Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7847

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 8187
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met het verzoek van 1 mei 2013 heeft de gemachtigde – samengevat – namens eiseres verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de laatste bekeuring in 2010 die tot een Mulderbeschikking hebben geleid, uitgeschreven door een bij verweerder in dienst zijnde bijzondere opsporingsambtenaar. (…) Al deze omstandigheden brengen de rechtbank tot de conclusie dat (de gemachtigde van) eiseres met haar verzoek van 1 mei 2013 niet heeft beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen of openbaar te maken, maar dat het doel slechts is geweest het genereren van procedures om hiermee proceskostenvergoeding dan wel dwangsommen te verkrijgen. Uit het voorgaande volgt dat eiseres de haar in de Wob toegekende bevoegdheid bewust heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld. Aldus heeft eiseres deze bevoegdheid misbruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/8187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland te Didam, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 1 mei 2013 heeft eiseres verzocht om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Bij besluit van 16 mei 2013 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de gemachtigde van eiseres (hierna: de gemachtigde) bericht het Wob-verzoek te hebben doorgezonden.

Hiertegen heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond, deels ongegrond verklaard en geweigerd haar een proceskostenvergoeding in bezwaar toe te kennen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 10 maart 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014, gevoegd met de behandeling van het beroep van de zaak tussen eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnwaarden (zaaknummer AWB 13/8185). Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Peters. Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2014, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren en namens verweerder de heer C. Poels.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 1 mei 2013 heeft de gemachtigde het college de volgende fax gestuurd: Graag ontvang ik, als gemachtigde van verzoekster, van u op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de volgende, openbaar te maken en in afschrift te verstrekken documenten: Alle documenten die betrekking hebben op de laatste bekeuring welke tot een zogenaamde Mulderbeschikking leidde in het kalenderjaar tweeduizendentien uitgeschreven door een bij u in dienst zijnde bijzondere opsporingsambtenaar, met hierin onder andere inbegrepen het proces-verbaal van beëdiging van de bevoegde verbalisant evenals de akte van aanstelling en de eventuele wijzigingsbesluiten, het brondocument, een op ambtseed opgemaakt en op een proces-verbaal gelijkend document, waaruit ondubbelzinnig blijkt hoe de vermeende overtreding is waargenomen. In overeenstemming met de gewoonte dat ten aanzien naar aanleiding van een Wob-verzoek verstrekte gegevens kosteloos verstrekt worden verzoek ik u indien er door u kosten worden berekend welke hoger zijn dan € 2,- mij van te voren middels een schriftelijke gespecificeerde offerte hiervan op de hoogte te stellen. Dit alles in verband met een onderzoek dat door verzoekster is gestart. (…)”

Bij brief van 16 mei 2013 heeft verweerder de gemachtigde bericht dat hij het verzoek om informatie van 1 mei 2013 ingevolge artikel 4 van de Wob heeft doorgezonden aan de instantie waar de gevraagde documentatie berust, namelijk de Politie Oost-Nederland.

Hiertegen heeft de gemachtigde bij fax van 27 mei 2013 bezwaar gemaakt. Deze fax heeft de volgende inhoud:

“Bij brief van 1 mei 2013 verzond cliënt een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur naar u.

Bezwaarde verzocht, kort gezegd, om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de laatste bekeuring welke tot een zogenaamde Mulderbeschikking leidde in het kalenderjaar tweeduizendentien uitgeschreven door een bij u in dienst zijnde bijzondere opsporingsambtenaar.

Middels het bestreden besluit gereageerd op het verzoek.

Gronden van bezwaar

Het bestreden besluit heeft geen kenbare en/of deugdelijke motivering waardoor bezwaarde benadeeld is.

Ten onrechte heeft u niet alle (gedeeltes van de) gevraagde documenten openbaar gemaakt.

Hoorplicht

Teneinde mijn bezwaren nader toe te lichten verzoek ik u mij te horen tijdens een door u te organiseren (liefst telefonische) hoorzitting.

