Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7783

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
05/821067-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld centrum Nijmegen: deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Gelderland veroordeelt een 41-jarige man uit Nijmegen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk voor openlijk geweld tegen twee personen in het centrum van Nijmegen.

De man pleegde dit feit samen met zijn twee zoons terwijl zij samen uit waren in het centrum van Nijmegen. Zij hebben de confrontatie opgezocht met willekeurige slachtoffers, die door het geweld aanzienlijk letsel hebben opgelopen aan hun gezicht en hoofd.

De officier van justitie had een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en de maximale werkstraf geëist. De rechtbank legt een hogere straf op gelet op het grote aandeel van verdachte in het geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/821067-13

Datum zitting : 2 december 2014

Datum uitspraak : 16 december 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. P.H.W.M. Roelofs, advocaat te Nijmegen.

Officier van justitie : mr. M.J.M. Verhoeven. 1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 10 mei 2013 in de gemeente Nijmegen, met een ander of anderen, op (een) voor het publiek toegankelijke plaats(en) en/of op of aan de openbare weg(en), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen nagenoemd(e) perso(o)n(en), en wel:
- in het [café 1], gelegen aan het Wintersoord aldaar en/of op het Wintersoord, tegen een persoon genaamd [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en/of indringen op die [slachtoffer 1] en/of het slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het slaan/en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die op de grond liggende [slachtoffer 1], en/of

- in het café [café 2], gelegen aan de Grotestraat aldaar en/of op de Grotestraat, tegen een persoon genaamd [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en/of indringen op en/of het slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 10 mei 2013 in de gemeente Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een of meer perso(o)n(en), te weten:

- een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of die op de grond liggende [slachtoffer 1] het in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen of gestompt en/of

- een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze(n) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden:

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 2 december 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Namens verdachte is als uitdrukkelijk gemachtigde raadsman verschenen

mr. P.H.W.M. Roelofs, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [slachtoffer 1].

De officier van justitie, mr. M.J.M. Verhoeven, heeft gerekwireerd.

De raadsman van verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

[café 1]

Op grond van de verklaring van aangever [slachtoffer 1], zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, de verklaringen van getuige [getuige 1], getuige [getuige 2] en getuige [getuige 3], zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het gesprek met [medeverdachte 2] ter plaatse acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (verdachtes zoons) een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer 1] op het Wintersoord (buiten het [café 1]).

[café 2]

Op grond van de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en getuige [getuige 1], zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris , het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het gesprek met [medeverdachte 2], het verhoor ter plaatse van (onder anderen) getuige [getuige 4] en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer 2] zowel in café [café 2] als buiten op de Grotestraat (buiten café [café 2]).

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 10 mei 2013 in de gemeente Nijmegen, met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of op de openbare wegen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen nagenoemde personen, en wel:
- op het Wintersoord, tegen een persoon genaamd [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en indringen op die [slachtoffer 1] en het slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en

- in het café [café 2], gelegen aan de Grotestraat aldaar, en op de Grotestraat, tegen een persoon genaamd [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en indringen op en het slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2].

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

“Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd”

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbankrekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 28 oktober 2014; en

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 25 september 2014, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen twee personen. Verdachte was samen met zijn zoons in het centrum van Nijmegen. Beide slachtoffers hebben door het gepleegde geweld aanzienlijk letsel opgelopen aan hun hoofd en gezicht. De verdachten hebben zonder enige aanleiding de confrontatie met de slachtoffers opgezocht. Met name heeft verdachte blijkens de gebruikte bewijsmiddelen bij beide vechtpartijen het slachtoffer heel onverhoeds c.q. van achteren aangevallen en daarbij zeer hevig geweld gebruikt. Hij heeft daarbij tot twee keer toe de genadeklap uitgedeeld.

Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers maar ook binnen de samenleving in het algemeen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte sinds een aantal maanden over een eigen woning beschikt en dat hij vrijwillig meewerkt aan een detox-behandeling. Een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur zou hem daarbij kunnen helpen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal dit traject doorkruisen, aldus de raadsman.

De rechtbank is gelet op het aandeel van verdachte in het grove geweld tegen de slachtoffers, van oordeel dat een werkstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, niet aan de orde kan zijn.

De rechtbank acht het aandeel in het geweld van verdachte in grote mate gelijk aan het aandeel van medeverdachte [medeverdachte 2] en is daarom van oordeel dat ook ten aanzien van verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te volgen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en na te noemen bijzondere voorwaarden passend en geboden is.

Deze straf is hoger dan de straf die door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank verdachte het door hem gebruikte zeer hevige geweld zwaar aanrekent.

6A. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.381,50.

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 21,50 aan materiële schade toewijzen, bestaande uit de gevorderde reiskosten, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken op dat bedrag is begroot.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van materiële schade, te weten € 360,- aan gevorderde kosten van het eigen risico van de zorgverzekering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende met stukken is onderbouwd. Niet duidelijk is immers of het eigen risico is aangesproken in verband met het onderhavige letsel dan wel of dit reeds eerder, in verband met een ander medisch consult, was aangesproken. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op het gevorderde bedrag van € 2.000,-.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 10 mei 2013.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

4. zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de Iriszorg Reclassering, [locatie].

5. zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen van een Iriszorg te [locatie] op de tijden en plaatsen als door of namens de Iriszorg aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn alcohol- en drugsverslaving;

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland te Nijmegen tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voor zover [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] betalen ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer 1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer 1], te betalen € 2.021,50 (tweeduizendéénentwintig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2013.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

  • -

    Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voor zover [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] betalen ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer 1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer 1], te betalen € 2.021,50 (tweeduizendéénentwintig euro en vijftig eurocent) tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

  • -

    Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. K.A.M. van Hoof, rechters,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2014.