Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7702

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4266
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verstrekking paspoort in verband met openstaande schuld aan de gemeentelijke sociale dienst. Gegrond vermoeden dat eiser zich door verblijf in het buitenland aan betaling onttrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/4266

Uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. D. Simo),

en

de burgemeester van de gemeente Culemborg, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiser een Nederlands paspoort te verstrekken.

Bij besluit van 20 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.N.M. Nieuwenbroek en C.F. Gerbrands.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan de weigering om eiser een Nederlands paspoort te verstrekken ten grondslag gelegd dat de Gemeentelijke Sociale Dienst te Culemborg de persoonsgegevens van eiser heeft laten opnemen in het Register Paspoortsignaleringen (hierna: het register) wegens het bestaan van een schuld van € 80.012,82 aan de Gemeentelijke Sociale Dienst. Overeenstemming, als bedoeld in artikel 44, vierde lid, van de Paspoortwet is uitgebleven.

2. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Hieronder gaat de rechtbank op eisers beroepsgronden in.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 9 van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

Ingevolge artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet, voor zover thans van belang, kan weigering of vervallenverklaring geschieden op verzoek van Onze Minister die het aangaat, onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders dat het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon, die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem rustende dan wel bij uitspraak van een rechter in het Koninkrijk vastgestelde verplichting tot betaling van op hem verhaalbare uitkeringen, zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de verschuldigde gelden zal onttrekken.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet is de burgemeester bevoegd tot het verstrekken van nationale paspoorten in het Europese deel van Nederland voor zover het personen betreft die als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens van zijn gemeente zijn ingeschreven.

Ingevolge artikel 44, eerste lid van de Paspoortwet is de burgemeester in dit geval tevens bevoegd tot weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten op gronden genoemd in hoofdstuk III.

Ingevolge het tweede lid overtuigt een tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit, zodra hij een aanvraag in behandeling neemt betreffende een persoon ten aanzien van wie een mededeling als bedoeld in artikel 25, vierde lid is gedaan, zich ervan of de gronden tot weigering of vervallenverklaring ten aanzien van de betrokkene nog bestaan.

Ingevolge artikel 44, vierde lid, van de Paspoortwet deelt indien de gronden tot weigering of vervallenverklaring nog blijken te bestaan, de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit de aanvrager respectievelijk de houder terstond doch in ieder geval binnen vier weken na de aanvraag onderscheidenlijk de inhouding mede dat hij voornemens is de verstrekking van het aangevraagde reisdocument te weigeren dan wel het ingehouden reisdocument vervallen te verklaren, tenzij de aanvrager respectievelijk de houder hem binnen twee weken verzoekt de beslissing gedurende acht weken aan te houden, ten einde met de autoriteit bij wie de gronden bestaan een zodanige overeenstemming te bereiken dat tot verstrekking van het aangevraagde reisdocument of teruggave van het ingehouden reisdocument dan wel verstrekking van een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, kan worden overgegaan.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, door de autoriteit bij wie de gronden tot weigering bestaan aan de tot weigering bevoegde autoriteit medegedeeld, dat overeenstemming is bereikt met de aanvrager, dan wel, indien de gronden bij de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit zelf bestaan, door deze een dergelijke overeenstemming is bereikt, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken overeenkomstig de bereikte overeenstemming het aangevraagde document verstrekt dan wel het reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, verstrekt.

Ingevolge het tweede lid, gaat de tot weigering bevoegde autoriteit, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, geen mededeling wordt gedaan als bedoeld in het eerste lid, dan wel de aanvrager respectievelijk de houder geen verzoek doet als bedoeld in artikel 44, vierde lid, tot weigering over, tenzij hij van oordeel is dat de aanvrager respectievelijk de houder door deze beslissing onevenredig zou worden benadeeld. In dat geval verstrekt de tot weigering bevoegde autoriteit na overleg met de autoriteit bij wie de gronden tot weigering bestaan het aangevraagde reisdocument.

