Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7935

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3335
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:7351, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfsmatig kweken van siervis is een landbouwbedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0015
V-N Vandaag 2014/2712
V-N 2015/17.1.2
mr. A. Fase annotatie in NTFR 2015/826

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/3335

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 december 2014

in de zaak tussen

de erven [X] te [Z], eisers

(gemachtigde: drs. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan [X] (hierna: [X]) voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000].H.06) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 196.531 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.485. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 mei 2014 het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 142.556, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen gehandhaafd en de beschikking heffingsrente verminderd.

Eisers hebben bij brief van 15 mei 2014, ontvangen door de rechtbank op 19 mei 2014, beroep ingesteld. Bij brief van 29 augustus 2014 hebben zij het beroep nader gemotiveerd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eisers.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. De gemachtigde van eisers is verschenen, bijgestaan door [B]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Overwegingen

Feiten

1. [X] is overleden op [2010 1]. Eisers zijn de erfgenamen van [X].

2. [X] dreef tot zijn overlijden een onderneming, [A]. Eisers hebben op [2010 2] en [2010 3] de kwekerij verkocht, respectievelijk aan de koper geleverd. Het verkochte, voor een koopprijs van € 500.000, bestond uit twee percelen grond ter grootte van 10.70.05 hectare met diverse visvijvers (koopprijs € 400.000) en diverse roerende zaken (koopprijs € 100.000). De kosten voor de verkoopbemiddeling waren € 24.000 exclusief omzetbelasting. Voorts is een woning die tot het privévermogen van [X] behoorde verkocht en geleverd.

3. De visvijvers bestaan uit uitgravingen in de grond, afgedekt met netten. In deze vijvers kweekte [X] vissen op. Er was geen sprake van recreatief vissen in deze vijvers.

4. Eisers hebben voor het jaar 2010 aangifte IB/PVV gedaan van een inkomen uit werk en woning van -/- € 110.312 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 1.485. In de aangifte hebben zij een landbouwvrijstelling ten bedrage van € 287.351 en een MKB-winstvrijstelling ten bedrage van -/- € 15.042 opgenomen.

5. Met dagtekening 8 augustus 2013 heeft verweerder de aanslag IB/PVV en de beschikking heffingsrente vastgesteld. Hierbij is verweerder van de aangifte afgeweken. De volgende correcties hebben plaatsgevonden:

aangegeven inkomen box 1

€ 110.312 -/-

geen landbouwvrijstelling

€ 287.351

hogere MKB vrijstelling

€ 34.483 -/-

uitkering Avero

€ 53.975

vastgesteld inkomen box 1

€ 196.531

6. Eisers hebben tijdig bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is de correctie uitkering Avero vervallen. Bij de uitspraak op bezwaar van 14 mei 2014 heeft verweerder het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 142.556.

Geschil

7. In geschil is of de landbouwvrijstelling van artikel 3.12 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 op de verkoopwinst van de gronden van de sierviskwekerij van toepassing is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het kweken van siervissen is aan te merken als visteelt in de zin van het tweede lid, laatste volzin, van dit artikel.

Beoordeling van het geschil

8. Artikel 18, tweede lid, van het Besluit inkomstenbelasting 1941 luidde onder meer:

“Als landbouwbedrijf of onderdeel van een landbouwbedrijf worden mede beschouwd:

1o. binnenvisscherij en vischteelt; (...)”

Voor de binnenvisserij en de visteelt gold zelfs niet de "eigen-voereis" van het destijds geldende eerste lid van dit artikel (Hoge Raad 14 juli 1944, B 7892).

9. Artikel 8 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, bevatte aanvankelijk geen omschrijving van het begrip landbouwbedrijf. Sinds de wettelijke verruiming en beperking van de landbouwvrijstelling met ingang van 1 april 1986 luidde de omschrijving van dat begrip in artikel 8, derde lid (tekst 2000), als volgt:

“Onder landbouwbedrijf wordt verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van produkten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen - dan wel op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en visteelt.”

10. Artikel 3.12, tweede lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2010) bepaalt het volgende:

“2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen - of op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en visteelt.”

11. Artikel 7:312 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

“Onder landbouw wordt verstaan, steeds voorzover bedrijfsmatig uitgeoefend: akkerbouw; weidebouw; veehouderij; pluimveehouderij; tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen; de teelt van griendhout en riet; elke andere tak van bodemcultuur, met uitzondering van de bosbouw.”

