Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7797

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 4146
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:722, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning oprichten biogasinstallatie; BREF “op- en overslag van bulkgoederen”; significant risico op bodem- en oppervlaktewaterverontreiniging.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/44 met annotatie van D. van der Meijden

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/3707, 13/4068, 13/4071, 13/4090, 13/4098, 13/4146 en 13/4149

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

1 [eiseres 1],
gemachtigde: drs. J.G. Vollenbroek,

2.[eiser 2][eiser 2],

3. [eiseres 3][eiseres 3],
gemachtigden: H. Kreeftenberg en C. van Liere,

4. [eiseres 4][eiseres 4],
gemachtigde: mr. V. Wösten,

5. [eisers 5][eisers 5][eisers 5][eisers 5][eisers 5][eisers 5][eisers 5], eisers 5,

6. [eiser 6][eiser 6],

gemachtigde: mr. V. Wösten, en

7. [eisers 7][eisers 7],

en

het college van gedeputeerde staten van provincie Gelderland, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. Biogasvereniging Achterhoek te Harreveld,
gemachtigde: mr. F.H. Damen,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstreek,

gemachtigde: W. Rasing

3. het Waterschap Rijn en IJssel,

gemachtigde: mr. R. Groenendijk.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan de derde-partij 1 (hierna: BVA) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit het oprichten en het in werking hebben van een inrichting, te weten een co‑vergistingsinstallatie met mestverwerking en de daarbij behorende opslagen en overige voorzieningen op het perceel Euroweg 2, 4, 23 te Varsseveld (hierna: het perceel).

Bij besluit van dezelfde datum (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan de derde-partij 1 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’ op het perceel.

Eisers hebben beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseressen 1, 4 en 6 hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014. Eiseres 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voornoemde gemachtigde en A. van de Put. Eiser 2 is verschenen. Eiseres 4 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voornoemde gemachtigde. Eiseres 6 is verschenen bijgestaan door haar voornoemde gemachtigde. Eisers 7 zijn verschenen. Eisers 5 hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam 1], voorzitter van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland. Namens eiseres 5 Stichting Natuur en Milieu Aalten is verschenen:[naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Rosendaal, E. Lambrechts en W. Willemsen. BVA heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voornoemde gemachtigde. Namens deze derde-partij zijn tevens verschenen [namen 1]. BVA heeft als deskundigen meegebracht J. Tuenter, werkzaam bij Geling Advies Oost BV te Varsseveld, J.R.M.M. de Veth, werkzaam bij Trinergie BV te Nijmegen, en B.H.G. Boonen en A.J. van den Broek, beiden werkzaam bij G&O Consult, te De Rips. De derde-partij 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Rasing. De derde-partij 3 heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Teunissen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij brief van 1 oktober 2014 heeft zij het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend, omdat het onderzoek naar haar oordeel niet volledig is geweest. De rechtbank heeft verweerder daarbij verzocht binnen een termijn van twee weken te motiveren waaruit kan worden afgeleid dat de vier bovengrondse tanks van de inrichting zijn voorzien van dubbele wanden. De rechtbank heeft verweerder daarbij tevens verzocht, voor het geval de rechtbank tot de conclusie komt dat geen sprake is van dubbelwandige tanks en het bestreden besluit op dit punt een gebrek kent, aan te geven of en zo ja hoe hij dit gebrek wil herstellen.

BVA onderscheidenlijk verweerder hebben op voornoemde brief van de rechtbank bij brieven van 14 en 23 oktober 2014 onderscheidenlijk 15 oktober 2014 een reactie gegeven.

Namens de eiseressen 1 en 4 is op voornoemde brieven van verweerder en BVA bij brieven van 30 oktober 2014 onderscheidenlijk 3 november 2014 een reactie gegeven.

Partijen hebben de rechtbank desgevraagd toestemming gegeven dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat Afdeling 2 van de Crisis- en Herstelwet (Chw) van toepassing is op de bestreden besluiten, omdat deze betrekking hebben op de aanleg van productie-installaties ten behoeve van de productie van biogas, genoemd in Bijlage I bij de Chw, onder 1.1.

2. De inrichting is voorzien op twee percelen aan weerszijden van de [weg]. Het noordelijk van die weg gelegen perceel ([adres 1]) wordt ingericht als opslag- en verwerkingslocatie en het zuidelijk ervan gelegen perceel ([adres 2]) als vergistingslocatie. Het project voorziet in een vooropslag van mest en co-producten, een voorbehandeling en hygiënisatie, een vergisting van mest en co-producten, de benutting van biogas in warmtekracht koppeling (hierna: WKK) en/of injectie aardgasnet na opwekking, digestaatverwerking naar loosbaar effluent en gedroogd digestaat, de opslag en afvoer van eindproducten en de lozing van procesafvalwater op het oppervlaktewater. Als voornaamste grondstoffen worden dierlijk mest, energiegewassen, niet voor consumptie geschikte levensmiddelen, agro residuen, grijs zetmeel en overige producten van de ‘positieve lijst’ gebruikt. Naar verwachting worden in de mestvergistingsinstallatie jaarlijks in totaal 95.000 ton mest en 40.000 ton co-product, in totaal 135.000 ton, vergist. Door de co-vergisting- en mestverwerkinginrichting worden water, warmte en elektriciteit deels zelf geproduceerd en deels weer ingezet binnen de inrichting. De overige eindproducten zijn: stroom, groen gas, CO2, droge fractie, mineralenconcentraat, spuiwater en loosbaar proceswater.

Eiseres 3

3. BVA voert aan dat eiseres 3 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat de in de statuten verwoorde doelstelling te ruim is.

3.1

Blijkens artikel 2 van haar statuten stelt eiseres zich ten doel de belangen van Varsseveld in de ruimste zin des woords te bewaken en te bevorderen, teneinde de leefbaarheid te verhogen en de onderlinge band te versterken.
Blijkens artikel 3 tracht eiseres dit doel te bereiken door activiteiten ten nutte van de bewoners op het sociale culturele vlak te stimuleren.
a. bevordering van handel en (kunst)nijverheid.
b. verbetering van verkeerswegen en verkeerssituaties.
c. het in stand houden en verbeteren van het verenigingsleven.
d. alle gewettigde middelen aan te wenden om het belang van Varsseveld te behartigen.

3.2

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 10 december 2008 in zaak nr. 200706330/1, is voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank is het in artikel 2 neergelegde doel niet zodanig algemeen dat niet langer een rechtstreeks belang kan worden aangenomen. Daarnaast is ter zitting gebleken dat eiseres 3 zich onder meer bezighoudt met het voeren van overleggen met de gemeente Varsseveld over evenementen en betrokken is bij andere projecten binnen die gemeente. Hiermee staat voldoende vast dat de door eiseres 3 verrichte feitelijke werkzaamheden van zodanige aard zijn dat deze vallen binnen de reikwijdte van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Zij dient dan ook als belanghebbende te worden aangemerkt. BVA wordt daarom niet gevolgd in het hierboven aangevoerde.

Eiseres 4

4. BVA stelt ook ter discussie of eiseres 4 als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

4.1

De rechtbank volgt haar daarin niet. Bij de beantwoording van de vraag of eiseres 4 als belanghebbende kan worden aangemerkt, is de doelstelling van de vereniging van belang. Deze luidt: het bevorderen en behartigen van de gemeenschappelijke belangen van haar leden. Naar het oordeel van de rechtbank is die doelstelling bij uitstek een collectief belang en aangenomen moet worden dat de individuele leden van eiseres 4, en in het bijzonder de leden die op het bedrijventerrein rond de inrichting zijn gevestigd, geraakt worden door het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank moet eiseres 4 daarom als belanghebbende worden gekwalificeerd.

5. Vaststaat evenwel dat eiseres 4 geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

5.1

Eiseres 4 betoogt dat haar dit niet kan worden verweten. Zij voert hiertoe aan dat het advies van de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland (hierna: VNOG) van 25 april 2013 ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit nog niet bekend was en dat zij een zienswijze zou hebben uitgebracht als dit wel het geval was. Het VNOG-advies maakt duidelijk dat de aanvraag op essentiële onderdelen informatie mist. Het VNOG-advies stelt dat een falen van de installatie tot lokale ontwrichting kan leiden, zodat het advies eiseres tot een gewijzigd inzicht heeft gebracht over het bedrijfsplan van BVA. Eventuele calamiteiten vormen een te groot risico voor de belangen waarvoor zij opkomt. Zij voert daarnaast aan dat de beslissing over de MER‑beoordeling eveneens is genomen na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat eiseres redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013 in zaak nr. 201203768/7/R3, www.raadvanstate.nl, vloeit uit de strekking van artikel 6:13 van de Awb voort dat het beroep slechts ontvankelijk zou zijn als eiseres door een gewijzigd besluit in een nadeligere positie was gekomen ten opzichte van het ontwerpbesluit. Deze situatie doet zich hier niet voor, nu het VNOG-advies van 25 april 2013 noch de beslissing over de MER-beoordeling van 11 april 2014 hebben geleid tot een wijziging van het ontwerpbesluit in een voor eiseres negatieve zin. Het betoog faalt.

5.3

De rechtbank zal daarom het beroep van eiseres 4 niet-ontvankelijk verklaren.

Eisers 5: [opsomming namen]

6. Daargelaten de vraag of deze eisers alle als belanghebbenden op de voet van artikel 1:2 van de Awb dienen te worden aangemerkt en in het midden gelaten de vraag of hun beroepen om die reden niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard, stelt de rechtbank vast dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht. Nu niet is gebleken dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, is het beroep, voor zover door hen ingediend, reeds hierom niet‑ontvankelijk.

Eiseres 5: [Stichting 1]

7. BVA stelt voorts ter discussie de vraag of deze eiseres als belanghebbende in voornoemde zin kan worden aangemerkt, omdat dat niet kan worden vastgesteld wegens het ontbreken van statuten.

7.1

De rechtbank heeft alsnog, te weten op 11 augustus 2014, statuten ontvangen. Op grond van artikel 2 van haar statuten heeft zij tot doel de bescherming van het leefklimaat in de ruimste zin des woords in Doetinchem en omstreken. De rechtbank acht die statutaire doelstelling niet zodanig veelomvattend dat zij onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de hier besproken eiseres 5 niet rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. De rechtbank merkt haar dan ook als belanghebbende aan.

Eiseres 5: [Stichting 2]

8. BVA stelt ook ter discussie de vraag of deze eiseres als belanghebbende in voornoemde zin kan worden aangemerkt.

8.1

Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten heeft eiseres ten doel: de bescherming en verbetering van natuur, landschap en milieu in de gemeente Aalten en omstreken, en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.
Blijkens het tweede lid tracht eiseres haar doel onder meer te verwezenlijken door het op verschillende wijze verstrekken van informatie en het voeren van overleg met diverse overheden, zowel op ambtelijk als politiek niveau, op het gebeid van natuur, landschap en milieu en alle vraagstukken welke hiermee verband houden, alsmede door het voeren van juridische procedures.

8.2

De rechtbank acht de statutaire doelen van eiseres niet zodanig veelomvattend dat ze onvoldoende onderscheidend zijn om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de hier besproken eiseres 5 niet rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. Weliswaar is de inrichting niet in de gemeente Aalten, maar binnen de naburige gemeente Varsseveld, geprojecteerd, maar de doelstelling strekt zich ook uit tot de omgeving van Aalten. Gelet hierop en zeker nu de inrichting op omstreeks een kilometer van de gemeentegrens van Aalten is voorzien, moet deze eiseres krachtens haar statutaire doelstellingen worden geacht rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belangen in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb in het bijzonder te behartigen. Zij dient dan ook als belanghebbende te worden aangemerkt.

Eiser 2 en de eisers 5: [opsomming namen 2]

9. BVA stelt zich voorts op het standpunt dat het beroep, voor zover dat is ingesteld door bovengenoemde eisers niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat, gelet op de afstand en de aard en omvang van de inrichting niet aannemelijk is dat ter plaatse van hun woningen nog milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. In dit verband wordt onder meer verwezen naar bijgevoegde uitspraken van de Afdeling van 13 juni 2007 in zaak nr. 200606022 en 6 februari 2013 in zaak nr. 201105995, beide uitspraken gepubliceerd op www.raadvanstate.nl. In die zaken was eveneens een biomassa(vergistings)installatie aan de orde en heeft de Afdeling bij afstanden van 560 onderscheidenlijk meer dan 600 meter geen belanghebbendheid aangenomen, aldus de derde-partij 1.