Verzoek

Ik verzoek u het bezwaar ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen. Tevens verzoek ik u over te gaan tot vergoeding van de kosten die cliënt in verband met dit bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken/zal maken.”

Bij brief van 28 mei 2013 heeft verweerder de gemachtigde bericht dat het Wob-verzoek van 1 mei 2013 is doorgezonden naar de Politie Oost-Nederland, omdat daar een deel van de gevraagde informatie berust, en dat de overige informatie door verweerder zal worden toegezonden en dat de beslistermijn verlengd wordt.

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft verweerder drie documenten aan de gemachtigde openbaar gemaakt. Op 22 augustus 2013 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden waar de gemachtigde zich op het standpunt heeft gesteld dat de doorzending van het Wob-verzoek een weigering van dit verzoek inhoudt en dat verweerder op 4 juni 2013 een wijzigingsbesluit heeft genomen. Volgens de gemachtigde heeft verweerder ten onrechte niet alle stukken verstrekt die zijn gevraagd. Zo ontbreken volgens de gemachtigde de akte van aanstelling, de eventuele wijzigingsbesluiten en de opvolgende akte van opsporingsbevoegdheid. Indien deze akte niet meer bij verweerder berust, had verweerder het verzoek moeten doorsturen naar de Minister van Veiligheid en Justitie, aldus de gemachtigde.

In het advies van 23 september 2013 heeft de Commissie voor bezwaarschriften Montferland zich op het standpunt gesteld dat het onderhavige verzoek aangemerkt moet worden als onredelijk gebruik van de Wob en niet is gericht op het verkrijgen van informatie. Het verzoek is volgens de commissie willekeurig, ruim en niet gericht op recente informatie. De commissie wijst erop dat de gemachtigde een bijna gelijkluidend verzoek heeft ingediend, eveneens bij meerdere gemeenten, namens een inwoner van de Filippijnen. De commissie meent daarom dat het onderhavige verzoek slechts een middel betreft gericht op het verdienen van geld op grond van de Wet dwangsom niet tijdig beslissen of een proceskostenvergoeding.

Bij besluit van 27 september 2013 heeft verweerder nog negen stukken openbaar gemaakt ter completering van het verzoek van eiseres.

Bij brief van 30 september 2013 heeft verweerder de gemachtigde gevraagd te reageren op het vermoeden van verweerder dat het verzoek van 1 mei 2013 en het bijna gelijkluidende verzoek van 26 juli 2013, gedaan door de gemachtigde namens [naam 1] wonend in de Filippijnen, niet zijn gericht op het verkrijgen van informatie maar op het verdienen van geld aan de verzoeken. Verweerder heeft erop gewezen dat ook tijdens de hoorzitting geen toelichting is gegeven op het Wob-verzoek, terwijl dat bij dit soort verzoeken wel verwacht mag worden.

Bij brief van 14 oktober 2013 heeft de gemachtigde aangegeven dat eiseres geen belang hoeft te stellen bij haar Wob-verzoek en dat de gemachtigde deze kwestie graag met verweerder wil bespreken bij de gemachtigde thuis op vrijdag 18 oktober 2013 om 8.30 uur.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat door de gemachtigde oneigenlijk gebruik van de Wob is gemaakt. Voorts is het in de visie van verweerder niet aannemelijk dat eiseres initiatiefnemer is van het Wob-verzoek, noch dat de door haar gemachtigde verrichte werkzaamheden in de onderhavige procedure kunnen worden bestempeld als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gelet hierop wordt niet overgegaan tot het vergoeden van de proceskosten van de bezwaarprocedure.

3. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen. Hiertoe heeft de gemachtigde aangevoerd dat een deugdelijke motivering over het niet toekennen van een proceskostenvergoeding ontbreekt. Volgens de gemachtigde is sprake van het herroepen van het primaire besluit van 16 mei 2013 en is er wel degelijk sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

4. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of eiseres en/of haar gemachtigde misbruik hebben gemaakt van de aan hen op grond van de Wob toekomende bevoegdheid om een verzoek om informatie aan verweerder te richten.

