbaal VOA, p. 43 en een verslag van de gemeentelijke lijkschouwer, d.d. 8 oktober 2013.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 26.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 30.

9 NFI-rapport met zaaknummer 2013.12.19.143, opgesteld door ing. [deskundige] , p. 18 en 19.

10 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Gelderland-Zuid, district De Waarden, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL083E-2014042783, gesloten op 4 mei 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 24 en verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 december 2014.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 24 en 25.