9.1

Anders dan in de zaken die hebben geleid tot bovengemelde uitspraken van de Afdeling is in de hier aan de orde zijnde inrichting jaarlijks de verwerking van 135.000 ton afval voorzien. De inrichting is daarmee aanzienlijk groter dan de inrichtingen die in bovengemelde zaken van de Afdeling aan de orde waren. Gelet hierop, en gezien de bij de aanvraag gevoegde stukken moet worden aangenomen dat de hier aan de orde zijnde inrichting op een grotere afstand ervan tot milieugevolgen kan leiden dan de in de uitspraken van de Afdeling aan de orde zijnde inrichtingen. De rechtbank acht aannemelijk dat ter plaatse van de woningen van eiser 2, gelegen op een afstand van omstreeks 620 meter van de inrichting, [namen 2], gelegen op een afstand van 375 meter van de inrichting, en [namen 2], gelegen op een afstand van 320 meter van de inrichting, nog milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit anders voor de woningen van[namen 3]. De woningen van deze eisers, gelegen op afstanden van 1.200 onderscheidenlijk 1.350, 1.380 en 2.600 meter van de inrichting, liggen zodanig ver buiten de invloedsfeer van de inrichting dat [namen 3] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Het beroep, voor zover dit door hen is ingesteld, zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Eisers 7

10. De rechtbank stelt uit het verhandelde ter zitting vast dat eisers inmiddels zijn verhuisd naar Den Bosch, maar dat zij op korte afstand van de inrichting nog een woning hebben, waar zij regelmatig verblijven. Zij hebben daarom ook thans nog belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Wel is gebleken dat zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit hebben uitgebracht. Nu niet is gebleken dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, zal hun beroep daarom niet‑ontvankelijk worden verklaard.

Eisers 1, 2, 3 en 5 ([opsomming partijen] hierna: de overige eisers 5)

Wabo-vergunning voor de activiteit ‘bouwen’

11. De eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5 betogen dat verweerder ten onrechte bij het bestreden besluit is overgegaan tot verlening van een vergunning voor de activiteit ‘bouwen’.

11.1

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 28 augustus 2013 in zaak nr. 201300660/1/A4, vloeit uit artikel 6:13 van de Awb voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten, en ligt het in de rede voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb elk van de in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bedoelde toestemmingen die in een omgevingsvergunning zijn opgenomen, als besluitonderdeel op te vatten.

11.2

De door bovengenoemde eisers naar voren gebrachte zienswijzen hebben uitsluitend betrekking op de activiteit ‘veranderen van de werking van de inrichting’. Niet is gebleken dat die eisers niet redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijze over de activiteit bouwen naar voren hebben gebracht. Het beroep van eisers dient dan ook niet‑ontvankelijk te worden verklaard voor zover het is gericht tegen het besluit 2.

Eisers 1, 2, 3, 4 en de overige eisers 5 en eiseres 6 (hierna: eisers)

Wabo-vergunning voor de activiteit ‘milieu’

MER-beoordelingsplicht

12. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport (hierna: MER) moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 7.19, eerste lid, neemt het bevoegd gezag, indien het degene is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit dat krachtens het vierde lid van dat artikel is aangewezen een beslissing omtrent de vraag of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Artikel 7.17, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 7.19, tweede lid, wordt onder een zo vroeg mogelijk stadium verstaan het stadium voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit.

Ingevolge artikel 7.28, tweede lid, laat het bevoegd gezag de aanvraag buiten behandeling indien een besluit als bedoeld in artikel 7.8a krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt genomen en bij het indienen van de aanvraag geen afschrift is gevoegd van de beslissing krachtens artikel 7.8b, eerste lid, inhoudende dat geen milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt of bij het indienen van de aanvraag geen milieueffectrapport is overgelegd.


Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.
In categorie 18.1 van dat onderdeel is als activiteit, waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een MER moet worden gemaakt, aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D.18.7, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer.

13. Niet in geschil is dat de activiteiten en gevallen binnen de inrichting vallen onder categorie 18.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen MER‑beoordelingsplicht bestond. De beroepen zijn daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 7.19, eerste en tweede lid, en 7.28, tweede lid, van de Wm.

14. Omdat BVA na het bestreden besluit tot de conclusie is gekomen dat een MER-beoordelingsplicht geldt, heeft hij Geling Advies te Varsseveld (hierna: Geling) opgedragen voor de inrichting een MER‑aanmeldingsnotitie op te stellen. Geling heeft op 19 februari 2014 een MER‑aanmeldingsnotitie opgesteld en deze vervolgens naar verweerder toegezonden. Verweerder heeft op 11 april 2014 op grond van de aanmeldingsnotitie beslist dat de oprichting en het in werking hebben van de inrichting niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.

15. Eisers kunnen niet worden gevolgd in het aangevoerde dat het ontbreken van een mogelijkheid bezwaar te maken zich niet verhoudt met nationaal en EU‑milieurecht. De MER-beoordeling moet als een voorbereidingshandeling op de voet van artikel 6:3 van de Awb worden gekwalificeerd. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 6 juni 2000 in zaak nr. 200000818/1, ECLI:NL:RVS:2000:AL5756, van oordeel dat een beslissing over een MER-beoordeling een beslissing is inzake de procedure tot voorbereiding van een besluit dat eisers niet los van het te voorbereiden besluit, de Wabo-vergunning, rechtstreeks in hun belang treft. Tegen die beslissing staat daarom geen bezwaar open. De vraag of een MER-rapport mag ontbreken kan evenwel in het kader van het beroep tegen de vergunningverlening aan de orde worden gesteld.

16. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat een gebrek in de voorbereiding in de vorm van het ontbreken van een MER-beoordeling niet na vergunningverlening kan worden hersteld. De vraag of een MER-plicht geldt, kan afzonderlijk, dus ook na verlening van de vergunning worden beantwoord. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011 in zaak nr. 201006895/1, www.raadvanstate.nl.

17. Eisers bestrijden het standpunt van verweerder dat de oprichting en het in werking hebben van de inrichting niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken. Zij voeren hiertoe het volgende aan. In de aanmeldnotitie wordt ten onrechte niet ingegaan op het advies van VNOG, gedateerd 25 april 2013, waarin is vermeld dat een tankbreuk tot lokale ontwrichting kan leiden. De gevolgen van een tankbreuk worden ten onrechte niet in de aanmeldnotitie genoemd. De gezondheidsrisico’s die ten gevolge van de inrichting kunnen optreden zijn onvoldoende betrokken in het MER-beoordelingsbesluit. De aanmeldnotitie gaat ten onrechte niet in op de mogelijke besmetting van de omgeving met zoönosen, zoals bacteriën, virussen en prionen. Dit geldt volgens eisers eveneens voor de gevolgen van de inrichting voor de nabij gelegen ecologische hoofdstructuur, de bijbehorende ecologische verbindingszone en de zeer kwetsbare stikstofgevoelige natuurgebieden. Het enkele feit dat een zeer kwetsbaar gebied op meer dan 500 meter van de inrichting is gelegen, maakt niet dat daarom geen belangrijke nadelige gevolgen voor natuurwaarden optreden. Daarnaast zijn de in Duitsland gelegen Natura 2000-gebieden ten onrechte buiten de beoordeling gebleven. Dit is bezwaarlijk, nu mogelijk op zelfs kortere afstand dan de meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ het Duitse Natura 2000-gebied ‘Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung’ is gelegen. Dit gebied is zowel op grond van de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn aangewezen, aldus eisers.

18.1

Verweerder heeft op 11 april 2014 op grond van de aanmeldingsnotitie beslist dat de oprichting en het in werking hebben van de inrichting niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken. Verweerder heeft daarbij voor wat betreft het optreden van gezondheidsrisico’s uiteengezet dat in de aanmeldingsnotitie de maatregelen in relatie tot het gezondheidsaspect nader worden omschreven. In dit verband wordt genoemd het hygiëniseren van alle te vergisten producten, de gesloten opslag van de niet-gehygiëniseerde stoffen en het reinigen en ontsmetten van transportmiddelen. De aanvraag en de daarin opgenomen maatregelen voldoen aan de uitgangspunten van de Verordening dierlijke bijproducten (EG Verordening nrs. 1069/2009 en nr. 142/2011. De opslag van niet-gehygiëniseerde stoffen zal plaatsvinden in gebouw 1. Gebouw 1 wordt voorzien van een dampretoursysteem en van luchtzuivering met behulp van een luchtwasser en een actief koolfilter. Met de aangegeven maatregelen en voorzieningen wordt volgens verweerder een acceptabel restrisico bereikt. Verweerder heeft in het MER-beoordelingsbesluit over de externe veiligheid in aanmerking genomen dat de voorgenomen activiteiten niet vallen onder de reikwijdte van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi). Omdat de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 mogelijk buiten de grens van de inrichting kan komen te liggen, is er een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld. Deze is in bijlage 18 van de aanvraag opgenomen. In de QRA wordt aangetoond dat aan de normering voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan en dat geen bijzonder risico bestaat voor ongevallen. Omtrent de vraag of door de werking van de inrichting belangrijke nadelige gevolgen voor natuurwaarden optreden, heeft verweerder in de aanmeldnotitie uiteengezet dat de ligging van de nabij gelegen ecologische verbindingszone in beginsel geen beperkingen oplevert voor de oprichting van de inrichting omdat deze de zone niet doorkruist of anderszins beïnvloedt. Dit onderdeel is bij het opstellen van het bestemmingsplan ‘Kom Varsseveld 2010’ betrokken bij de ruimtelijke procedure. Daarnaast heeft verweerder in ogenschouw genomen dat in de directe omgeving geen kwetsbare gebieden zijn gelegen. De inrichting is op omstreeks 500 meter van een zeer kwetsbaar gebied gelegen. De binnen de Wet Ammoniak en Veehouderij vermelde zone van 250 meter is daarom niet van toepassing. Voorts zijn in de directe omgeving van de inrichting geen gebieden gelegen die vallen onder de beschermingsgebieden ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijgelegen gebied betreft het gebied ‘Korenburgerveen’’. Dit gebied ligt op een afstand van omstreeks 11 kilometer ten westen van de inrichting.

18.2

De rechtbank acht in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder een milieueffectrapport had moeten opstellen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijke risico’s van de inrichting op het gebied van de volksgezondheid, externe veiligheid en voor de in de omgeving aanwezige natuurwaarden in de aanmeldnotitie onvoldoende in kaart zijn gebracht. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse Natura 2000-gebied ‘Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung’ op zodanig korte afstand van de inrichting is gelegen dat in verband met de aanwezigheid van dat natuurgebied een MER diende te worden opgesteld. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het maken van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is. De beroepsgrond faalt.

Procedureel

19. Eisers betogen dat verweerder de adviezen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek (hierna: het college), de VNOG, het Waterschap Rijn en IJssel (hierna: het waterschap), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: de inspectie) in strijd met artikel 3:11 van de Awb niet met het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegd. Volgens eiseres 6 voldoet de terinzagelegging daarnaast niet aan de in artikel 3:11 van de Awb gestelde eisen, omdat uit de bijgevoegde lijst van overzicht van documenten blijkt dat een aanzienlijk aantal documenten dubbel of overbodig ter inzage is gelegd, deze overzichtslijst niet volledig is en de titels van de op de overzichtslijst vermelde stukken geen informatie geven over de ter inzage gelegde stukken.

