Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7672

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 7455
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:RBGEL:2014:3873
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Lichthinder, Activiteitenbesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/7455

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. O.V. Wilkens),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel te Kerkdriel, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij][derde-partij].

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 24 juni 2014 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld het in die uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen en daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de rechtbank. Voor het procesverloop tot deze tussenuitspraak wordt naar deze uitspraak verwezen.

Bij brief van 5 augustus 2014 heeft verweerder mededeling gedaan als bedoeld in artikel 8:51b, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het bestreden besluit voorzien van een aanvullende motivering.

Eiser heeft bij brief van 29 augustus 2014 hierop gereageerd.

Bij brief van 10 september 2014 heeft verweerder bericht dat de in de brief van 5 augustus 2014 neergelegde motivering niet volledig was. Bij gelijke brief is de motivering van het bestreden besluit verder aangevuld.

De derde-partij heeft daarop gereageerd bij brief van 2 oktober 2014.

Eiser heeft gereageerd bij brief van 3 oktober 2014.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt lichthinder te ondervinden van het gebruik door de derde-partij van een kas op het perceel [perceel]. Hij heeft verweerder verzocht hiertegen handhavend op te treden. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat naar zijn mening in de kas enkel sprake is van werkverlichting, waartoe het Activiteitenbesluit geen voorschriften bevat. Van een overtreding was, zo stelde verweerder, dan ook geen sprake.

2. Ter zitting van 15 april 2014 is door de derde-partij verklaard dat in de kas sprake is van werkverlichting dan wel verlichting ter verlenging van de dagperiode ter bevordering van bloemvorming. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit deze verklaring van de derde-partij volgt dat niet alleen sprake is van werkverlichting, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft aangenomen, maar dat de functie van de in de kas aanwezige verlichting tweeledig is. Daarmee was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Verweerder diende alsnog onderzoek te doen naar de consequentie hiervan voor zijn besluitvorming. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat, in het geval zou komen vast te staan dat geen sprake is van assimilatiebelichting, verweerder ten onrechte niet heeft bezien of het gebruik van de verlichting als werkverlichting meebrengt dat sprake is van schending van de zorgplicht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Ook op dit punt diende verweerder het besluit van een nadere motivering te voorzien.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder het bestreden besluit van een aanvullende motivering voorzien. Hij stelt zich op het standpunt dat de derde-partij alsnog heeft aangegeven dat de in de kas aanwezige verlichting niet meer wordt ingezet ten behoeve van de assimilatie zodat het stellen van nadere voorschriften in dit opzicht niet nodig is. Indien wordt geconstateerd dat de verlichting toch ten behoeve van de assimilatie wordt gebruikt, zal handhavend worden opgetreden. Wat betreft de vraag of lichthinder optreedt als gevolg van het gebruik van de verlichting als werkverlichting, heeft verweerder aansluiting gezocht bij de richtlijn van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (hierna: NSVV). Mede gelet op de afstand tussen de kas en de woning van eiser, die circa 170 meter bedraagt, is de (berekende) sterkte van het op de woning van eiser invallende licht zo gering, dat deze ruim blijft onder norm van het NSVV. Voor een handhavend optreden wegens schending van de zorgplicht bestaat volgens verweerder dan ook geen aanleiding.

4. Eiser meent dat een enkele berekening van sterkte van het op zijn woning invallende licht niet voldoende is om van handhaving af te zien. Volgens hem is sprake van een onmiskenbaar ervaren lichthinder die met eenvoudige maatregelen kan worden weggenomen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De derde-partij heeft in zijn brief van 2 oktober 2014 aangegeven dat de in de kas aanwezige verlichting mede wordt gebruikt ten behoeve daglichtverlenging ter bevordering van bloemvorming, doch dat de lichtsterkte onvoldoende is om het assimilatieproces als zodanig te bevorderen. Aldus wordt, zo stelt hij, de verlichting niet ingezet ten behoeve van de assimilatie en is van assimilatiebelichting geen sprake. Ook verweerder heeft zich op dit standpunt gesteld.