5. De wettelijke grondslag voor het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep wegens misbruik van recht volgt uit artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129). Ingevolge deze artikelen kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt.

6. Uit de genoemde uitspraak van 19 november 2014 volgt dat voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist zijn, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt te meer indien het gaat om een door een burger tegen de overheid ingesteld rechtsmiddel, gelet op de – soms zeer verstrekkende – bevoegdheden waarover de overheid beschikt en welke een burger in de regel niet pleegt te hebben.

7. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Op grond van de Wob heeft een burger de bevoegdheid om een bestuursorgaan te verzoeken om openbaarmaking van (informatie uit) documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. Een verzoeker hoeft op grond van artikel 3, derde lid, van de Wob bij zijn verzoek geen belang te stellen. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat het doel van deze aan de burger toekomende bevoegdheid is dat bepaalde documenten openbaar worden gemaakt. De burger hoeft wanneer hij een Wob-verzoek doet, met andere woorden, niet te specificeren waarom hij openbaarmaking van die documenten wenst, maar zijn doel moet wel zijn dát de documenten openbaar worden gemaakt. Dat betekent dat in het kader van de Wob sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheden, indien een burger verzoekt om documenten met een ander doel dan de openbaarmaking van de in die documenten neergelegde informatie.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres dan wel haar gemachtigde misbruik heeft gemaakt van de aan hen op grond van de Wob toekomende bevoegdheden. Bij dit oordeel heeft de rechtbank de volgende aspecten betrokken.

Uit de machtiging van 10 april 2013 blijkt dat eiseres [gemachtigde] machtigt om alle handelingen te verrichten teneinde gegevens op grond van de Wob op te vragen alsmede al hetgeen daartoe door gemachtigde nodig wordt geacht. Mocht er een proceskostenveroordeling of een dwangsom uitgesproken worden, dan is deze voor de gemachtigde. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting aangegeven dat zij niet weet hoeveel Wob-verzoeken de gemachtigde bij gemeenten heeft ingediend. Hierover zijn geen afspraken gemaakt.

Ter zitting van 13 oktober 2014 heeft de gemachtigde aangegeven dat hij werkt op basis van "no cure no pay" en dat het te betalen bedrag voor de rechtsbijstand gelijk is aan de hoogte van toegekende proceskostenvergoedingen. De wegens het niet tijdig nemen van een besluit verbeurde dwangsommen zijn voor de gemachtigde. Een dergelijke wijze van rechtsbijstandverlening maakt de rechtsbijstandverlener rechtstreeks gebaat bij het verbeuren van dwangsommen door het bestuursorgaan aan zijn cliënt en bij een veroordeling van het bestuursorgaan tot betaling van een proceskostenvergoeding aan zijn cliënt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014.