20.1

Niet in geschil is dat van het ontwerpbesluit zowel overeenkomstig de Verordening elektronische bekendmaking Gelderland 2012 op digitale wijze als in het gemeentelijke huis-aan-huisblad Oude IJsselstreek Vizier kennis is gegeven. In het document “Overzichtslijst van ter inzage gelegde stukken omgevingsvergunning” is vermeld welke stukken bij de ontwerpbeschikking ter inzage zijn gelegd.
Op de overzichtslijst is vermeld dat het advies van het college d.d. 5 februari 2013 en het advies van het waterschap, indirecte lozing d.d. 6 februari 2013 met het ontwerpbesluit ter inzage zijn gelegd. Nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat die adviezen bij de terinzagelegging ontbraken, moet het ervoor worden gehouden dat de terinzagelegging van die stukken heeft plaatsgevonden.
Eisers moeten worden gevolgd in het aangevoerde dat het advies van NVWA niet met het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Het rapport, gedateerd 6 februari 2013, ontbreekt op voormelde overzichtslijst en verweerder heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat het rapport zich bij de ter inzage gelegde stukken bevond. Nu het rapport met het oog op het te nemen ontwerpbesluit is uitgebracht, komt het voor terinzagelegging in aanmerking en moet worden geoordeeld dat het redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerp. Vaststaat evenwel dat het rapport nadien ter kennis van eisers is gekomen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij door het ontbreken van het rapport bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit zijn benadeeld.
Voor zover eisers hebben willen aanvoeren dat het advies van NVWA, gedateerd 8 april 2013, het advies van het waterschap, gedateerd 11 april 2013, het advies van het college, gedateerd 16 april 2013, het advies van VNOG, gedateerd 25 april 2013, en het (voorlopig) advies van de inspectie, gedateerd 26 april 2013, in strijd met artikel 3:11 van de Awb niet met het ontwerpbesluit ter inzage zijn gelegd, worden zij hierin niet gevolgd. Deze stukken waren tijdens die terinzagelegging nog niet beschikbaar en konden niet voor het verstrijken van de termijn van de terinzagelegging aan de stukken worden toegevoegd.
De aangevoerde gebreken aan de overzichtslijst kunnen niet leiden tot het oordeel dat de terinzagelegging niet in overeenstemming met voormelde bepaling heeft plaatsgevonden. Uit artikel 3:11, eerste lid, van de Awb vloeit voort dat de op het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, tezamen met het ontwerpbesluit voor inzage beschikbaar dienen te zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2011 in zaak nr. 201002686/1/M1, www.raadvanstate.nl, volgt dat de inhoudsopgave geen stuk is dat redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van het ontwerpbesluit. Deze hoefde daarom niet op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpbesluit ter inzage te worden gelegd.

21. Voor zover eisers aanvoeren dat verweerder de door hem ingeschakelde adviseurs, te weten het college, de VNOG, het waterschap, de NVWA en de inspectie, ten onrechte niet tijdig in de gelegenheid heeft gesteld definitieve adviezen uit te brengen, overweegt de rechtbank als volgt.

22.1

Ingevolge artikel 2.26, derde lid, van de Wabo stelt het bevoegd gezag, voor zover hier van belang, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen of andere instanties in gevallen die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie in de gelegenheid hem advies uit te brengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning
Ingevolge artikel 3.19, eerste lid, brengt het bestuursorgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, een advies uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen. Het advies wordt uitgebracht binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag om de omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning. Artikel 3.11, derde lid, tweede en derde volzin is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid wordt het orgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, voorts in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om de omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning.
Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) worden met betrekking tot een aanvraag als adviseur aangewezen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project geheel of gedeeltelijk zal worden of wordt uitgevoerd.
Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, wordt met betrekking tot het ontwerp van een beschikking op een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet de inspecteur als adviseur aangewezen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een van de in bijlage III aangewezen categorieën.

Ingevolge het derde lid wordt met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet, in gevallen waarin gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, als adviseur aangewezen het bestuur van de veiligheidsregio binnen wiens gebied de betrokken inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in bijlage I, onderdeel C, onder 3.5.

22.2 BVA heeft op 25 januari 2013 gelijktijdig met de aanvraag om vergunningverlening een aanvraag om een vergunning voor het lozen van afvalwater als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet ingediend. Het bestuursorgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, het waterschap, heeft op 6 februari 2013 binnen de in artikel 3.19, eerste lid, van de Wabo gestelde termijn het in die bepaling bedoelde advies uitgebracht. Daarnaast heeft verweerder het waterschap in overeenstemming met artikel 3.19, tweede lid, van de Wabo in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om de omgevingsvergunning, hetgeen het op 11 april 2013, voor het nemen van het bestreden besluit, heeft gedaan. Daarnaast heeft verweerder het college in overeenstemming met artikel 6.1 van het Bor verzocht advies te verlenen, hetgeen het op 6 februari 2013 heeft gedaan. Voorts heeft verweerder de inspectie op 15 april 2013 in overeenstemming met artikel 6.3, tweede lid, van het Bor om advies gevraagd over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag. Niet is gebleken dat bij het nemen van het bestreden besluit een advies van de inspectie is betrokken, nu het officiële advies van dateert van na het bestreden besluit, namelijk 7 juni 2013, en niet is komen vast te staan dat de inspectie verweerder reeds per e-mail heeft voorzien van advies. Nu het er voor moet worden gehouden dat verweerder het advies van de inspectie niet in de besluitvorming heeft betrokken, is het besluit in strijd is met artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, sub 4˚, van de Wabo. In zoverre slaagt de beroepsgrond, en dient het besluit te worden vernietigd.

Omtrent de overige, op grond van artikel 2.26, vierde lid, van de Wabo, onverplicht door verweerder gevraagde adviezen, te weten de adviezen van de VNOG van 25 april 2013 en de NVWA van 8 april 2013 overweegt de rechtbank dat deze stukken tegelijk met het bestreden besluit ter inzage zijn gelegd dan wel nadien ter kennis van eisers zijn gekomen.

23. Eisers betogen tevergeefs dat verweerder de belangen niet zuiver en onzorgvuldig heeft afgewogen. De rechtbank ziet in de enkele actieve betrokkenheid van verweerder bij de locatiekeuze van de inrichting en de promotie van de bedrijvigheid van BVA geen grond om tot dit oordeel te komen. Verweerder heeft toegelicht waarom hij tot een actieve bemoeienis met de locatiekeuze van de inrichting en zijn welwillende uitingen over de bedrijfsactiviteiten van BVA is overgegaan en eisers hebben niet geconcretiseerd wat die betrokkenheid van verweerder onzorgvuldig en onzuiver maakt.

24. Eisers betogen dat verweerder op grond van onjuiste informatie in de in bijlage 18 van de aanvraag opgenomen kwantitatieve risicoanalyse (QRA) het ontwerpbesluit aan een grotere groep belanghebbenden bekend had moeten maken dan hij heeft gedaan. Uit het VNOG-advies volgt dat ook omwonenden buiten de door verweerder genoemde geurcirkel als belanghebbenden bij de ontwerpbeschikking dienen te worden aangemerkt, zodat verweerder hen in strijd met artikel 3:12 van de Awb niet in de gelegenheid heeft gesteld zienswijzen over het ontwerpbesluit uit te brengen, aldus eisers.
De omstandigheid dat bij een eventuele calamiteit mogelijk gevolgen op een afstand van meer dan 1 kilometer afstand van de inrichting kunnen worden ondervonden, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat de kring van mogelijk belanghebbenden zich tot buiten die afstand uitstrekt. Niet gebleken is van een zodanige kans op milieugevolgen van betekenis buiten het door verweerder aangenomen gebied, dat van het ontwerpbesluit in een wijdere omtrek kennis had moeten worden gegeven. De beroepsgrond faalt.

Aanhaakplicht Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998)

25. Eisers betogen dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 47 en verder van de Nbw 1998. Zij voeren hiertoe aan dat slechts voor een beperkt deel van de beoogde activiteit, te weten de ammoniakemissies, een Nbw-vergunning is verleend en dat een dergelijke vergunning ontbreekt voor de overige natuurschadelijke deposities door de beoogde activiteiten, waaronder de NOx en SO2 deposities. Gelet hierop geldt de in artikel 47 en verder van de Nbw 1998 voorgeschreven aanhaakplicht, aldus eisers.

Bij onherroepelijk geworden besluit van 4 februari 2013, kenmerk 2012-012237, heeft verweerder aan BVA een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleend voor het oprichten en in bedrijf hebben van een biogasinstallatie met mestverwerking op het perceel. Gelet hierop gold voor BVA op grond van artikel 47, tweede lid, van de Nbw 1998 niet de in artikel 47a, eerste lid, van die wet genoemde aanhaakplicht en behoefde hij er geen zorg voor te dragen dat de aanvraag om een omgevingsvergunning tevens betrekking had op handelingen die tevens zijn aan te merken als projecten of andere handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, geldt.

Coördinatie Waterwet

26. Voor zover eisers beogen te betogen dat een voldoende inhoudelijke coördinatie ontbreekt tussen de verleende vergunning voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting en de verleende vergunning op grond van de Waterwet, omdat eerstgenoemde vergunning lozing van digestaat op de riolering wel en de laatstgenoemde vergunning dat niet toestaat, doen zij dit tevergeefs.
Zoals blijkt uit het bestreden besluit en het besluit tot verlening van de op 23 april 2013 aan BVA verleende vergunning op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet voor het lozen van afvalwater op de Seesinkbeek heeft zowel procedurele als inhoudelijke coördinatie tussen beide vergunningen plaatsgevonden. Dat beide vergunningen betrekking hebben op verschillende activiteiten vloeit voort uit de regelgeving bij of krachtens de Wabo en de Waterwet en leidt niet tot het oordeel dat een onvoldoende coördinatie tussen beide vergunningen heeft plaatsgevonden.

Aanvraag

27. Eisers betogen dat de vergunning had moeten worden geweigerd, omdat de aanvraag in strijd is met artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 2008 L 24; hierna: IPPC‑richtlijn).
Zij voeren hiertoe aan dat bij de aanvraag geen overzicht van alle emissiepunten, zowel puntbronnen als diffuse bronnen, naar de buitenlucht is opgenomen. Ten onrechte ontbreekt een tabel met emissiepunten, debieten, emissiehoogte en geëmitteerde stoffen voor in ieder geval geur, SO2 (zwaveldioxide), NOx (stikstofoxide), aerosolen en pathogenen.
Zij voeren daarnaast aan dat een (voldoende) monitoring van de emissies ontbreekt. Verweerder heeft in strijd met artikel 9, vijfde lid, van de IPPC-richtlijn ten onrechte geen monitoringsprogramma overeenkomstig paragraaf 3.7 van de NER aan de vergunning als voorschrift verbonden. Voorschrift 1.10.1 kan niet als een zodanig monitoringprogramma worden aangemerkt, omdat dit voorschrift slechts stelt dat monitoring moet plaatsvinden en de uitwerking ervan ontbreekt.
Zij voeren voorts aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bij de aanvraag gevoegde bijlagen 2 en 5 als verplichte “niet technische samenvatting” kunnen worden aangemerkt. Die stukken bevatten onvoldoende informatie over luchtemissies en immissies, de mogelijke geuroverlast en de mogelijke risico’s op besmetting met pathogenen en risico’s als gevolg van calamiteiten. Ten onrechte ontbreekt de conclusie van de VNOG in haar advies van 25 april 2013 dat bij calamiteiten gezondheidseffecten met onherstelbare schade tot op een afstand van 2.400 meter kunnen optreden, aldus eisers.

Zij voeren ten slotte aan dat de schets van de alternatieven ten onrechte in de aanvraag ontbreekt.

28.1

Op 6 januari 2011 is de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (hierna: IED-richtlijn) in werking getreden. De IED-richtlijn strekt tot wijziging en herschikking van onder meer de IPPC‑richtlijn. Ingevolge artikel 80, eerste lid, moet de IED-richtlijn uiterlijk op 7 januari 2013 worden omgezet en toegepast. Het bestreden besluit is na 7 januari 2013 genomen. Dit betekent dat voor de beoordeling daarvan niet voornoemde noemde artikelen van de IPPC‑richtlijn, maar de daarmee corresponderende bepalingen in artikel 12, eerste lid, en 14, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de IED‑richtlijn bepalend zijn.

28.2

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de IED-richtlijn treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de aanvraag van een vergunning een beschrijving bevat van de volgende elementen:

(…);

c) de emissiebronnen van de installatie;

(…);

f) aard en omvang van de te voorziene emissies van de installatie in elk milieucompartiment, met een overzicht van de significante milieueffecten van de emissies;

(…);

j) de maatregelen die worden getroffen ter controle van de emissies in het milieu;

k) een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen.