5. Eiser voert allereerst aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van nalatigheid in het nakomen van de verplichting tot betaling. Eiser heeft op 6 oktober 2009 een brief ontvangen van verweerder waarin eiser is gewezen op de openstaande vordering betreffende zijn onderhoudsplicht voor zijn voormalige echtgenote en zijn minderjarige kind. Naar aanleiding van deze brief heeft eiser in een gesprek met een medewerkster van het stadskantoor gemeld dat hij geen inkomsten heeft en dat zij, voor een nadere onderbouwing van deze stelling, contact kon opnemen met zijn boekhouder. Vervolgens heeft eiser aan zijn voormalig boekhouder de opdracht gegeven zijn financiële gegevens aan verweerder door te sturen. Eiser ging ervan uit dat de kwestie hiermee was afgehandeld. Eerst in 2013 heeft eiser vernomen dat hem een alimentatieplicht is opgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft eiser juridische stappen ondernomen. Bovendien heeft eiser inmiddels pogingen ondernomen om tot een betalingsregeling met de Gemeentelijke Sociale Dienst te komen, maar deze pogingen hebben tot niets geleid. De Gemeentelijke Sociale Dienst houdt ten onrechte geen rekening met zijn financiële situatie, aldus eiser. Hij heeft enorm veel schulden en kan nauwelijks rondkomen.

6. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of de gronden tot weigering van het paspoort nog bestaan niet mag worden volstaan met de enkele vaststelling dat eiser in het register vermeld staat. Bij de aanvraag van een nieuw paspoort dient in die procedure te worden onderzocht of de gronden voor vermelding in het register nog aanwezig zijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX6474).

7. Vaststaat dat de gegevens van eiser zijn opgenomen in het register paspoortsignaleringen in verband met een schuld van € 80.012,82 aan de Gemeentelijke Sociale Dienst van Culemborg. Het bestaan van deze schuld vindt zijn grondslag in het volgende. Sinds 11 juli 2003 ontvangt de ex-echtgenoot van eiser een bijstandsuitkering, mede ten behoeve van eisers minderjarige kind . Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Culemborg (hierna: het college) het verhaalsbedrag vastgesteld op het bedrag aan bruto bijstand voor een alleenstaande ouder met ingang van 1 april 2008. Omdat eiser niet tot betaling is overgegaan heeft het college op 30 november 2009 de rechtbank verzocht het verhaalsbedrag met ingang van 1 april 2008 vast te stellen. Bij beschikking van 6 april 2010 heeft de rechtbank Arnhem bepaald dat eiser maandelijks een verhaalsbijdrage is verschuldigd ten behoeve van zijn voormalig echtgenote en minderjarige kind ter hoogte van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder. Bij beschikking van 23 november 2013 heeft de rechtbank Gelderland het verzoek van eiser tot wijziging van deze verhaalsbijdrage afgewezen. Deze beschikking is op 2 september 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd. Op eiser rust dus een bij uitspraak van de rechter vastgestelde verplichting tot betaling van de op hem verhaalbare uitkeringen.

Dat eiser, als gesteld, niet van de vordering en de verhaalsprocedure op de hoogte was, komt voor zijn eigen rekening en risico. Het college heeft de beslissingen over de verhaalsbijdrage verzonden naar het adres waar eiser staat ingeschreven volgens de basisadministratie personen. Het was aan eiser om tijdens zijn afwezigheid zijn feitelijke verblijfplaats aan het college door te geven dan wel een regeling te treffen voor zijn post. Dat eiser ervan uit ging dat zijn boekhouder de kwestie zou afhandelen, leidt niet tot een ander oordeel.

8. De rechtbank stelt verder vast dat eiser nalatig is in zijn verplichting tot afbetaling van zijn schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst. Gesteld noch gebleken is dat eiser zijn schuld (gedeeltelijk) heeft afbetaald, dan wel dat er uitstel van betaling is verleend. Bovendien staat vast dat er geen betalingsregeling is getroffen tussen eiser en de Gemeentelijke Sociale Dienst. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet bereid is gebleken een betalingsregeling te treffen om zijn schuld te voldoen. Dat eiser, zoals hij in beroep heeft gesteld, zonder succes meerdere betalingsvoorstellen heeft gedaan aan de Gemeentelijke Sociale Dienst, waarbij laatstgenoemde ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn financiële situatie, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu eiser deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Het is aan eiser om inzicht te verschaffen in zijn financiële situatie, hetgeen hij heeft nagelaten. Ook de rechtbank en het gerechtshof hebben eiser hier overigens in hun beschikkingen nadrukkelijk op gewezen.