Met het verzoek van 1 mei 2013 heeft de gemachtigde – samengevat – namens eiseres verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de laatste bekeuring in 2010 die tot een Mulderbeschikking hebben geleid, uitgeschreven door een bij verweerder in dienst zijnde bijzondere opsporingsambtenaar. De gemachtigde heeft namens eiseres vergelijkbare verzoeken gedaan bij een groot aantal andere gemeenten in Nederland. Vaststaat dat de gemachtigde ook namens andere personen vergelijkbare verzoeken bij gemeenten heeft ingediend. Ter zitting zijn in dat verband genoemd [naam 2], eveneens [woonplaats], en [naam 1] uit de Filippijnen. Desgevraagd heeft eiseres noch de gemachtigde ter zitting willen aangeven wat zij met de opgevraagde informatie doen, anders dan dat eiseres erin is geïnteresseerd. De gemachtigde heeft evenmin iets willen zeggen over de beweegredenen van [naam 1] of [naam 2] bij het opvragen van dezelfde informatie. Eiseres noch de gemachtigde hebben aangegeven op welke bestuurlijke aangelegenheid in de zin van bestuurlijk beleid het Wob-verzoek betrekking heeft. De gemachtigde heeft er enkel op gewezen dat er geen sprake is van een evident kansloze procedure en dat er dus geen sprake is van misbruik van recht. Het voorgaande bevestigt naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat het eiseres of haar gemachtigde niet gaat over het verkrijgen van de door hen gevraagde informatie. Dat eiseres, zoals door haar betoogd, ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob geen belang bij haar verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat het doel van een Wob-verzoek relevant kan zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Om deze reden is eiseres ook nadrukkelijk uitgenodigd in persoon ter zitting te verschijnen bij brief van de rechtbank van 18 september 2014.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de gemachtigde van eiseres in de drie op de zitting geplande zaken van eiseres en [naam 2] (nagenoeg) dezelfde summiere bezwaarschriften heeft ingediend. Op de vraag van de rechtbank waarom de gemachtigde in zijn bezwaarschrift niet specificeert welke stukken hij wenst te ontvangen aangezien hij vanwege de vele door hem ingediende verzoeken precies weet om welke stukken het gaat, heeft de gemachtigde enkel geantwoord dat zijn bezwaarschrift aan de eisen van de wet voldoet en dat het voor hem efficiënter is om één zin te schrijven dan twee. Desgevraagd heeft de gemachtigde tevens aangegeven dat hij niet telefonisch of per e-mail beschikbaar hoeft te zijn voor vragen van verweerder over het gedane verzoek en dat vermelding van zijn e-mailadres niet betekent dat hij deze weg heeft opengesteld voor contact met verweerder.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de gemachtigde op persoonlijke titel Wob-verzoeken heeft gestuurd naar 398 gemeenten waarin hij vraagt om openbaarmaking van alle documenten waaruit blijkt wanneer deze gemeenten correspondentie hebben verstuurd naar [...]/of [gemachtigde] in de periode van 1 maart 2013 tot en met 21 maart 2014. De rechtbank Midden-Nederland heeft in uitspraken van 11 december 2014 (onder andere ECLI:NL:RBMNE:2014:6623) geoordeeld dat [gemachtigde] met het versturen van de e-mails niet heeft beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen of openbaar te maken, maar dat het doel voor hem slechts is geweest dat hij een proceskostenvergoeding zou verkrijgen in bezwaar – en eventueel in (hoger) beroep en dat hiermee de Wob bewust is gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld.

9. Al deze omstandigheden brengen de rechtbank tot de conclusie dat (de gemachtigde van) eiseres met haar verzoek van 1 mei 2013 niet heeft beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen of openbaar te maken, maar dat het doel slechts is geweest het genereren van procedures om hiermee proceskostenvergoeding dan wel dwangsommen te verkrijgen.

10. Uit het voorgaande volgt dat eiseres de haar in de Wob toegekende bevoegdheid bewust heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld. Aldus heeft eiseres deze bevoegdheid misbruikt.

11. Dat in de bestuurlijke fase sprake was van misbruik van bevoegdheid door eiseres dan wel haar gemachtigde heeft tot gevolg dat alle op die fase volgende handelingen, waaronder de keuze om verder te procederen, delen in dat lot. Dat betekent ook dat het voor (de gemachtigde van) eiseres ten tijde van het instellen van het beroep evident moest zijn, dat van de ingestelde procedure geen positief resultaat viel te verwachten. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat sprake is van misbruik van (proces)recht. Zij zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

12. Uit het voorgaande volgt dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door (de gemachtigde van) eiseres in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Dat biedt grond om eiseres (ambtshalve) te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Een proceskostenveroordeling kan echter enkel betrekking hebben op kosten die zijn genoemd in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu niet door verweerder is gesteld dat hij dergelijke kosten heeft gemaakt, zal de rechtbank niet tot een proceskostenveroordeling overgaan.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H.M. Pastoors, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.