De aanvraag van een vergunning dient een niet-technische samenvatting van de in de eerste alinea genoemde gegevens te bevatten.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c en d, zorgen de lidstaten ervoor dat de vergunning alle maatregelen omvat die ter vervulling van de voorwaarden van de artikelen 11 en 18 nodig zijn.

Die maatregelen behelzen ten minste de volgende elementen:

(…);

c) passende eisen voor de monitoring van de emissies, met vermelding:

i. i) van de meetmethode, de frequentie en de procedure voor de evaluatie van de metingen, en

ii) wanneer artikel 15, lid 3, onder b), wordt toegepast, dat de resultaten van de monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde termijn en referentieomstandigheden als voor de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;

d) de verplichting de bevoegde autoriteit regelmatig en ten minste jaarlijks in kennis te stellen van:

i. i) informatie op basis van de resultaten van de onder c) bedoelde monitoring van de emissies en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de bevoegde autoriteit de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen, en

ii) wanneer artikel 15, lid 3, onder b), wordt toegepast, een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies dat een vergelijking mogelijk maakt met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;
(…).

28.3

Voornoemde bepalingen van de IED-richtlijn zijn geïmplementeerd in artikel 4.1 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor). De rechtbank zal het betoog dan ook bespreken en beoordelen aan de hand van die bepaling. Dit is alleen anders als de voornoemde bepalingen van de IED-richtlijn niet of onjuist in de Mor zijn geïmplementeerd.


28.4 Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Mor verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of in werking hebben van een inrichting, de volgende gegevens en bescheiden:

(…);

e. de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt;

(…);

j. voor zover het betreft inrichtingen waartoe IPPC-installaties behoren: een beknopte beschrijving van de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen.

Ingevolge het tweede lid gaat de aanvraag vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

28.5

BVA heeft bij de aanvraag, voor zover hier van belang, de rapporten van het geuronderzoek, gedateerd 24 januari 2013, en het onderzoek luchtkwaliteit, gedateerd 25 januari 2013, van Geling gevoegd. De bijlagen bij die rapporten maken melding van de emissiebronnen van de installatie en van de aard en omvang van de te voorziene emissies ervan in de milieucompartimenten geur onderscheidenlijk lucht, waaronder begrepen de emissie van zwaveldioxide en stikstofoxide. Daarnaast bevatten die stukken een overzicht van de significante milieueffecten van bovengenoemde emissies. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de daarin vermelde emissiebronnen ontoereikend zijn om tot een adequate beoordeling van de geurbelasting te komen. Over de door eisers geuite vrees voor risico’s voor de omgeving door de uitstoot van pathogenen overweegt de rechtbank dat eisers niet hebben geconcretiseerd waarom met voornoemde beschrijving van de emissiebronnen en de milieueffecten ervan niet is voldaan aan de in artikel 4.1 van de Mor gestelde voorwaarden. Die bepaling stelt niet de eis dat alle emissiepunten in een apart overzicht dienen te worden opgenomen, zoals eisers verlangen.

28.6

Omtrent het aangevoerde over het ontbreken van een toereikende monitoring overweegt de rechtbank dat verweerder, naast het door eisers vermelde voorschrift 1.10.1, in de hoofdstukken 8 en 9 van het bestreden besluit verschillende voorschriften over de monitoring van de emissie van geur onderscheidenlijk lucht heeft opgenomen. Hoofdstuk 8 bevat in 8.1.4 en 8.1.5 monitoringvoorschriften over het aspect geur en in 8.3.1 een monitoringvoorschrift, waarin, voordat met de bouw van de mest(co)vergistingsinstallatie wordt gestart, een onderhouds- en inspectieplan, conform paragraaf 3.7 van de NeR, ter goedkeuring aan verweerder is overgelegd, waaruit blijkt hoe de goede werking van de, in de inrichting toegepaste, nageschakelde technieken is gewaarborgd. Hoofdstuk 9 bevat in 9.2.4 en verder monitoringvoorschriften over de metingen ammoniak en in 9.2.11 en verder monitoringvoorschriften over de metingen totaal stof. Voorts zijn in 9.3.4 onderscheidenlijk 9.4.3 voorschriften opgenomen over de monitoring van de fakkelinstallatie onderscheidenlijk het biogas. De rechtbank acht in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond aanwezig voor het oordeel dat de in het bestreden besluit opgenomen monitoringvoorschriften in het licht van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder j, gelezen in samenhang met artikel 14 van de IED-richtlijn ontoereikend zijn.

28.7

Over het aangevoerde dat de bij de aanvraag gevoegde bijlagen 2 en 5 als verplichte “niet technische samenvatting” kunnen worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. Mede gelet op de nota van toelichting bij artikel 4.1 van de Mor (Stb 2010, 231), gelezen in samenhang met de nota van toelichting bij het Besluit tot wijziging van het, thans niet meer van kracht zijnde, Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 1997, 418), moet in het concrete geval worden beoordeeld of het nodig is een dergelijke samenvatting in de aanvraag op te nemen. Van belang hierbij is de aard van de desbetreffende gegevens in relatie tot de begrijpelijkheid ervan voor het algemene publiek. Verweerder heeft uiteengezet dat in bijlage 2 (milieuverantwoord ondernemen) bij de aanvraag een opsomming is gegeven van de relevante milieuaspecten met een verwijzing naar de relevante onderzoeken. Bijlage 5 bij de aanvraag (beschrijving BVA concept) geeft volgens verweerder een beschrijving van alle procesonderdelen en de verwachte milieueffecten op hoofdlijnen. Bijlage 25 bevat een blokschema met een overzicht van alle bedrijfsprocessen en benodigde grond- en afvalstoffen en het hergebruik van deze stromen, aldus verweerder.
De rechtbank is van oordeel dat die stukken voor een algemeen publiek voldoende inzicht verschaffen over de vergunningaanvraag en de gevolgen die de inrichting voor het milieu heeft. Zij acht dan ook geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder die bijlagen niet in redelijkheid als een niet‑technische samenvatting in de zin van artikel 4.1, tweede lid, van de Mor heeft kunnen aanmerken.

28.8

Anders dan eisers aanvoeren, kan niet worden geoordeeld dat een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen ontbreekt. Uit de tekst van artikel 4.1 van de Mor volgt dat het moet gaan om een schets van daadwerkelijk door de aanvrager bestudeerde technologie, technieken en maatregelen. Nu een dergelijke schets ontbreekt, kon deze ook geen onderdeel van de aanvraag uitmaken. De beroepsgrond faalt.

29. Eiseres 6 betoogt tevergeefs dat de aanvraag, in strijd met artikel 4.1 van de Mor en het Wabo-vergunningenstelsel, betrekking heeft op twee verschillende inrichtingen met verschillende gevolgen voor de leefomgeving, te weten de realisatie van een biogasproductie-installatie dan wel een electriciteitsproductiecentrale in de vorm van drie WKK-installaties met een capaciteit van 1,4 Megawatt.
Voormeld artikel bepaalt welke gegevens en bescheiden een aanvrager moet indienen in of bij een aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of in werking hebben van een inrichting. Er valt geen verbod op het opnemen van bovengemelde twee verschillende scenario’s – twee verschillende technieken die komen tot een vergelijkbaar eindproduct – in de aanvraag uit af te leiden. Evenmin is gebleken van een andere wettelijke bepaling die een dergelijk verbod inhoudt.

30. Eiseres 6 betoogt daarnaast dat onvoldoende is beoordeeld of de vergunde installatie geen onevenredige geurbelasting voor de omgeving zal veroorzaken om de reden dat een deugdelijke, integrale worst case beoordeling van de optredende geuremissies voor elke van de twee afzonderlijke bedrijfsinstallaties (elektriciteitscentrale dan wel biogasopwekking) ontbreekt.

In de vergunningaanvraag zijn twee scenario’s opgenomen, te weten een groengasscenario en een WKK-scenario. In bijlage 16 zijn de resultaten vervat van een onderzoek naar geurbelasting vanuit de inrichting. Per milieuaspect is beoordeeld welk scenario de hoogste milieubelasting veroorzaakt.
In het geuronderzoek is vermeld: “Omdat op dit moment niet helder is welk scenario wordt gerealiseerd, zijn in de milieuaanvraag beide scenario’s verwerkt. Dat wil zeggen dat in de aanvraag alle technieken beschreven zijn en de worst-case situatie als uitgangspunt is genomen voor de diverse onderzoeken. De worst-case situatie qua milieuaspecten is het WKK-scenario, vanwege de drie WKK’s en platendroger. De onderbouwing hiervoor is gelegen in de hogere milieu-emissies voor de aspecten geluid en lucht afkomstig van de WKK’s. Drie grote WKK’s veroorzaken meer emissie naar het milieu dan de combinatie van één kleine WKK met gasopwekking en de droger bij het WKK scenario geeft meer luchtemissie (op basis van lucht debiet van 120.000 m³/hr) dan de PAD droger. Daarnaast is de platendroger continu in bedrijf inclusief luchtwassers. De PAD is 5.400 uren per jaar in bedrijf met een luchtdebiet van ca. 48.000 m³/hr, dus de luchtwassers worden ook meer dan 50% kleiner dan bij het WKK scenario. Hierdoor daalt dus ook het waswater-, energie- en zwavelzuurverbruik evenredig. Het WKK-scenario is daarom in de milieuaanvraag uitgewerkt in alle afzonderlijke milieuonderzoeken zodat de maximale emissies naar de omgeving inzichtelijk zijn. Dit onderzoek brengt derhalve de invloed van het WKK-scenario op de geurhinder in de omgeving in kaart en toetst deze aan de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (NeR) en het geurbeleid van de provincie Gelderland.”
De rechtbank acht met het geuronderzoek genoegzaam gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt dat het WKK-scenario een hogere milieubelasting veroorzaakt dan het groengasscenario. Gelet hierop heeft verweerder ervan mogen afzien nader onderzoek te verrichten naar de geurbelasting van het minst belastende groengas-scenario.
Het betoog faalt.

Volksgezondheid

31. Eiseres 6 betoogt dat de aanvraag onvoldoende gegevens bevat om te kunnen oordelen in welke concentraties de pathogenen, zoönosen en biologische agentia zich buiten de inrichting verspreiden. Uit onderzoek door IRAS/NIVEL/RIVM van juni 2011 ‘Mogelijke effecten van intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen’ blijkt dat met veehouderij gezondheidsrisico’s voor omwonenden optreden en dat de risico’s mede samenhangen met mest, afkomstig uit de veehouderij. De inrichting en de voorschriften bevatten onvoldoende waarborgen om de verspreiding van biologische agentia buiten de inrichting op een aanvaardbaar niveau te houden, aldus eiseres 6.
Eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5betogen dat in de voorschriften ten onrechte geen eisen zijn gesteld aan in de afvoerlucht maximaal toegestane concentraties pathogenen. Daarnaast vinden er maximaal omstreeks 50 transportbewegingen van tank en/of mestwagens plaats die grote hoeveelheden pathogenen verspreiden en er is geen borging dat deze wagens van de buitenkant schoon zijn voordat zij de inrichting bereiken en verlaten. De QRA ontbeert een adequate risicoanalyse van een besmetting met pathogenen (ziekteverwekkers van biologische oorsprong) en/of zoönosen (infectieziekten die kunnen worden overgedragen van dieren op mensen). Voorts zou verweerder onvoldoende in ogenschouw hebben genomen dat als gevolg van de groei van het aantal mestvergisters aanzienlijke risico’s bestaan voor de volksgezondheid, met name voor de verspreiding van Q-koorts.
Eiseres 1 betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte geen toetsing bevat aan de Verordening (EU) Nr. 142/2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (hierna: EU‑verordening 142/2011). Zij wijst in dit verband onder meer naar Bijlage V, hoofdstuk 1, afdeling 1, onder 3.