12. De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 november 2014, nr. 13/03180, ECLI:NL:HR:2014:3197 in het kader van de toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken het volgende overwogen:

“2.2.2. De klachten berusten op de veronderstelling dat het begrip veehouderij in artikel 7:312 BW slechts betrekking kan hebben op dieren die uitsluitend of in overwegende mate worden gefokt met het oog op consumptief gebruik of verbruik van delen of producten van die dieren. Die veronderstelling is onjuist. Veehouderij in de zin van artikel 7:312 BW kan ook betrekking hebben op dieren, zoals in dit geval pony’s, die worden gefokt met het overwegende oogmerk om ze te verhandelen; daarbij is niet van belang welk gebruik de koper van de dieren zal maken. In zoverre falen de klachten. Opmerking verdient dat van veehouderij in de hiervoor bedoelde zin geen sprake is bij activiteiten die bestaan uit het verlenen van diensten met betrekking tot dieren, zoals de tijdelijke terbeschikkingstelling van dieren (bijvoorbeeld rijpaarden) of het bieden van onderdak aan dieren (bijvoorbeeld een dierenpension). Beslissend is of de dieren of producten die de dieren voortbrengen voor de verkoop zijn bestemd.”

13. Eisers stellen dat de onderneming gericht was op het voortbrengen van producten uit visteelt. Het kweken van siervissen valt onder het begrip visteelt en er is (mede) consumptievis gekweekt. Indien (subsidiair) het begrip landbouwbedrijf niet op het kweken van siervissen van toepassing is, dan dient de landbouwvrijstelling naar rato toegepast te worden op het kweken van consumptievissen.

Verweerder stelt dat de landbouwvrijstelling niet op de ondergrond van de sierviskwekerij van toepassing is omdat een sierviskwekerij geen landbouwbedrijf is en niet aannemelijk is gemaakt dat tevens consumptievissen werden gekweekt. Indien de landbouwvrijstelling wel van toepassing is, dan dient deze verminderd te worden met € 19.200 omdat de verkoopkosten van de onderneming naar evenredigheid 400.000/500.000 in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst van de ondergrond.

14. Ter zitting hebben eisers nog verklaard dat [X] jonge vissen aankocht en na het volwassen worden weer verkocht. Verweerder heeft nog verklaard dat hij aan de hand van de omzetgegevens kon zien dat er voor circa € 950.000 aan siervissen werd verkocht en voor circa € 10.000 aan consumptievissen.

15. De rechtbank overweegt als volgt. De tot de onderneming van [X] behorende gronden waren in gebruik voor het kweken van siervissen met het oog op de verkoop van deze vissen. Naar het oordeel van de rechtbank valt die ondernemingsactiviteit aan te merken als het in het kader van een veehouderij fokken, mesten of houden van dieren op de wijze als verwoord in het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2005, nr. 39781, ECLI:NL:HR:2005:AT4895, zij het dat de dieren van de viskwekerij zich in het water bevinden. In zoverre is er sprake van vis(ch)teelt als hiervoor bedoeld onder 8, 9 en 10. Anders dan verweerder stelt ziet de rechtbank geen reden het begrip "landbouw" te beperken tot het fokken, mesten of houden met het oog op consumptief gebruik of verbruik en in zoverre af te wijken van het begrip landbouw als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek.

16. Verweerder heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998, nr. 32598, ECLI:NL:HR:1998:AA2531. In dat arrest was er echter sprake van het houden van paarden in het kader van de springsport en niet zozeer met het oog op de verkoop van de dieren.

17. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag en de beschikking heffingsrente vernietigd moeten worden als de sierviskwekerij van [X] onder het begrip landbouwbedrijf valt, wat er zij van de hoogte van het inkomen uit werk en woning. In dat verband heeft de inspecteur nog gesteld dat de landbouwvrijstelling in de aangifte op een te hoog bedrag is berekend en eisers hebben dit bevestigd. De rechtbank zal dan ook de aanslag en de beschikking heffingsrente vernietigen. Het is aan verweerder om na het vaststaan van deze uitspraak het bedrag van het te verrekenen verlies bij beschikking vast te stellen.

18. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wel tot een bedrag van € 974 (2 proceshandelingen x € 487 x factor 1 voor het gewicht van de zaak) voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, de aanslag en de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 974 en

- gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.M.R. Richardson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 30 december 2014

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.