9. Eiser heeft voorts aangevoerd dat er geen gegrond vermoeden is dat hij zich door het verblijf in het buitenland aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de schuld zal onttrekken. Eiser is immers in Nederland gevestigd en is niet voornemens zich elders te vestigen. Zowel de kinderen van eiser alsmede zijn vriendin wonen in Nederland. Bovendien heeft hij onlangs in Nederland een onderneming overgenomen. Daarnaast zijn de ouders van eiser, die momenteel nog in Turkije verblijven, voornemens terug te keren naar Nederland.


Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van een dergelijk gegrond vermoeden sprake is en heeft dit gebaseerd op verscheidene gedingstukken. Uit deze stukken blijkt volgens verweerder dat eiser de afgelopen jaren veel in Turkije verbleef, dat hij daar een psychiater bezocht, dat hij sinds eind 2009 tot 2011 van zijn broer maandelijks 1500 Turkse lire ontving omdat hij voor zijn ouders in Turkije zorgde, dat eisers zoon in de woning in Culemborg verbleef en dat eiser sinds 2009 niet meer in dat huis is geweest. Het vermoeden wordt volgens verweerder versterkt door de omstandigheid dat het college en de sociale dienst de afgelopen jaren (aangetekende) brieven hebben gestuurd naar het adres waarop eiser in de basisadministratie personen stond ingeschreven, waarop door eiser nooit is gereageerd, aldus verweerder. Bovendien heeft eiser verweerder nooit van zijn vertrek naar Turkije op de hoogte gesteld.

11. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1108) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22, aanhef en onder c van de Paspoortwet (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1987-1988, 20393, nr. 3, blz. 42 t/m 44) dat de vraag of een gegrond vermoeden aanwezig is dat betrokkene zich door verblijf in het buitenland aan de wettelijke mogelijkheid tot invordering zal onttrekken moet worden beantwoord aan de hand van diens gedragingen, zoals bijvoorbeeld het niet opgeven van zijn woon- en verblijfplaats en het niet bereid zijn een betalingsregeling te treffen.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een gegrond vermoeden als bedoeld in artikel 22, aanhef en onder c van de Paspoortwet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de door verweerder genoemde gedingstukken naar voren komt dat eiser sinds 2009 langere periodes in Turkije heeft verbleven. Eiser heeft dit ook niet weersproken. Niet is gebleken dat eiser verweerder hiervan op de hoogte heeft gesteld. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eiser zich niet heeft uitgeschreven op het adres in de basisadministratie personen, terwijl hij daar volgens eigen zeggen sinds 2009 niet meer heeft verbleven. Dat hij, zoals gesteld, sinds 2013 weer in Nederland woont, hetgeen zou blijken uit de omstandigheid dat hij in 2014 een onderneming heeft overgenomen en inmiddels in Nederland een nieuwe relatie heeft, maakt dit niet anders nu eiser ook deze stelling niet met nadere stukken heeft onderbouwd. Nu voorts niet is gebleken dat eiser werkelijk bereid is gebleken een betalingsregeling met verweerder te treffen, heeft verweerder de paspoortaanvraag op grond van artikel 22, aanhef en onder c van de Paspoortwet kunnen weigeren.

13. Uit artikel 22, aanhef en onder c gelezen in samenhang met artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet volgt dat het ontbreken van de in artikel 45, eerste lid, van die wet bedoelde overeenstemming tussen eiser en de Gemeentelijke Sociale Dienst aan het verlenen van een paspoort in de weg staat, tenzij verweerder van oordeel is dat eiser hierdoor onevenredig zou worden benadeeld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser een dergelijke onevenredige benadeling niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser is immers in het bezit van een Nederlandse identiteitskaart en een Turks paspoort waarmee hij kan reizen. Dat, zoals gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld, het voor eiser met een Nederlands paspoort makkelijker is om een visum te verkrijgen om zijn broer in Amerika te bezoeken, maakt dit niet anders.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. D.J. Post en

mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Gaastra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.