31.1 Ingevolge Bijlage V, hoofdstuk 1, afdeling 1, onder 3, van de EU-verordening 142/2011 dient de biogasinstallatie, indien deze zich op of naast bedrijfsterreinen bevindt waar landbouwhuisdieren worden gehouden en de installatie ook andere producten dan alleen mest, melk of biest van deze dieren gebruikt, zich op een zekere afstand te bevinden van de plaats waar de dieren worden gehouden. Die afstand moet zodanig zijn dat de biogasinstallatie geen onaanvaardbaar risico voor de overdracht van op mens of dier overdraagbare ziekten inhoudt.

31.3

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ter voorkoming van gezondheidsrisico’s onder meer de navolgende voorschriften verbonden. In voorschrift 2.2.1 is bepaald dat de op- en overslag en het transport van afvalstoffen zodanig moet plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. In 3.1.1 is bepaald dat bedrijfsafvalwater afkomstig van de laad- en lospunten voor drijfmest, spuiwater en hulpstoffen, de losput en ontsmettingsplaats uitsluitend in de drijfmestkelder mogen worden gebracht en in 3.1.2 is bepaald dat gemorste stoffen zo spoedig mogelijk verwijderd dienen te worden, vervuilde straten en terreinen zo spoedig mogelijk dienen te worden gereinigd en het buitenterrein in schone staat dient te worden gehouden. In voorschrift 8.2.1 is bepaald dat alle grondstoffen voor de co-vergistingsinstallatie (mest en co-producten) inpandig worden opgeslagen, be- en/of verwerkt. In 8.2.2 is bepaald dat het laden en lossen van drijfmest en digestaat uitsluitend plaatsvindt door middel van tankwagens die voorzien zijn van een dampretoursysteem. Voorschrift 8.2.3 schrijft voor dat in de luchttoevoeropeningen in de gebouwen 1 tot en met 5 een inwaartse gerichte luchtstroming (onderdruk) aanwezig is. Voorschrift 8.2.4 schrijft voor dat ramen en deuren van voornoemde gebouwen steeds gesloten zijn en dat de deuren uitsluitend worden geopend voor het doorlaten van personen en/of goederen.

Verweerder heeft omtrent de met de gezondheidsaspecten vanwege de inrichting advies gevraagd aan de NVWA. De NVWA heeft op 8 april 2013 advies uitgebracht. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Ter bescherming van volks- en diergezondheid heeft de EU-Verordening 142/2011 ingesteld. In artikel 10 van deze Verordening zijn eisen gesteld inzake omzetting van dierlijke producten en afgeleide producten in een biogasinstallatie en in Bijlage V van de Verordening is nader omschreven waaraan een biogasinstallatie moet voldoen. Hierbij wordt voorgeschreven een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel, normen waaraan dit toestel moet voldoen, normen voor micro-organismen waaraan het gistingsresidu aan moet voldoen. Voor bijv. plantaardige producten die gemengd worden met Dierlijke Bijproducten gelden de zelfde normen voor wat betreft het gistingsresidu, met andere woorden indien men mest mengt met een ander niet dierlijk product wordt dit mengsel gezien als een Dierlijk Bijproduct. In de BVA installatie is in een hygiënisatieprocedure voorzien.”
Zoals blijkt uit de als bijlage 5 gevoegde beschrijving van het BVA-concept van Geling Advies, gedateerd 25 januari 2013, is voorzien in een hygiënisatieproces, zowel bij het lossen van de aangevoerde mest en de co-producten als bij de voorbehandeling van de te vergisten producten, als bij de verwerking van digestaat na de vergisting als bij de afvoer van de eindproducten.
Eisers hebben niet geconcretiseerd dat die hygiënisatieprocedure als ontoereikend moet worden gekwalificeerd en dat het stellen van nadere voorschriften, zoals een voorschrift met de vermelding in bijlage 5 bij de aanvraag dat de biomassa gedurende één uur op een temperatuur van 70˚ C wordt gehygiëniseerd, aan de vergunning ter bescherming van het milieu noodzakelijk is.
Voor zover eisers met het betoog, dat er geen borging is dat de van en naar de inrichting rijdende tank en/of mestwagens van de buitenkant schoon zijn voordat zij de inrichting bereiken en verlaten, hebben bedoeld aan te voeren dat verweerder daaromtrent voorschriften aan de vergunning had moeten verlenen, volgt de rechtbank hen daarin niet. Uit artikel 2.22, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2.14, derde lid, en artikel 2:1, eerste lid, van de Wabo volgt dat een gehoudenheid tot het stellen van voorschriften aan de vergunning in het belang van bescherming van het milieu alleen bestaat bij activiteiten binnen de inrichting. Het vervoer van en naar de inrichting valt daar niet onder. De rechtbank merkt in dit verband op dat in Bijlage VIII bij de EU-verordening 142/2011 rechtstreeks werkende bepalingen zijn opgenomen omtrent het vervoer van dierlijke bijproducten of afgeleide producten. Zo vindt het vervoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten hiervan plaats in gesloten nieuwe verpakkingen of lekvrije voertuigen, zijn voertuigen schoon en droog voor gebruik en voor zover nodig na elk gebruik gereinigd, gespoeld en/of ontsmet, om versleping te voorkomen en worden dierlijke bijproducten en afgeleide producten hiervan bestemd voor de diervoederproductie tijdens het vervoer op een geschikte temperatuur gehouden.
Het onderzoek door IRAS/NIVEL/RIVM van juni 2011, waarop eiseres 6 zich beroept, heeft betrekking op mogelijke risico’s van de uitoefening van (intensieve) veehouderij voor de omgeving en ziet niet op de hier aan de orde zijnde co‑vergistingsinstallatie. Reeds nu laatstgemelde installatie niet op één lijn kan worden gesteld met de uitoefening van (intensieve) veehouderij bestaat geen grond voor het oordeel dat het in werking hebben van de co-vergistingsinstallatie zodanige risico’s voor de volksgezondheid kan opleveren dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd, dan wel dat verweerder daaraan nadere voorschriften of beperkingen had moeten verbinden dan hij met bovengenoemde voorschriften heeft gedaan.
Nu op het bedrijfsterrein van eiseres 1 geen landbouwhuisdieren worden gehouden, is Bijlage V, hoofdstuk 1, afdeling 1, onder 3, van de EU-verordening 142/2011 niet op het bedrijf van eiseres 1 van toepassing en kan zij niet worden gevolgd in het betoog dat het bestreden besluit ten onrechte een toetsing aan die bepaling ontbeert.

Het aangevoerde dat in het bestreden besluit ook anderszins een toetsing ontbreekt aan EU‑verordening 142/2011 ontbeert feitelijke grondslag. Het bestreden besluit bevat een toetsing aan artikel 10 en de bijlage V. Eisers 1, 2 en 5 (Bergervoet, Jolink, Zweerink, Lettink en Kuiperij) hebben niet geconcretiseerd waarom die toetsing onvolledig is. De hiertoe in onderdeel 11 van het aanvullende beroepschrift, gedateerd 18 mei 2014, geuite kanttekeningen zijn daartoe ontoereikend.
De betogen falen.

Koppeling delen aanvraag aan vergunning

32. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte slechts de in voorschrift 1.1.1. genoemde delen van de aanvraag en niet tevens de bijlagen 1, 2, 5, 18 (QRA) en 32 en de nagekomen BBT-toets als voorschriften aan de vergunning heeft verbonden. Bij het ontbreken van een koppeling van die bijlagen is het in de QRA beschreven ontwerp niet geborgd in de voorschriften en kan de inrichting op een heel andere wijze worden ontworpen dan het in die bijlage beschreven ontwerp, aldus eisers.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.
Ingevolge artikel 2.22, derde lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor daarbij aangewezen categorieën activiteiten of gevallen regels gesteld met betrekking tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning.

De artikelen 5.5 tot en met 5.8 van het Bor bevatten nadere regels over voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor inrichtingen moeten dan wel kunnen worden verbonden.

In welke gevallen een bepaald voorschrift nodig is, staat primair ter beoordeling aan het bevoegd gezag, in dit geval verweerder.

32.1

Ter zitting is namens BVA vermeld dat er geen bezwaar bestaat tegen de koppeling van de bijlagen 1, 2 en 5 aan de aanvraag. Ook verweerder kan zich daarmee verenigen. Nu verweerder zich daarmee in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

32.2

De rechtbank acht in het door eisers aangevoerde geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder naast bovengemelde onderdelen van de aanvraag – delen van – de bijlagen 18 en 32 als voorschrift aan de vergunning had moeten verbinden. Zij hebben niet toegelicht dat en waarom dit in het licht van voornoemde bepalingen uit de Wabo en het Bor en uit oogpunt van de bescherming van het milieu noodzakelijk was. Verweerder heeft in de enkele omstandigheid dat de vergunning de derde‑partij 1 de ruimte laat op onderdelen wijzigingen aan te brengen aan de realisatie van de inrichting geen noodzaak hoeven zien ter zake nadere voorschriften te stellen. Zoals verweerder met juistheid heeft gesteld, wordt (de werking van) de inrichting reeds begrensd door het aan de vergunning verbonden voorschrift bouwen, door de bepalingen van het Bouwbesluit 2012 en door de reeds aan de vergunning verbonden voorschriften, waaronder die ter bescherming van het milieu. De beroepsgrond faalt in zoverre.

Externe veiligheid

33. De eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5 betogen dat het bestreden besluit wat betreft de gevaaraspecten van de inrichting onzorgvuldig is genomen.

33.1 BVA heeft bij de aanvraag een QRA overgelegd. In dit deskundigenbericht is vermeld dat zowel de voorschriften uit het Brzo als het Bevi niet van toepassing zijn op onderhavige inrichting.
De rechtbank acht in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder zich op basis van de QRA niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de drempelwaarden van het Brzo niet worden overschreden en dat het Bevi daarom niet op de inrichting van toepassing is. Het VNOG-advies leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu in dat advies de bevindingen in de QRA dat het Brzo en het Bevi niet van toepassing zijn niet worden betwist. De door eisers genoemde bevindingen uit het VNOG‑advies vallen buiten de reikwijdte van het Brzo en het Bevi en leiden daarom niet tot het oordeel dat de externe veiligheid een belemmering vormt voor vergunningverlening dan wel dat naar dat milieuaspect aanvullend onderzoek had moeten worden verricht.
Omtrent het aangevoerde dat vanuit de inrichting hoge concentraties H2S kunnen vrijkomen, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals blijkt uit de QRA kunnen bij het vrijkomen van H2S met een concentratie van 3 vol% op een afstand van 170 meter van de risicobron dodelijke slachtoffers optreden. Volgens de QRA komt bij de inrichting van BVA evenwel een aanzienlijk lagere concentratie H2S vrij, te weten 2.500 ppm, 0,25 vol%. Verweerder heeft uit de berekeningen van de QRA afgeleid dat de afstand waarbinnen dodelijke slachtoffers kunnen vallen op ongeveer tien meter moet worden gesteld, en dat de bijbehorende 1% letaliteitsafstand dan omstreeks tien meter is en binnen de grenzen van de inrichting valt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de QRA de risico’s van de aanwezigheid van H2S terecht niet nader in kaart heeft gebracht.

Omtrent het aangevoerde dat de opslag van THT aan de overzijde van de Euroweg bij de risicoanalyse had moeten worden betrokken, overweegt de rechtbank als volgt. BVA heeft de QRA laten opstellen in overeenstemming met de Handleiding Risicoberekeningen Bevi. Uit paragraaf 2.2.2.2 van de Handleiding Risicoberekeningen Bevi volgt dat een opslagplaats uit een QRA dient te worden weggelaten wanneer gevaarlijke stoffen in hoeveelheden kleiner dan tien ton worden opgeslagen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat binnen de inrichting minder dan tien ton gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, heeft verweerder zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de opslag van THT niet bij de risicoanalyse had moeten worden betrokken.
Het door de inspectie op 7 juni 2013 gegeven advies de aanvrager in overweging te geven de vier vergisters in een tankput te plaatsen of rond de vergisters een tankwal te plaatsen leidt evenmin tot een ander oordeel. Uit dat advies kan immers tevens worden afgeleid dat het treffen van die maatregelen vanuit externe veiligheid niet kan worden vereist.
Overigens heeft de VNOG evenmin weersproken de conclusie in de QRA dat een toetsing aan het Bevi tot de conclusie leidt dat aan de in dat besluit gestelde normen wordt voldaan. In de QRA is aan de artikelen 6 (omtrent het plaatsgebonden risico) en 12 (omtrent het groepsrisico) van het Bevi getoetst. Geconcludeerd is dat zich geen geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten bevinden binnen de contour van het plaatsgebonden risico, de 10-6 contour. Daarnaast ligt het berekende groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde, minimaal een factor 100. Eisers hebben geen aanknopingspunten verschaft voor het oordeel dat die conclusie in de QRA voor onjuist moet worden gehouden.
Het betoog faalt.