7. De rechtbank volgt dit betoog niet. Anders dan de derde-partij en verweerder menen, brengt de enkele omstandigheid dat de lichtintensiteit van de in de kas aanwezige lampen onvoldoende is om het assimilatieproces te bevorderen, niet mee dat geen sprake kan zijn van assimilatiebelichting als bedoeld in het Activiteitenbesluit. Immers, onder assimilatiebelichting wordt ingevolge het bepaalde in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit verstaan de kunstmatige belichting van gewassen ter bevordering van het groeiproces. Daarvan is in dit geval sprake, nu de aanwezige lampen mede worden gebruikt voor de (bevordering van de) bloemvorming. Dat het assimilatieproces als zodanig niet wordt beïnvloed, is volgens de begripsbepaling niet van belang.

8. Voorgaande brengt mee dat in beginsel de regels zoals neergelegd in paragraaf 3.5.1 van het Activiteitenbesluit op de inrichting van derde-partij van toepassing zijn. Verweerder heeft dit niet onderkend. Nu aldus ook niet aan deze regels is getoetst en niet is bezien of op grondslag hiervan tot handhaving kon worden overgegaan, is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld.

9. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.58 van het Activiteitenbesluit geldt, indien sprake is van assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux, dat de bovenzijde zodanig moet worden afgeschermd dat de verlichtingssterkte in de donkerteperiode met ten minste 98% wordt gereduceerd. Tegelijkertijd bepaalt het overgangsrecht, opgenomen in artikel 6.24e van het Activiteitenbesluit, dat dit voorschrift niet geldt (tot 1 januari 2021) voor kassen kleiner dan 2500 m². Uit de verleende omgevingsvergunning maakt de rechtbank op dat de kas in dit geval minder meet dan 2500 m². Dit betekent dat het bepaalde in artikel 3.58 van het Activiteitenbesluit in dit geval toepassing mist. Dit betekent echter niet dat in het geheel geen regels gelden. Uit het bepaalde in het tweede lid van artikel 6.24e van het Activiteitenbesluit volgt dat in dit geval de voorschriften uit paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer van toepassing zijn, zoals deze luidden onmiddellijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 3.58. Verweerder zal bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dienen te betrekken of aan deze voorschriften kan worden voldaan. Dit bepaalt immers zijn bevoegdheid tot handhavend optreden.

10. Resteert het gebruik van de in de kas aanwezige verlichting als werkverlichting. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2011 in zaak nr. 201012817/1/M1) kunnen bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen vanwege overtreding van de in artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen zorgplicht, uitsluitend worden getroffen wanneer het handelen of nalaten van de drijver van de inrichting onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht.

11. Anders dan eiser betoogt, maakt de omstandigheid dat hij hinder ervaart van de lichtstraling vanuit de kas noch de omstandigheid dat de door hem ervaren lichthinder eenvoudig kan worden opgelost dat verweerder daartegen zonder meer handhavend kon optreden. Daarmee is immers nog niet aannemelijk dat onmiskenbaar in strijd wordt gehandeld met de zorgplicht. Zoals verweerder terecht heeft overwogen, staat in de Nota van Toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, blz. 181) dat de richtlijn van de NSVV als uitgangspunt kan worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of er lichthinder optreedt. Verweerder heeft gemotiveerd gesteld dat de (berekende) sterkte van het op de woning van eiser invallende licht zo gering is, dat deze ruim blijft onder de grenswaarde zoals die volgt uit de richtlijn van het NSVV. Eiser heeft niets aangevoerd waaruit kan volgen dat deze berekening mogelijk niet overeenkomt met de feitelijke situatie. Onder die omstandigheden was verweerder, anders dan eiser meent, dan ook niet gehouden om metingen uit te voeren op de vensters van de woning van eiser.

12. Voorgaande brengt mee dat het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder h, van het Activiteitenbesluit niet is overtreden, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet bevoegd was handhavend op te treden.

13. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2013 gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd. Gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 8 is overwogen bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. Verweerder zal opnieuw op de bezwaren van eiser moeten beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

14. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Deze kosten worden bepaald op € 1.461 aan kosten van rechtsbijstand (een punt voor het beroepschrift en een punt voor bijwonen van de zitting van 15 april 2014, een half punt voor de reactie van 29 augustus 2014 en een half punt voor de reactie van 3 oktober 2014, waarde per punt € 487).

15. Beslist wordt derhalve als volgt.

Beslissing

De rechtbank.

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 22 oktober 2013;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 1.461;

- verstaat dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 160,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, mr. L. van Gijn en

mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.