Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7796

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1301
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opleggen maatregel; Wwb en Maatregelverordening, vermogen en tegoed rekeningen; redelijkerwijs beschikken; tekortschietend besef van verantwoordelijkheid nu betrokkenen een op internetspaarrekening staand tegoed aan hun zoons hebben gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/1301

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser, en[eiseres], eiseres, beiden wonende te [woonplaats],

tezamen aangeduid als eisers,

(gemachtigde: mr. G.J.P.C.G. Verheijen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe te Elst, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eisers op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) vanaf 1 augustus 2011 ingetrokken.

Bij besluit van 6 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2013 herroepen en eisers een maatregel opgelegd, inhoudende een verlaging van de bijstand over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 oktober 2011 met 100% en over de periode van 1 november 2011 tot en met 9 december 2012 met 50%.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Radstaat.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eisers hebben zich op 20 juli 2011 gemeld voor het aanvragen van bijstand met ingang van 1 augustus 2011. Eisers hebben twee (meerderjarige) zonen, [zoon 1] en [zoon 2], die niet tot hun huishouden behoren. Bij besluit van 18 september 2011 is aan eisers met ingang van 1 augustus 2011 bijstand ingevolge de Wwb toegekend naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een in januari 2013 gedane melding dat eisers op 31 december 2010 beschikten over een spaarrekening met een saldo van € 30.143,04, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eisers verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 juni 2013.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid hebben betoond. Eisers beschikten tot 19 juli 2011 over een internetspaarrekening van de Rabobank met daarop een bedrag van € 30.143,04. Op 20 juli 2011 hebben eisers zich gemeld voor het doen van een bijstandsaanvraag. Zij konden daarom tot kort voor 1 augustus 2011, datum ingang bijstand, beschikken over een vermogen dat hoger was dan de op hen van toepassing zijnde vermogensgrens. Door handelen van eisers zelf is sprake van het op een onverantwoorde wijze besteden van vermogen en konden zij vanaf het moment van bijstandsverlening niet meer over dit vermogen beschikken.

Met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de Wwb in samenhang met de Maatregelverordening van verweerders gemeente is bij het bestreden besluit de bijstand, gedurende de periode dat eisers als gevolg van hun gedragingen ten onrechte bijstand hebben genoten, verlaagd. Verweerder is voorts van mening dat er geen omstandigheden zijn die aanleiding geven tot matiging van de maatregel.

3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank overweegt in dit verband dat eisers, naar aanleiding van de in beroep door verweerder toegezonden ten tijde van het bestreden besluit toepasselijke Maatregelverordening, ter zitting desgevraagd hebben verklaard, hierin geen reden te zien de beroepsgronden aan te vullen.

4. Eisers hebben aangevoerd dat het op de Rabobank internetspaarrekening staande tegoed toebehoorde aan hun zoons, dat zij slechts beheerders hiervan waren en zij over het tegoed niet mochten beschikken.

Deze grond treft geen doel. Vast staat dat eisers in de periode tot 19 juli 2011, naast een aantal bij verweerder bekende bankrekeningen, een Rabobank internetspaarrekening op hun naam hadden staan.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 17 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW2920) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet konden beschikken over het saldo op de spaarrekening. Van enige beperking op dat punt is niet gebleken. Daarbij is van belang dat uit de omschrijving bij enkele mutaties op de bankafschriften van de spaarrekening blijkt, hetgeen eiser ter zitting ook heeft erkend, dat eisers een deel van het saldo hebben gebruikt voor aanpassingen aan hun woning en hun vakantie. De enkele stelling van eisers dat de gelden toebehoorden aan hun zoons is niet voldoende om in dit verband anders te oordelen. Eisers hebben deze stelling niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens, anders dan de verklaringen van de zoons die achteraf zijn opgesteld en waaraan niet de betekenis kan worden gehecht die eisers wensen.

5. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, van de Wwb is voldaan indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Niet in geschil is dat eisers het resterende tegoed op de internetspaarrekening ad € 27.000 voorafgaand en tijdens de bijstandverlening aan hun zoons hebben gegeven. Nu ingevolge de Maatregelverordening onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in ieder geval wordt verstaan het doen van schenkingen voorafgaand en tijdens de bijstandsverlening en gelet op hetgeen hiervoor onder 4. is overwogen, was verweerder ingevolge artikel 18, tweede lid, van de Wwb gehouden de bijstand van eisers overeenkomstig de Maatregelverordening te verlagen.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat in wat eisers hebben aangevoerd geen grond wordt gezien voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin eisers die gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij verkeren, dient te worden gematigd. Het ontslag van eiser, de ziekte van de zus van eiseres en de weerslag die dit heeft gehad op het hele gezin kan er niet toe leiden dat de maatregel dient te worden gematigd. Het betoog dat de belangenafweging onvoldoende in het bestreden besluit tot uitdrukking is gekomen volgt de rechtbank evenmin.

7. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat de berekening van de duur van de verlaging niet inzichtelijk is. Ter zitting hebben zij toegelicht dat hiermee is gedoeld op de onduidelijkheid die er bestaat over de vraag of eisers nog een bedrag aan bijstand moeten terugbetalen. Verweerder heeft immers aangegeven dat ter zake nog een besluit zal worden genomen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de hoogte en duur van de verlaging van de bijstand gemotiveerd en inzichtelijk heeft toegelicht. Voor zover eisers betogen dat een terugvorderingsbesluit ontbreekt overweegt de rechtbank dat dit aspect buiten de omvang van het geding valt.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.