34. Eisers 1, 2 en 5 ([eisers 1, 2 en 5]) betogen dat de voorschriften 6.3.3 en 6.3.4 potentieel gevaarlijke situaties toelaten, die meer risico’s opleveren dan de in de aanvraag omschreven risico’s. Zij voeren hiertoe aan dat voorschrift 6.3.4 in strijd met de Wabo slechts de overlegging van een Risico Inventarisatie en Evaluatie (hierna: RIE) vereist, deze niet aan de goedkeuring van verweerder is onderworpen en daartegen geen rechtsmiddel kan worden aangewend.

34.1

In voorschrift 6.3.3 is bepaald dat vergunninghouder in afwijking van 6.3.1 en 6.3.2 andere gelijkwaardige maatregelen mag treffen. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregelen minstens evenveel bijdragen aan de veiligheid van de installatie.
In voorschrift 6.3.4 is bepaald dat vergunninghouder in afwijking van voorschrift 6.3.2 een gelijkwaardig veiligheidsniveau mag realiseren, wat door middel van een RIE moet zijn aangetoond. Deze RIE moet uiterlijk 3 maanden voor oprichting installatie te zijn uitgevoerd en overgelegd aan het bevoegd gezag.

34.2

Voornoemde voorschriften biedt BVA de mogelijkheid op een andere wijze dan in de aanvraag is omschreven een gelijkwaardig veiligheidsniveau te realiseren. Dit dient te worden aangetoond door middel van een RIE, die uiterlijk drie maanden voor de oprichting aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd. Het ligt vervolgens ter beoordeling van het bevoegd gezag of de overgelegde RIE een gelijkwaardig veiligheidsniveau biedt. Indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet het geval is, dient het over te gaan tot handhavend optreden. De rechtbank acht in hetgeen eisers hebben aangevoerd op voorhand geen grond aanwezig voor het oordeel dat de veiligheid van de installatie met het opnemen van voornoemde voorschriften onvoldoende is gewaarborgd.

35. Eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5 betogen dat aan de vergunning voorschriften ter voorkoming van explosies van bijvoorbeeld biogas hadden moeten worden verbonden.

35.1

Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat een gasexplosie kan ontstaan als een ontstekingsbron een explosief mengsel van een brandbaar gas (verdampte vluchtige vloeistof) en zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Ook in de inrichting van BVA bestaat bij de productie, transport en opslag van biogas de kans dat dit gas tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht. De verplichtingen voor bedrijven ter voorkoming van gas- en stofontploffingsgevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandigheden en het Arbeidsomstandighedenbesluit, de zogenaamde ATEX-regelgeving. Concreet gaat het voor inrichtingen met name om het opstellen van een RIE voor de onderdelen gas- en stofontploffing. De arbeidsinspectie is daarbij de toezichthoudende instantie. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het stellen van aanvullende voorschriften in de vergunning daarom niet noodzakelijk is.

35.2

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2008 in zaak nr. 200707252/1, www.raadvanstate.nl, dat de regels die op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn gesteld met betrekking tot de explosieveiligheid van de in de inrichting aanwezige installaties, strekken tot bescherming van personen die binnen de inrichting werkzaam zijn. Deze wetgeving staat er niet op zichzelf reeds aan in de weg dat aan een vergunning op grond van de Wabo voorschriften worden verbonden met betrekking tot explosieveiligheid, ter voorkoming dan wel beperking van nadelige milieugevolgen buiten de inrichting.

35.3

Het vorenstaande leidt er evenwel niet toe dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat ter bescherming van explosiegevaar geen aanvullende voorschriften behoefden te worden opgenomen op de voorschriften die verweerder reeds ter bescherming van de externe veiligheid aan de vergunning heeft verbonden. Verweerder heeft ter bescherming van de externe veiligheid voorschriften opgenomen omtrent onder meer de opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen, gasflessen, chemicaliëntanks, de opslag van aardolieproducten in bovengrondse tanks, brandbestrijding de opslag van biogas, het uitvoeren van veiligheidsstudies voor ingebruikname installaties en de fakkelinstallaties. Eisers hebben niet geconcretiseerd dat het opnemen van die voorschriften ontoereikend is om het gas- en stofexplosiegevaar in de inrichting te voorkomen en dat het opnemen van aanvullende voorschriften daartoe ter voorkoming dan wel beperking van nadelige milieugevolgen buiten de inrichting noodzakelijk is.
Het betoog faalt.

geluid


36. Eiseres 6 betoogt dat voorschrift 7.2.4 niet voldoende specifiek en daarom niet handhaafbaar is, omdat de vereiste reductie of de toegestane emissie na demping daarin niet is vermeld.

36.1

In voorschrift 1.1.1, aanhef en onder a, is opgenomen dat de inrichting moet zijn ingericht en in werking moet zijn overeenkomstig akoestisch onderzoek, hoofdstuk 3.2, representatieve bedrijfssituaties, kenmerk 006ao0112v5, gedateerd 25 januari 2013 van G&O Consult.
In voorschrift 7.1.2 is opgenomen dat binnen 6 maanden na het in gebruik nemen van de co-vergistingsinstallatie, dan wel nadat de geluidrelevante onderdelen in gebruik zijn genomen door middel van een akoestisch onderzoek aan Gedeputeerde Staten moet worden aangetoond dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen één maand nadat het akoestisch onderzoek is verricht schriftelijk aan Gedeputeerde Staten worden gerapporteerd. Gedeputeerde Staten moet geïnformeerd worden over datum en tijdstip waarop de geluidmetingen voor bovengenoemde rapportage plaatsvinden.
In voorschrift 7.2.1 is, voor zover hier van belang, opgenomen dat het Lar,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op het beoordelingspunt de Aaltenseweg 99b niet meer mag bedragen dan: 45 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode.
In voorschrift 7.2.2 is, voor zover hier van belang, opgenomen dat het (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op het beoordelingspunt de Aaltenseweg 99b niet meer mag bedragen dan: 55 dB(A) in de dagperiode, 55 dB(A) in de avondperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode.
In voorschrift 7.2.4 is opgenomen dat de uitlaat en de luchttoevoer van de WKK‑installatie geluiddempend worden uitgevoerd.

36.2

Uit het samenstel van bovengenoemde voorschriften dient te worden afgeleid dat de geluiddemping van de uitlaat en de luchttoevoer van de WKK-installatie noodzakelijk is om aan de in de voorschriften 7.2.1 en 7.2.2 opgenomen geluidsgrenswaarden te voldoen en dat door akoestisch onderzoek moet worden aangetoond dat binnen 6 maanden na het in gebruik nemen van de installatie dan wel nadat de geluidrelevante onderdelen in gebruik zijn genomen aan de geluidsvoorschriften van de vergunning wordt voldaan. Nu met het opnemen van bovenstaande voorschriften voldoende is gewaarborgd dat bovenstaande geluidsgrenswaarden niet zullen worden overschreden, bestaat geen grond om voorschrift 7.2.4 als niet voldoende specifiek en daarom niet handhaafbaar te kwalificeren.
Het betoog faalt.

37. Eiseres 6 betoogt dat met voorschrift 7.2.2 onduidelijk is wat is vergund. In het voorschrift zelf wordt het maximale geluidsniveau (LAmax) vermeld, terwijl in de tabel bij dit voorschrift het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT) wordt gehanteerd.

37.1

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat bij de in de tabel bij voorschrift 7.2.2 opgenomen geluidsgrenswaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode ten onrechte het Lar,LT is vermeld en dat daar het LAmax had moeten worden opgenomen. In zoverre is het bestreden besluit derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en dient het in zoverre te worden vernietigd. Het betoog slaagt.

38. Eiseres 6 betoogt dat verweerder het referentieniveau niet op de vereiste wijze heeft vastgesteld. Het aantal valide uitgevoerde metingen, te weten één, is onvoldoende, omdat de op 10 oktober 2012 in de avond- en nachtperiode uitgevoerde metingen niet representatief zijn in verband met agrarische activiteiten in de omgeving. Daarnaast is niet gemeten met kruisende windrichtingen. De windrichtingen in het geluidrapport van het onderzoeksbureau Cauberg-Huygen, raadgevende ingenieurs B.V. ‘akoestisch onderzoek ter bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de omgeving van het bedrijf BVA te Varsseveld’, 20121621-05, gedateerd 29 oktober 2012, komen niet overeen met de gemiddelde windrichtingen op 10 oktober 2012 volgens het weerstation Aalten. Grote afwijkingen zijn in de opgave van de windrichting in de dag- en avondperiode van die datum. Volgens het geluidrapport kwam de wind op 10 oktober 2012 uit het zuidoosten, terwijl volgens de registraties van het weerstation Aalten de wind hoofdzakelijk uit het noorden of noordwesten kwam, aldus eiseres.

38.1

Verweerder heeft bij de vaststelling van de in voorschrift 7.2.1 en 7.2.2 opgenomen geluidgrenswaarden de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. De woonomgeving van het perceel van eiseres kan volgens verweerder worden gekarakteriseerd als rustige woonwijk, weinig verkeer. Voor dit type woonomgeving zijn richtwaarden aanbevolen van 45, 40 en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft het onderzoeksbureau Cauberg-Huygen metingen laten uitvoeren van het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de omgeving van de inrichting. De resultaten daarvan zijn weergegeven in voormeld rapport van 29 oktober 2012. Voor het meten van dit referentieniveau heeft Cauberg-Huygen aansluiting gezocht bij de "IL-HR-15-01 (Richtlijnen voor karakterisering en meting omgevingsgeluid)" (hierna: de richtlijn). Op grond van de door Cauberg-Huygen verrichte metingen heeft verweerder voor het perceel van eiseres het referentieniveau bepaald op 37, 38 en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

38.2

In de richtlijn wordt het referentieniveau van het omgevingsgeluid gedefinieerd als de hoogste waarde van de volgende geluidsniveaus:
a. het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de zogenaamde “niet-omgevingseigen bronnen”.
b. het optredende equivalente geluidniveau in dB(A) veroorzaakt door zoneringsplichtige bronnen.
“Niet-omgevingseigen bronnen” zijn geluidbronnen die door de bevoegde overheid als zodanig zijn aangewezen. Het gaat daarbij om bronnen die naar de mening van die overheid niet in desbetreffende gebied thuis horen, daar niet geaccepteerd worden of slechts tijdelijk aanwezig zijn.
In de richtlijn is bepaald dat om het referentieniveau te bepalen ten minste twee metingen worden verricht.
Indien de – al dan niet reeds aanwezige – geluidsbron in verband waarmee de meting plaats heeft meer dan 50 meter van het meetpunt verwijderd is zal één van beide hierboven genoemde metingen moeten worden verricht bij een zodanige windrichting dat de hoek tussen de lijn (geprojecteerde) geluidbronmeetpunt en de windrichting kleiner is dan 60˚. Deze conditie wordt aangeduid als “meewind”. Bevinden de omgevingsgeluiden zich op een grotere afstand dan 50 meter van het meetpunt dan kan de invloed van de meteorologische omstandigheden aanmerkelijk zijn. Daarom worden in dat geval minimaal twee metingen voorgeschreven waarbij de windrichtingen tenminste 90˚ en bij voorkeur 135˚ moeten verschillen, aldus de richtlijn.

38.3

De rechtbank acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat de in de avond- en nachtperiode verrichte meting voor het perceel van eiseres 6 niet representatief is in verband met agrarische activiteiten in de omgeving. Hierbij is van belang dat verweerder de in de nabijheid van het perceel van eiseres en de inrichting gelegen gronden in redelijkheid als landelijk gebied heeft kunnen aanmerken en zich daarom in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat agrarische activiteiten in een dergelijk gebied ‘omgevingseigen’ zijn. Het geluid afkomstig van de op het perceel naast de woning aan de Zuidelijke Beekweg 4 verrichte agrarische activiteiten in de avond en nacht van 10 oktober 2012 heeft verweerder daarom in redelijkheid als ‘omgevingseigen’ kunnen kwalificeren. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel die metingen niet konden worden gebruikt bij de vaststelling van het referentieniveau.
Daarnaast hebben volgens de bevindingen van Cauberg-Huygen twee metingen plaatsgevonden, waarbij de windrichtingen tenminste 90˚ en bij voorkeur 135˚ verschillen. Cauberg-Huygen heeft vastgesteld dat de windrichting tijdens de metingen op 20 augustus 2012 westelijk was en op 10 oktober 2012 zuidoostelijk. Dit is een verschil in windrichting van 135˚. Dat uit de registraties van het weerstation Aalten, zoals eiseres 6, onder verwijzing naar de adviesmemo geluidsaspecten van De Roever omgevingsadvies, gedateerd 8 juli 2013 (hierna: de adviesmemo), kan worden afgeleid dat op 10 oktober 2012 een windrichting tussen noordwest en noord is waargenomen, maakt niet dat verweerder niet van de door Cauberg-Huygen vastgestelde windrichting mocht uitgaan. Hierbij is van belang dat de waarneming van de windrichting door Cauberg‑Huygen ter plaatse van de geprojecteerde inrichting zijn verricht, terwijl de door De Roever gebruikte gegevens betrekking hebben op een in Aalten gelegen weerstation.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat de metingen van het referentieniveau niet in overeenstemming met de richtlijn zijn verricht.

Verweerder heeft door Geling akoestisch onderzoek laten verrichten naar de geluidbelasting door de inrichting op de woning van eiseres. De resultaten van dit akoestisch onderzoek zijn vermeld in het rapport ‘Akoestisch onderzoek Euroweg 2, 4 en 23 te Varsseveld’, gedateerd 25 januari 2013. Het Lar,LT van de inrichting naar de woning van eiseres bedraagt 30, 26 en 26 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het LAmax van de inrichting naar de woning bedraagt 44, 30 en 30 in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het referentieniveau bij de woning van eiseres door de inrichting niet wordt overschreden.
De rechtbank acht in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond aanwezig om de resultaten van de geluidmetingen van Geling voor onjuist te houden en dat geluidbelasting vanuit de inrichting een belemmering vormt voor vergunningverlening dan wel dat verweerder daaraan nadere voorschriften of beperkingen had moeten verbinden dan hij met bovengenoemde voorschriften heeft gedaan.

39. Eiseres 6 betoogt, onder verwijzing naar het genoemde adviesmemo, dat de woningen aan de Veenweg 18 en 20 en de Zuidelijke Beekweg 2 minder bescherming wordt geboden dan het vastgestelde referentieniveau en het niveau dat volgens het akoestisch rapport bij de aanvraag nodig zou zijn. Zij betoogt daarnaast dat bij de woning aan de Veenweg 18 in de dagperiode niet met meewind is gemeten en de meting daar heeft plaatsgevonden met een te hoge windsnelheid. Zij betoogt voorts dat de meting bij de woning aan de Zuidelijke Beekweg 2 in de avondperiode niet met meewind heeft plaatsgevonden.

39.1

Voornoemde bezwaren hebben betrekking op de (metingen van de) geluidsbelasting van bovengenoemde woningen en zien niet op de geluidsbelasting op de woning van eiseres. De bezwaren hebben dan ook geen betrekking op het eigen belang van eiseres. De op die woningen betrekking hebbende geluidsnormen hebben niet de strekking het eigen belang van eiseres te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het hierboven aangevoerde buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

40. Eiseres 6 voert, onder verwijzing naar de adviesmemo, aan dat het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport niet representatief is voor de vergunde bedrijfsvoering. De akoestische gevolgen van de fakkel zijn niet representatief weergegeven, nu de modellering van de fakkel onjuist is, zowel voor wat betreft de bronhoogte als bronsterkte. Hierdoor is de geluidsbelasting van de inrichting onderschat. Er kan daarom niet worden voldaan aan de vergunde geluidswaarden, aldus eiseres.
Uit de adviesmemo blijkt dat voornoemd bezwaar uitsluitend betrekking heeft op de woning aan de Zuidelijke Beekweg 2. Uit de deelresultaten bij het akoestisch rapport van 25 januari 2013 blijkt dat de fakkelinstallatie de belangrijkste geluidbron is voor de ten noorden van de inrichting gelegen Zuidelijke Beekweg 2. Zoals in de adviesmemo van 8 juli 2013 is vermeld, is het hanteren van de juiste bronsterkte bepalend voor het wel of niet kunnen voldoen aan de richtwaarde en opgenomen geluidgrenswaarden in de nachtperiode. Blijkens de deelresultaten bij voornoemd akoestisch rapport van 25 januari 2013 is voor het perceel van eiseres 6 niet de fakkelinstallatie, maar de ventilator luchtwasser de belangrijkste geluidbron. Het is daarom niet aannemelijk dat het hanteren van de juiste bronsterkte van de fakkelinstallatie bepalend is voor de vraag of op het ten zuidoosten van de inrichting gelegen perceel van eiseres wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden. De hantering van de juiste bronsterkte van de fakkelinstallatie heeft dan ook niet de strekking het eigen belang van eiseres te beschermen.

De rechtbank zal ook deze beroepsgrond buiten beschouwing laten, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

Stofhinder


Eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5 stellen dat in het aan de vergunning verbonden voorschrift 9.1.1 ten onrechte als criterium ontbreekt dat visueel waarneembaar stof niet op een afstand van meer dan 2 meter van de bron mag optreden. Verweerder heeft erkend dat bedoeld voorschrift in de door eisers bedoelde zin aanpassing behoeft. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet gebleken is dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Geur

42. Eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5 betogen dat de door Geling verrichte geurtoetsing inadequaat is. Volgens hen is in het geuronderzoek van 24 januari 2013 ten onrechte geen rekening gehouden met de diffuse geuremissies van de opslag van gereed product, met de diffuse emissies van de op- en overslag van vaste mest en drijfmest en met de geuremissies van fakkels. Aan het geuronderzoek van Geling kwam geen digestaat te pas. De in voorschrift 8.1.1. onder “drooglucht digestaat’ vergunde geuremissie van mestdroging dan wel digestaatindikking zal worden overschreden, aldus eisers.


42.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit gereageerd op het reeds in de zienswijze gevoerde betoog. Verweerder heeft daarbij uiteengezet dat bij de op- en overslagactiviteiten, naast het gebruik van dampretoursystemen, de ruimtelucht uit de losruimtes (losput en mengkeuken) apart worden afgezogen en gereinigd, dat de opslag van gereed product inpandig plaatsvindt en dat de op- en overslagactiviteiten en de opslag van gereed product niet tot diffuse emissie leiden. Daarnaast heeft verweerder uiteengezet dat en waarom de fakkelinstallatie niet als afzonderlijke geurbron is meegenomen. Ten eerste is de fakkelinstallatie uitsluitend als noodvoorziening bedoeld en zal deze installatie dus heel beperkt worden gebruikt. Ten tweede is aan de fakkelinstallatie in voorschrift 9.3.2. de voorwaarde gesteld dat er geen geur- of roetvorming optreedt. Ten derde zal de installatie geen additionele en relevante bron zijn, omdat deze alleen in noodsituaties, overwegend als de WKK-installatie buiten bedrijf is, in werking is. Voorts heeft verweerder het in de zienswijze aangevoerde dat het geurmeetrapport van 22 januari 2013 is uitgevoerd onder niet vergelijkbare condities, omdat er geen digestaat aan te pas komt, gemotiveerd weersproken. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat in paragraaf 3.3 ‘Procesinstallatie’ van het rapport ‘Geuronderzoek aan platendrogers Dorset’, gedateerd 22 januari 2013, van Buro Blauw B.V, dat als bijlage 3 aan het geuronderzoek van 24 januari 2013 is gehecht, is vermeld dat digestaat wordt gedroogd. Hierin is vermeld dat de Dorset platendrogers, van de onderzochte bedrijven HTO en Saelhuysen, digestaat drogen afkomstig uit co-vergisters, dat het digestaat voorafgaand aan het drogen wordt gemengd met diverse plantaardige producten. In de overzichten van beide processen wordt de term digestaat weliswaar niet uitdrukkelijk genoemd, maar wordt melding gemaakt van rundveedrijfmest bij HTO en rundveedrijfmest en pluimveemest bij Saelhuysen. In het geurrapport van 24 januari 2013 wordt de gemeten geuremissie bij Saelhuysen vertaald naar de door BVA aangevraagde capaciteit, aldus verweerder.

42.2

Eisers hebben in hun beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Omtrent het aangevoerde ten aanzien van de fakkelinstallatie overweegt de rechtbank nog dat verweerder voor de werking van deze installatie, naast voornoemd voorschrift 9.3.2, de voorschriften 9.3.1, 9.3.3 en 9.3.4 aan de vergunning heeft verbonden. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten verschaft op grond waarvan moet worden aangenomen dat voornoemde geurtoetsing onjuist is en dat voormelde voorschriften ontoereikend zouden zijn. Het betoog faalt.

43. Eiseres 1 betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2008 in zaak nr. 200703228/1, dat verweerder haar bedrijfspand ten onrechte op grond van de “Handleiding geur/bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven” (hierna: de Handleiding) niet als geurgevoelig object heeft aangemerkt en haar daarom ten onrechte geen enkele vorm van geurbescherming heeft toegekend. Omdat de Handleiding voor de hier voorliggende situatie geen richtlijnen bevat, had verweerder moeten bezien of het pand van eiseres 1 als geurgevoelig object dient te worden aangemerkt. Als dit was gebeurd, zou de vergunning niet mogen worden verleend. Verweerder had moeten laten onderzoeken tot welke geurconcentratie eiseres 1 kon worden belast zonder negatieve effecten voor de aldaar opgeslagen levensmiddelen. Er had niet mogen worden volstaan met een 98-percentielnorm ter plaatse van het bedrijfspand maar er had ook tenminste een 99,9 en 99,99 percentielnorm moeten worden opgenomen, aldus eiseres 1.

43.1

Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit primair op het standpunt gesteld dat de inrichting van eiseres 1 niet kan worden aangemerkt als geurgevoelig object als bedoeld in bijlage B2.2 van de Handleiding. Indien de inrichting van eiseres 1 wel als geurgevoelig object zou moeten worden beschouwd, heeft verweerder aangesloten bij het provinciale geurbeleid dat is vastgelegd in het document “Beleidsregels geur in milieuvergunningen Gelderland” van 27 april 2009 (hierna: het geurbeleid).

43.2

Uit geuronderzoek van Geling, vastgelegd in het rapport van 24 januari 2013, is gebleken dat de geurbelasting ter plaatse van de inrichting van eiseres 1 1,17 ouE/m³ als 98-percentiel bedraagt. Verweerder heeft de aard van de geur van de totale inrichting als ‘minder hinderlijk’ gekwalificeerd en op grond van het geurbeleid het aanvaardbaar geurhinderniveau voor geurgevoelige objecten in de gebiedscategorie ‘Wonen’ onderscheidenlijk ‘Werken’ vastgesteld op 1,5 ouE/m³ onderscheidenlijk 5 ouE/m³. Verweerder heeft de omgeving van het bedrijfspand van eiseres 1 gekarakteriseerd als ‘werken’. Uit het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de geurbelasting ter hoogte van het bedrijfspand van eiseres 1 zowel voldoet aan het te hanteren toetsingskader binnen de gebiedscategorie werken als voor het strengere toetsingskader voor de gebiedscategorie ‘Wonen’. Verweerder heeft in de specifieke situatie waarop eiseres 1 in beroep heeft gewezen geen grond gezien om haar extra bescherming te bieden, omdat de bijzondere gevoeligheid voortvloeit uit de eigen aard en bedrijfsvoering van eiseres 1. Met deze bijzondere gevoeligheid behoeft vanuit het toetsingskader van de Wabo geen rekening te worden gehouden. Nu uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting geen kortdurende of sterk fluctuerende bronnen aanwezig zijn, dient de geuremissie te worden getoetst aan de 98-percentiel-waarde, aldus verweerder.

43.3

De rechtbank acht in hetgeen eiseres 1 heeft aangevoerd geen grond aanwezig voor het oordeel dat de geurbelasting ter hoogte van het bedrijfspand van eiseres 1 niet voldoet aan de in het geurbeleid gestelde normen en dat haar ter plaatse een hogere bescherming tegen geurhinder had moeten worden geboden dan verweerder in hoofdstuk 8.1 van de voorschriften van de vergunning heeft gedaan. Eiseres 1 heeft voorts niet bestreden het standpunt van verweerder dat binnen de inrichting geen kortdurende of sterk fluctuerende bronnen aanwezig zijn, zodat evenmin grond bestaat voor het oordeel dat de geuremissie diende te worden getoetst aan de een percentielwaarde van 99,9 dan wel 99,99.


44. Eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5 betogen dat niet kan worden nagegaan of aan de, door middel van voorschrift 1.1.1, aan de vergunning verbonden geurcontour wordt voldaan en op welke wijze moet worden getoetst of de emissie binnen de normen van die geurcontour blijft.

44.1

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat met voorschrift 1.1.1, onder b, de geurcontour als 98-percentiel is vastgelegd en dat de toetsing aan de geurcontour plaatsvindt via de in voorschrift 8.1.1 opgenomen geuremissie. Indien aan voorschrift 8.1.1 wordt voldaan wordt per definitie aan voorschrift 1.1.1, onder b, voldaan. In voorschrift 8.1.2 is vastgelegd op welke wijze de geuremissie dient te worden gemeten, in voorschrift 8.1.3 is nader bepaald wanneer de geuremissie binnen de emissie-eis blijft en in voorschrift 8.1.4 is bepaald dat binnen zes maanden na ingebruikname van de inrichting een opleveringsmeting is uitgevoerd naar de daadwerkelijk optredende geurbelasting. Gelet op bovenstaande voorschriften acht de rechtbank geen grond om aan te nemen dat niet kan worden beoordeeld of de geuremissie binnen de gestelde normen blijft. Het betoog faalt.

45. Eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5 betogen dat in strijd met de wet meer geuremissie is vergund dan BVA heeft aangevraagd.

45.1

Verweerder heeft de in het, bij de aanvraag gevoegde, geuronderzoek van 24 januari 2013 vastgestelde emissiewaarden naar boven en op hele getallen afgerond en in voorschrift 8.1.1 opgenomen. Eisers hebben niet gesteld dat door de vastlegging van die afgeronde emissiewaarden een zodanige emissie wordt toegelaten dat vorengenoemde in een percentielwaarde van 98 uitgedrukte geurbelasting niet langer voldoet aan de in het geurbeleid gestelde normen. De rechtbank acht daarom geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder de daadwerkelijk in het geuronderzoek van 24 januari 2013 gemeten emissiewaarden in voorschrift 8.1.1 had dienen op te nemen. Dat die emissiewaarden de bij de aanvraag gevoegde waarden overschrijden maakt dit niet anders. Hierbij is van belang dat de aanvraag geen betrekking heeft op de vaststelling van emissiewaarden, maar op een activiteit. Het betoog faalt.

Beste beschikbare technieken

46. Eisers 1, 2, 3 en de overige eisers 5 betogen dat verweerder de vraag of toepassing is gegeven aan de beste beschikbare technieken ten onrechte niet heeft getoetst aan de BREF “Afgas- en afvalwaterbehandeling”. Dit heeft tot gevolg dat de vergunde SO2‑emissie niet voldoet aan het aan de BBT gerelateerde emissie‑niveau, te weten 40 mg/Nm³. Verweerder had op grond van die BREF een strengere SO2-emissienorm dan de in paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) vastgestelde norm moeten voorschrijven, aldus eisers.

46.1

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1˚, van de Wabo neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

Ingevolge artikel 5.4 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken.

46.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het verstoken van standaard brandstoffen, zoals biogas, met een capaciteit kleiner dan 50 Megawatt (MW) het Activiteitenbesluit BBT-emissie-eisen geeft en niet de BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling. Deze BREF is specifiek opgesteld voor de chemische industrie en niet van toepassing op met biogas gestookte verbrandingsinstallaties. De BREF kan niet worden gebruikt bij een mestvergistingsinstallatie, omdat deze te veel verschilt van de in de BREF beschreven installaties. Onder normale omstandigheden vindt de verwerking van het biogas in drie WKK’s zuigermotoren van 3,6 MW plaats. Volgens de aanvraag vindt bij alle WKK’s een SO2 emissie van 193 mg/Nm³ plaats. Deze activiteit valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit. De aangevraagde emissies vallen binnen de (daggemiddelde) eisen zoals die in Activiteitenbesluit zijn opgenomen, zodat geen norm voor de uitstoot van S02 door de WKK’s aan de vergunning behoeft te worden verbonden, aldus verweerder.

46.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling niet van toepassing is, nu deze specifiek is opgesteld voor de chemische industrie. Zoals blijkt uit het BREF- en BBT-conclusieoverzicht is die BREF van toepassing op de fabricage van de in hoofdstuk 4 van dat overzicht genoemde stoffen of groepen stoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting. Deze situatie doet zich hier niet voor. Nu de emissie van SO2 blijft binnen de in artikel 3.10, gelezen in samenhang met artikel 3.7, eerste lid, aanhef, van het Activiteitenbesluit voorgeschreven norm van 200 mg/Nm³ heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen voorschrift voor de emissie van SO2 aan de vergunning behoeft te worden verbonden. Voldoende is dat verweerder in de considerans van de vergunning opneemt dat de voorschriften van het Activiteitenbesluit voor de betreffende activiteit van toepassing zijn, hetgeen hij in paragraaf 3.23.2 heeft gedaan. De rechtbank volgt eisers derhalve niet in het aangevoerde dat verweerder op grond van de BREF ‘afgas- en afvalwaterbehandeling’ een strengere SO2-emissienorm dan de in paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit vastgestelde norm had moeten voorschrijven. Het betoog faalt.

Bodem en oppervlaktewater

49. Eisers betogen dat de vergunning niet had mogen worden verleend zonder omwalling van de vier vergisters en navergisters. Op grond van de BREF “emissions from Storage” dienen de vier tanks (vergisters en navergisters) te worden geplaatst binnen een omwalling die in geval van een tankbreuk de hele inhoud binnen de wal houdt.

49.1

In de door eisers geciteerde passages uit paragraaf 5.1.1.3 van de BREF “Storage” is onder het kopje ‘Risk-based approach to emissions to soil below tank’ het volgende vermeld:

“The risk-based approach to emissions to soil from an aboveground flat-bottom and vertical storage tank containing liquids with a potency to pollute soil, is that soil protection measures are applied at such a level that there is a ‘negligible risk’ for soil pollution because of leakage from the tank bottom or from the seal where the bottom and the wall are connected. (….)

BAT is to achieve a ‘negligible risk level’ of soil pollution from bottom and bottom-wall connections of aboveground storage tanks. However, on a case-by-case basis, situations might be identified where an ‘acceptable risk level’ is sufficient.”

49.2

In een inrichting dienen tenminste de BBT te worden toegepast. Onderdeel van het geschil is de vraag of het plaatsen van vier bovengrondse tanks zonder een omwalling heeft te gelden als BBT. Uit het bepaalde in paragraaf 5.1.1.3 van de voornoemde BREF kan worden opgemaakt dat bij de bouw van nieuwe enkelwandige tanks eerst aan BBT wordt voldaan indien sprake is van een (ondoordringbare) omwalling. Ter zitting is namens BVA aangevoerd dat de vier vergistingstanks voldoen aan BBT nu deze niet enkelwandig maar dubbelwandig worden uitgevoerd. Gelet op de door verweerder gegeven reactie op bovengenoemde heropeningsbrief van de rechtbank van 1 oktober 2014 moet deze mededeling voor onjuist worden gehouden en is thans niet langer in geschil dat de vergistingstanks, zoals afgebeeld op de als bijlage 26 bij de aanvraag gevoegde bouwtekening, niet dubbelwandig worden uitgevoerd.

49.3

BVA stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 29 april 2009 in zaak nr. 200805289/1/M2 en 8 augustus 2012 in zaak nr. 201109432/1/A4, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, op het standpunt dat de BREF ‘Emissions from Storage’ niet van toepassing is op de inrichting, omdat voor het primaire proces in de inrichting kan worden volstaan met toetsing aan de Handreiking (co-)vergisting van mest. De rechtbank volgt BVA niet in dit standpunt. Dat, zoals BVA op zichzelf met juistheid stelt, voor het primaire proces in de inrichting kan worden volstaan met toetsing aan deze Handreiking laat onverlet dat de BREF’s, waaronder de BREF ‘Emissions from Storage’ voor onderdelen van de bedrijfsvoering van toepassing blijven. Ook verweerder is daar in het bestreden besluit van uitgegaan.

49.4

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de in de aanvraag voorziene enkelwandige tanks voldoen aan paragraaf 5.1.1.3 van de BREF ‘Emissions from Storage’.

Uit die paragraaf blijkt dat bij brandbare vloeistoffen of stoffen met een significant risico op bodem- of oppervlaktewaterverontreiniging een tweede opvangvoorziening noodzakelijk is, in de vorm van ofwel een dubbelwandige tank ofwel een omwalling. Verweerder en BVA stellen zich op het standpunt dat hier geen sprake is van brandbare vloeistoffen, en dat er ook geen risico is op ernstige bodemverontreiniging. Daargelaten of mest als brandbaar moet worden gekwalificeerd, bestaat naar het oordeel van de rechtbank met het vrijkomen van mest, in grote hoeveelheden, vanuit de inrichting, mede in verband met de zich daarin bevindende nitraten en fosfaten, een significant risico op bodem- en oppervlaktewaterverontreiniging. In de reactie van BVA over het gevaar van verspreiding bij lekkage in de tank is vermeld dat, gelet op de hoogteligging van het terrein, de mest vooral in noordelijke richting zou afvloeien. Daar is evenwel oppervlaktewater gelegen, te weten de Boven Slinge. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de afvoer van een grote hoeveelheid mest in dat oppervlaktewater tot een ‘significant risico op oppervlaktewaterverontreiniging’.

49.5

Gelet op het vorenstaande voldoen de in de aanvraag voorziene enkelwandige tanks niet aan paragraaf 5.1.1.3 van de BREF ‘Emissions from Storage’ en zijn in de inrichting in dit opzicht niet ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT in acht genomen. Op grond van voornoemde paragraaf van voornoemde BREF moeten de vergistingtanks worden voorzien van een omwalling of van een dubbele wand. Nu de aanvraag hierin niet voorziet, betekent dit dat verweerder de vergunning op grond van artikel 2.14, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1˚, van de Wabo had moeten weigeren.

50 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit 1 vernietigen. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de vergunning voor de activiteit milieu te weigeren.

51. Omdat de rechtbank de beroepen van de eisers 1, 2, 3, de overige eisers 5 en eiseres 6 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan die eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

52. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen 1 en 6 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1,5) voor zowel eiseres 1 als eiseres 6. Niet is gebleken dat eisers 2, 3 en 5 proceskosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

3 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eiseres 4, eisers 5, voor zover ingediend door de [opsomming namen 4], en eisers 7, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen van eisers 1, 2, 3, 5, voor zover ingediend door de [opsomming namen 5], gericht tegen het bestreden besluit 2, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen van de eisers 1, 2, 3, 5, voor zover ingediend door de [opsomming namen 5], en eiseres 6, gericht tegen het bestreden besluit 1, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1 van 25 april 2013;

  • -

    bepaalt dat de vergunning voor het oprichten of het in werking hebben van een inrichting wordt geweigerd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 318,00 aan eisers 1, 3 en 5 en het betaalde griffierecht van € 160,00 aan eisers 2 en 6 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen 1 en 6 tot een bedrag van € 1.461,00 elk, te betalen aan eiseressen 1 en 6.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. R.J. Jue en mr. S.A. van Hoof, leden. De beslissing is door mr. S.A. van Hoof ondertekend en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.

Afschrift verzonden op: