Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7569

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 798
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In april 2012 heeft het dagelijks bestuur van Waterschap Rivierenland bestuursdwangbesluiten en een dwangsombesluit aan het bedrijf bekendgemaakt wegens overtreding van de Waterwet door het zonder vergunning in het oppervlaktewater van de Bommelerwaard brengen van met het gewasbeschermingsmiddel Paraat verontreinigd afvalwater. Bij latere besluiten zijn kostenverhaalsbeschikkingen aan het bedrijf bekendgemaakt. Bij het besluit op bezwaar zijn de genoemde besluiten, voor zover van belang, in stand gelaten.

In september 2012 is een nieuw bestuursdwangbesluit aan het bedrijf bekendgemaakt wegens het opnieuw zonder vergunning in het oppervlaktewater brengen van verontreinigd afvalwater. Bij latere besluiten zijn de invordering van verbeurde dwangsommen en het verhaal van kosten van toepassing van bestuursdwang aan het bedrijf bekendgemaakt. Bij het besluit op bezwaar zijn de genoemde besluiten, voor zover van belang, in stand gelaten.

De rechtbank heeft de door het bedrijf tegen de besluiten op bezwaar ingestelde beroepen ter zitting op 30 oktober 2014 behandeld en bij uitspraak van 9 december 2014 ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/798

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[BV 1]

[eiser 1]

[eiser 2]

[Holding BV]

[Beheer BV 1]

[Beheer BV 2]

[Onroerend Goed BV ]

allen te Poederoijen, eisers

(gemachtigde: mr. dr. J.J.J. de Rooij),

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland te Tiel, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. IJdema).

Procesverloop

Bij besluiten van 12 april 2012 heeft verweerder aan eisers een last onder dwangsom wegens overtreding van de artikelen 6.8 en 6.9 van de Waterwet opgelegd en een besluit tot toepassing van bestuursdwang wegens overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet genomen.

Bij besluiten van 16 en 17 april 2012 heeft verweerder toegepaste spoedbestuursdwang meegedeeld aan eisers vanwege overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet.

Bij besluiten van 25 april 2012 zijn besluiten tot toepassing van bestuursdwang genomen vanwege overtreding van artikel 6.2, eerste lid, en 6.8 van de Waterwet.

Bij besluiten van 26 april 2012 zijn besluiten van toegepaste (spoed)bestuursdwang meegedeeld aan eisers.

Bij besluiten van 6 juni 2012 en 19 september 2012 zijn kostenverhaalsbeschikkingen tot onderscheidenlijke bedragen van € 289.509,68 en € 29.493,86 ter zake de toegepaste (spoed)bestuursdwang gegeven.

Bij besluit op bezwaar van 6 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de hiervoor genoemde besluiten, voor zover hier van belang, in stand gelaten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In de uitspraak van de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorziening met zaaknummer 13/797 van 26 april 2013 is aan partijen de intrekking van de beroepen van [Energie BV] en [Breeding BV] bevestigd.

De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met zaaknummer 13/1784.

Op 26 juni 2014 zijn partijen ter comparitie verschenen.

Op 17 en 22 oktober 2014 heeft verweerder ten behoeve van de zitting als deskundigen aangemeld [namen deskundigen], als getuigen [namen getuigen] en als getuigen/deskundigen [namen getuigen/deskundigen].

Op 20 oktober 2014 hebben eisers ten behoeve van de zitting als deskundigen aangemeld [namen deskundigen 2] en als getuigen [naam 1] en [naam 2] voornoemd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Van eisers zijn [eiser 1] en [eiser 2] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Ariëns, J. van Ingen en mr. IJdema voornoemd.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling van de beide zaken gesplitst.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Een maandelijkse trendmeting op 5 maart 2012 door drinkwaterleidingsbedrijf Dunea heeft geleid tot het analyseresultaat dat het water in de Afgedamde Maas bij het innamepunt voor drinkwaterwinning aan de zuidzijde van de Wilhelminasluis op die datum een gehalte van 4,8 microgram Dimethomorf (hierna: DMM) per liter bevatte. Op dezelfde dag heeft Dunea ook het water in het aanvoerkanaal naar het gemaal Dam Van Brakel bemonsterd. In dat water is een gehalte van 52 microgram DMM per liter gemeten. Nadat opnieuw een verhoogd gehalte aan DMM was gemeten, heeft Dunea de inname van water uit de Afgedamde Maas op 23 maart 2012 gestaakt. Waterschap Rivierenland (hierna: het waterschap) heeft in overleg met Dunea besloten noodleidingen aan te leggen om het met DMM verontreinigde water uit het aanvoerkanaal van het gemaal Dam Van Brakel door te pompen naar de Waalzijde van de Wilhelminasluis. Daarnaast is het waterschap gestart met onderzoek naar de bron van de verontreiniging. Het gemaal Dam Van Brakel slaat water van de westelijke Bommelerwaard uit op de Afgedamde Maas. Het waterschap heeft op 26 maart 2012 monsters genomen van water in de westelijke Bommelerwaard en het onderzoek vervolgens, naar aanleiding van gemeten verhoogde concentraties DMM, op 30 maart 2012 toegespitst op de zuidelijk gelegen polder Poederoijen. In dat kader heeft het waterschap op 5 april 2012, naast monsters van het water in de watergangen, waarbij opnieuw verhoogde concentraties DMM zijn gemeten, ook monsters genomen op en bij het terrein van de rozenkwekerij van [BV 1] (hierna: het bedrijf) aan de [perceel] (hierna: het perceel). In die watermonsters zijn gehaltes DMM gemeten van 1900 microgram per liter in de rioolbuffersilo, 190 microgram per liter in een drainsilo en 640 microgram per liter in het oppervlaktewaterlichaam ter hoogte van het lozingspunt van de drukrioolpompput. Op 11 april 2012 heeft het waterschap tijdens een luchtsurveillance omstreeks 11:01 uur waargenomen dat er water uit de hemelwaterafvoerbuis van het bedrijf rechtstreeks in een naast het bedrijf gelegen sloot (hierna: de sloot) stroomde en dat het hemelwaterbassin van het bedrijf vrijwel leeg was. Op 12 april 2012 hebben toezichthouders van het waterschap, [naam toezichthouder] en [naam toezichthouder], het bedrijf weer bezocht. Tijdens dat bezoek is opnieuw geconstateerd dat uit de genoemde hemelwaterafvoerbuis water rechtstreeks in de sloot stroomde en zijn nadere monsters genomen. Het bedrijf heeft in februari en maart 2012 in totaal 140 kilogram van het gewasbeschermingsmiddel Paraat ingekocht, ter bestrijding van schimmelinfectie van wortels van rozen. Paraat bestaat voor de helft uit de werkzame stof DMM. Het bedrijf heeft de volledige voorraad Paraat in februari, maart en april 2012 verbruikt, met dien verstande dat de laatste 20 kilogram van de voorraad in april is verbruikt. Er is onderzoek gedaan bij andere bedrijven in de Bommelerwaard naar het voorhanden hebben en gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen met DMM in de betreffende periode. Daarbij is bij één ander glastuinbouwbedrijf een hoeveelheid van 1596 gram Paraat aangetroffen. Volgens de spuitregistratie van dat bedrijf was 150 gram Paraat verbruikt.

2. Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet is het, voor zover hier van belang, verboden om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend door het bestuur van het betrokken waterschap.

Ingevolge artikel 6.1 wordt onder stoffen verstaan: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen.

Ingevolge artikel 6.8 is een ieder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

Ingevolge artikel 6.9, eerste lid, maakt degene die handelingen verricht als bedoeld in artikel 6.8 en daarbij kennis neemt van een verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam die door die handelingen wordt veroorzaakt, zo spoedig mogelijk melding van de verontreiniging of aantasting bij de beheerder. Hij geeft daarbij aan welke maatregelen als bedoeld in artikel 6.8 hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen.

3. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Drinkwaterregeling, gelezen in verbinding met bijlage 5 bij die regeling, mag het gehalte van gewasbeschermingsmiddelen, biociden en hun relevante afbraakproducten in het oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater bij het innamepunt per afzonderlijke stof niet meer dan 0,1 microgram per liter bedragen.

Voor de beoordeling van de mate van schadelijkheid van DMM in het oppervlaktewater heeft verweerder bij gebrek aan specifieke andere normstelling gelet op het Waterbeheerplan 2010-2015 van het waterschap aansluiting gezocht bij de aan de Bestrijdingsmiddelenatlas van de RU Leiden ontleende MTR-norm (Maximaal Toelaatbaar Risico) van 10 microgram per liter. De rechtbank volgt verweerder daarin.

4. Aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluiten ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat op 12 april 2012 is geconstateerd dat DMM-houdend afvalwater via de hemelwaterafvoerbuis rechtstreeks in de sloot is gebracht, dat de periode waarin de verontreiniging van het oppervlaktewater met DMM is aangetroffen samenvalt met de periode waarin het bedrijf een substantiële hoeveelheid Paraat heeft verbruikt, alsmede dat er geen aanwijzingen zijn dat de verontreiniging door derden is veroorzaakt. Bovendien is van het in de sloot brengen van DMM-houdend water niet tijdig melding gedaan bij het waterschap en zijn niet tijdig toereikende maatregelen getroffen om de omvang van de verontreiniging te beperken, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt dat het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat sprake is van overtreding van de betrokken bepalingen van de Waterwet en de daartoe vereiste feiten te stellen en, bij betwisting daarvan, te bewijzen.

4.1.

In de rapportage van de analyseresultaten van de monsternemingen op 12 april 2012 is vermeld dat het water uit de hemelwaterafvoerbuis, aangeduid als “lozingspijp met kraan”, een gehalte van 1000 microgram DMM per liter bevatte (LIMS-volgnummer 2012-05906), dat het water in de sloot ter hoogte van de toegangsdam van het bedrijf een gehalte van 910 microgram DMM per liter bevatte (LIMS-volgnummer 2012-05905) en dat het water bovenstrooms, nabij de riooloverstort, een gehalte van 0,79 microgram DMM per liter bevatte (LIMS-volgnummer 2012-05907).

Eisers betogen dat de splitsing van de monsters die heeft plaatsgevonden meebrengt dat aan de metingen niet de waarde kan worden toegekend die verweerder daaraan heeft toegekend. Dat er een splitsing heeft plaatsgevonden is niet aangegeven in de processen-verbaal.

Uit het ter zitting overgelegde monsteroverdrachtformulier van Omegam Laboratoria in Amsterdam van 12 april 2012 met projectcode Ti-332, bezien in samenhang met de bij de analyserapporten behorende analysecertificaten met daarin vermeld de genoemde drie LIMS-volgnummers en de genoemde projectcode, moet worden afgeleid dat de drie verzegelde en van individuele LIMS-volgnummers voorziene monsterflessen bestemd voor analyse op DMM op 12 april 2012 om 14:50 uur door Aquon Instituut voor wateronderzoek en advies in Tiel zijn overgedragen aan de koerier van Omegam. Uit de door verweerder bij brief van 3 oktober 2014 overgelegde printscreen van Aquon leidt de rechtbank af dat de monsterflessen en -potten van de monsterneming door het waterschap op 12 april 2012 om 13:57 uur in het registratiesysteem van Aquon zijn ingevoerd en dat de parameter Natrium om 16:19 uur in het registratiesysteem van Aquon is ingevoerd. Mede gelet op de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen van [naam projectleider handhaving], projectleider handhaving van het waterschap en [monsterorderbehandelaar], monsterorderbehandelaar van Aquon, acht de rechtbank aannemelijk dat de monstersplitsing in verband met de latere toevoeging van de parameter Natrium aan het analysepakket, heeft plaatsgevonden uit één van de overgebleven monsterpotten, nadat de monsterflessen voor analyse op DMM waren overgedragen aan de koerier van Omegam. Hoewel aan eisers kan worden toegegeven dat het verweerder niet misstaan zou hebben proces-verbaal van de latere monstersplitsing op te maken, is de rechtbank van oordeel dat gelet op wat hiervoor is overwogen niet aannemelijk is geworden dat de monstersplitsing van enige invloed kan zijn geweest op de betrouwbaarheid van de analyse van de monsters op DMM.

Eisers betogen dat de analyse van het water dat afkomstig was uit de hemelwaterafvoerbuis onbetrouwbaar is, nu uit de analyseresultaten blijkt dat dat water is aangemerkt als oppervlaktewater, welke aanduiding een andere analysemethode meebrengt.

[naam getuige/deskundige], kwaliteitsmanager bij Omegam, heeft ter zitting toegelicht dat er geen verschil is tussen opwerking van oppervlaktewater voor analyse op DMM en opwerking van afvalwater voor analyse op DMM. Alleen als afvalwater veel sediment bevat, kan dat leiden tot afwijkende, lagere, analyseresultaten, omdat een gedeelte van het in het watermonster aanwezige DMM zich aan het sediment zou kunnen hechten en daardoor onmeetbaar zou kunnen blijven. Gelet op deze toelichting biedt de mogelijke omstandigheid dat het monster met LIMS-volgnummer 05906 abusievelijk als oppervlaktewater en niet als afvalwater is geanalyseerd, evenmin aanknopingspunten voor mogelijke onjuistheid of onbetrouwbaarheid van de monsterneming en de verkregen analyseresultaten, met dien verstande dat het gehalte DMM in werkelijkheid hoger, maar niet lager zou kunnen zijn dan is gerapporteerd.

Eisers betogen dat de analyseresultaten onbetrouwbaar zijn omdat de tijdstippen van monsterneming niet overeenstemmen met de volgnummers van de analyseresultaten. De rechtbank is van oordeel dat uit de omstandigheid dat het monster, aangeduid als “lozingspijp met kraan” een half uur eerder is genomen dan het monster, aangeduid als “benedenstrooms ter hoogte van de toegangsdam”, en toch een hoger LIMS-volgnummer heeft, kan worden afgeleid dat het eerstgenoemde monster later in het registratiesysteem van Aquon is verwerkt dan het laatstgenoemde monster, maar niet dat de monsters van de beide monsterlocaties onderling verwisseld zijn.

De rechtbank heeft in het proces-verbaal van bevindingen ˈbedrijfsbezoek [naam bedrijf] van 12 april 2012 en ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om de deugdelijkheid van de monsterneming in twijfel te trekken. Dat in het proces-verbaal met betrekking tot de wijze van monsterneming op de monsterlocaties 2 en 3 abusievelijk is verwezen naar NEN 6600-1 (afvalwater) in plaats van naar NEN 6600-2 (oppervlaktewater), maakt dat niet anders, omdat de in het proces-verbaal beschreven wijze van monsterneming in overeenstemming is met beide genoemde NEN-normen.

De conclusie moet zijn dat er geen aanknopingspunten zijn om de monsternemingen op 12 april 2012 en de naar aanleiding daarvan verkregen analyseresultaten onjuist of onbetrouwbaar te achten. Ook overigens heeft de rechtbank in wat eisers hebben aangevoerd met betrekking tot onregelmatigheden in de monsternemingen en verkrijging van analyseresultaten, geen aanknopingspunten gevonden voor mogelijke onjuistheid of onbetrouwbaarheid daarvan. De betogen van eisers slagen niet.

4.2.

Eisers betogen voorts dat het onderzoek van verweerder bij andere bedrijven in de Bommelerwaard naar het voorhanden hebben en gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen met DMM in de betreffende periode, ontoereikend is. Zij voeren daartoe aan dat niet alle daarvoor in aanmerking komende bedrijven zijn onderzocht en dat het onderzoek bij de bedrijven die wel zijn onderzocht, onvoldoende intensief is geweest. De rechtbank heeft in wat eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het onderzoek van verweerder bij andere bedrijven ontoereikend is geweest. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met DMM in de aardappelteelt plaatsvindt in de periode van mei tot september en dus buiten de onderzoeksperiode van februari tot en met april. Het betoog van eisers slaagt niet.

4.3.

Eisers hebben niet betwist dat het bedrijf vanaf medio februari tot en met begin april 2012 in totaal 140 kilogram Paraat heeft verbruikt.

4.4.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is door verweerder, behoudens tegenbewijs, aannemelijk gemaakt dat het bedrijf in ieder geval in maart en april 2012 afvalwater met DMM via de hemelwaterafvoerbuis en mogelijk ook op andere wijze rechtstreeks in het oppervlaktewater heeft gebracht in een zodanige mate dat daardoor de in het oppervlaktewater aangetroffen verontreiniging met DMM is veroorzaakt. Daarbij acht de rechtbank met verweerder doorslaggevend dat is geconstateerd dat DMM-houdend water via de hemelwaterafvoerbuis rechtstreeks in de sloot is gebracht, dat de periode waarin de verontreiniging van het oppervlaktewater met DMM is aangetroffen samenvalt met de periode waarin het bedrijf een substantiële hoeveelheid Paraat heeft verbruikt, alsmede dat er geen aanwijzingen zijn dat de verontreiniging door derden is veroorzaakt.

4.5.

Eisers betogen – bij wijze van tegenbewijs – dat het water dat op 12 april 2012 uit de hemelwaterafvoerbuis stroomde tijdelijk opgesloten slootwater en geen bedrijfsafvalwater was. Daartoe voeren zij met verwijzing naar de verklaringen ter zitting van getuige [naam getuige], onderhoudsmonteur bij het bedrijf, en deskundige [naam deskundige], aan dat de hemelwaterafvoerbuis op 4 april 2012 is afgedopt door het daarop aanbrengen van een kraan en het dichtzetten daarvan, toen de buis onder water stond na werking van de riooloverstort en was volgelopen met slootwater. Voorts betogen zij dat de op 4 april 2012 op de buis aangebrachte kraan op 11 en 12 april 2012 is opengezet om de buis leeg te laten lopen voor een camera-inspectie. Volgens eisers heeft het monster met LIMS-volgnummer 2012-05906 derhalve betrekking op tijdelijk opgesloten slootwater en niet op bedrijfsafvalwater.

De rechtbank acht de hiermee door eisers gegeven alternatieve verklaring voor het in het water uit de hemelwaterafvoerbuis aangetroffen gehalte aan DMM van 1000 microgram per liter om de volgende redenen ongeloofwaardig.

Eisers hebben ter zitting erkend dat de door hen overgelegde foto van de onder water staande hemelwaterafvoerbuis met dichte kraan, anders dan eerder betoogd, mogelijk niet is genomen op 5 april 2012, of naar eisers later niet uitgesloten hebben op 4 april 2012, maar pas in mei 2012. Reeds om die reden kan de betreffende foto niet bijdragen aan het bewijs dat de hemelwaterafvoerbuis op 4 april 2012 onder water stond.

Uit de neerslaggegevens van het weerstation Andel is af te leiden dat er in de periode van 12 maart tot en met 5 april 2012 in het betrokken gebied weinig regen is gevallen, namelijk 4 mm op 18 maart, 2 mm op 4 april en 0,4 mm op 5 april. In wat eisers hebben aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om deze gegevens onvoldoende representatief te achten voor de neerslag in het betrokken gebied. Evenmin is gebleken van een zodanig aanbod van afvalwater op het rioolstelsel in de betreffende periode dat de riooloverstort vanwege tekortschietende pompcapaciteit van het rioolgemaal en bergingscapaciteit van het rioolstelsel in werking zou zijn getreden. Ook uit de door eisers aangedragen gegevens van onderzoeksbureau TAUW in Deventer volgt niet dat het aannemelijk moet worden geacht dat de hemelwaterafvoerbuis onder water heeft gestaan, waarvoor een stijging van het waterpeil in de sloot met 30 tot 35 cm ten opzichte van het normale waterpeil nodig was, toen de buis begin april werd afgedopt. Niet in geschil is overigens dat de hemelwaterafvoerbuis op 11 en 12 april 2012 niet onder water stond, hoewel uit de neerslaggegevens van het weerstation Andel is af te leiden dat het van 9 tot en met 12 april 2012 op alle dagen geregend heeft en dat er op 10 april 2012, de dag voorafgaand aan de luchtsurveillance in de ochtend van 11 april 2012, 9 mm regen is gevallen.

Dat de dam in de sloot tussen het peilvak BOM 178 aan de zijde van de riooloverstort en het lagere peilvak BOM 177 aan de zijde van de hemelwaterafvoerbuis in de periode van februari tot en met april 2012 niet peilscheidend was, hebben eisers niet aannemelijk kunnen maken. Eisers stellen zich niet langer op het standpunt dat de dam lek was, maar blijven bij hun standpunt dat de dam te laag was om peilscheidend te kunnen zijn. De als productie 111 bij het nadere verweerschrift van 3 oktober 2014 overgelegde zogenoemde Cyclorama-foto’s van 17 maart 2011 en 13 februari 2013 bevestigen echter het standpunt van verweerder dat de dam in de tussenliggende periode, op 14 mei 2012, door eisers is afgegraven en vervangen door een nieuwe, lagere, dam.

Aan de verklaring van getuige [naam getuige], die onder ede heeft verklaard dat hij begin april 2012 de hemelwaterafvoerbuis heeft afgedopt terwijl het waterpeil van de sloot zich boven deze buis bevond, hecht de rechtbank niet de betekenis die eisers daaraan willen toekennen.

Eisers hebben eerder verklaard dat [eiser 2] de buis op 5 april 2012 zelf heeft afgedopt naar aanleiding van het bedrijfsbezoek van het waterschap op die datum. Uit de bij het nader verweerschrift van 26 november 2013 als productie 103 overgelegde, in het proces-verbaal van het bedrijfsbezoek op 5 april 2012 als foto 7 benoemde, foto van 5 april 2012 om 14:38 uur van de sloot voor het bedrijf, is te zien dat het water in de sloot toen laag stond. Nadien hebben eisers verklaard dat [eiser 2] naar aanleiding van berichtgeving in onder meer het Brabants Dagblad van 28 maart 2012 over de verontreiniging, direct opdracht heeft gegeven om materiaal voor het afdoppen van de buis te kopen en dat [eiser 2] en [naam getuige] de buis samen op 4 april 2012 hebben afgedopt toen de buis onder water stond. Getuige [naam getuige] heeft ter zitting verklaard dat hij de buis begin april 2012 heeft afgedopt toen de buis onder water stond en heeft niet verklaard dat hij dat samen met [eiser 2] heeft gedaan, of dat [eiser 2] daarbij aanwezig was. Als de buis die hij heeft afgedopt, heeft hij desgevraagd de buis met schuifmof aangewezen, die te zien is op een foto van het waterschap van 27 april 2012. Hij heeft niet de buis met aangevormde mof aangewezen, die te zien is op een foto van het waterschap van 11 april 2012. Daarbij komt dat lijmen onder water, naar [eiser 1] desgevraagd ter zitting heeft verklaard, niet mogelijk is en dat het afdoppen van de buis onder water aanmerkelijk moeilijker is dan boven water. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam getuige] zich, als werknemer van het bedrijf, in een van eisers afhankelijke positie bevindt, alsmede dat de in het proces-verbaal van bevindingen van het bedrijfsbezoek van 12 april 2012 beschreven gang van zaken ertoe heeft geleid, dat [naam getuige] toen niet zijn verklaring, zoals weergegeven door de verbalisant van het waterschap, maar de door [eiser 2] geschreven verklaring, heeft ondertekend.

De verklaring van eisers dat de kraan weer opengezet is op 11 en 12 april 2012 ten behoeve van een camera-inspectie van de hemelwaterafvoerbuis op mogelijke aansluitingen, roept ook de nodige vragen op. Uit het als productie 8 bij het verweerschrift overgelegde controlerapport van toezichthouder [naam toezichthouder], naar aanleiding van het bedrijfsbezoek op 11 april 2012 omstreeks 15:15 uur, is af te leiden dat [eiser 2] toen heeft verklaard dat hij niet wist waarom er water werd geloosd uit de hemelwaterafvoerbuis en dat de kraan meestal dicht zat. Volgens de latere verklaring van eisers wist [eiser 2] echter wel waarom er water werd geloosd uit de hemelwaterafvoerbuis, namelijk voor de camera-inspectie. De camera-inspectie heeft op 2 mei 2012 plaatsgevonden. Niet zonder meer begrijpelijk is dan dat [eiser 2] de hemelwaterafvoerbuis al op 11 april 2012 wilde laten leeglopen, temeer omdat niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser 2] toen al contact had met het bedrijf dat de camera-inspectie op 2 mei 2012 heeft uitgevoerd.

De conclusie is dat eisers niet in het bewijs zijn geslaagd dat het op 12 april 2012 genomen monster van het water uit de hemelwaterafvoerbuis betrekking had op tijdelijk opgesloten slootwater en niet op rechtstreeks van het bedrijf afkomstig afvalwater. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.

4.6.

Evenmin hebben eisers aannemelijk gemaakt dat een zodanig deel van het DMM-houdend bedrijfsafvalwater op reguliere wijze op het riool is geloosd, dat het resterende deel van het DMM-houdend bedrijfsafvalwater dat rechtstreeks op het oppervlaktewater is geloosd, ontoereikend, dan wel te zeer verdund is om daaruit de aangetroffen verontreiniging van het oppervlaktewater met DMM te kunnen verklaren.

4.7.

De stelling van eisers dat het gesloten watersysteem van het bedrijf slechts tot en met 14 februari 2012 door een zogenoemde tussenleiding was onderbroken, is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eisers overtredingen hebben begaan, omdat daarmee nog niet is uitgesloten dat er ten tijde hier van belang op andere wijze bedrijfsafvalwater via de hemelwaterafvoerbuis op de sloot kon worden afgevoerd.

4.8.

Ten slotte is niet aannemelijk geworden dat eisers in de in geding zijnde periode van overtreding tijdig melding aan het waterschap hebben gedaan en tijdig toereikende maatregelen hebben getroffen.

4.9.

Uit het vorenstaande volgt dat het bedrijf ten tijde hier van belang het in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet neergelegde verbod heeft overtreden door zonder vergunning DMM in het oppervlaktewater te lozen en voorts heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 6.8 en 6.9 van de Waterwet. Verweerder was daarom ten tijde hier van belang bevoegd daartegen handhavend op te treden.

5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van concreet zicht op legalisatie was ten tijde hier van belang geen sprake, omdat verweerder niet bereid was en is om aan het bedrijf een vergunning te verlenen voor het rechtstreeks in de sloot brengen van DMM-houdend afvalwater.

Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0699, overweegt de rechtbank dat de Waterwet niet vereist dat het brengen van het afvalwater in het oppervlaktewater gevaar voor mens en milieu oplevert. Het lozen van afvalwater zonder een daartoe vereiste vergunning is op zichzelf geen overtreding van geringe aard en ernst, zodat er geen grond is voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

6. [eiser 2] en [eiser 1] zijn via hun beheermaatschappijen en [Holding BV] gezamenlijk enig aandeelhouder en bestuurder van [BV 1]. Reeds daarom moeten zij samen geacht worden feitelijke zeggenschap over de inrichting van [BV 1] te hebben en kunnen zij en hun beheermaatschappijen en [Holding BV] als overtreders worden aangemerkt. Slechts in uitzonderlijke gevallen zou kunnen worden aangenomen dat een enig aandeelhouder en bestuurder geen feitelijke zeggenschap heeft. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat een zodanig uitzonderlijk geval zich hier voordoet. Bovendien is het gelet op de uit de mede ter zitting gebleken intensieve actieve en persoonlijke betrokkenheid van zowel [eiser 2] als [eiser 1] bij de inrichting van [BV 1] vanaf in ieder geval einde maart 2012, aannemelijk dat beiden ook voorafgaand aan de in geding zijnde periode van overtreding al actief en persoonlijk betrokken waren bij de inrichting van [BV 1].

[Onroerend Goed BV ] is eigenaresse van de grond en de opstallen waarop en waarin het bedrijf van [BV 1] is gevestigd en [Onroerend Goed BV ] heeft dezelfde bestuurders en aandeelhouders als [BV 1] en behoort derhalve tot hetzelfde concern. Hierdoor is er wat betreft het ontstaan en het voortbestaan van de overtreding op het perceel ook tussen [BV 1] en [Onroerend Goed BV ] een zodanig nauwe verwevenheid gegeven, dat [Onroerend Goed BV ] in haar hoedanigheid van eigenaresse van de gronden en opstallen op het perceel kan worden aangemerkt als overtreder. De enkele omstandigheid dat de uitsluitende zeggenschap over de genoemde BV’s ten tijde hier van belang niet bij één en dezelfde natuurlijke persoon, zoals aan de orde in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:102, maar bij twee en dezelfde natuurlijke personen berustte, maakt dat niet anders.

7. Eisers betogen dat verweerder geen (zeer) spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft mogen toepassen. Aan verweerder komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de wijze waarop bestuursdwang wordt toegepast, binnen de grenzen die de eisen van evenredigheid en proportionaliteit stellen. Zoals hiervoor onder 5. is overwogen is voor de handhaving van het verbod van artikel 6.2 eerste lid, van de Waterwet niet van belang of de lozing gevaar oplevert voor mens of milieu omdat het lozen van afvalwater zonder een daartoe strekkende vergunning op zich geen overtreding van geringe aard en ernst is. Bovendien is blijkens op 16 maart 2012 door Dunea verkregen analyseresultaten, op 5 maart 2012 in het water in de Afgedamde Maas bij het innamepunt voor drinkwaterwinning een gehalte aan DMM aangetroffen ter grootte van 48 keer de daarvoor per afzonderlijke stof voor gewasbeschermingsmiddelen geldende grenswaarde van 0,1 microgram per liter. Gelet op de op 23 maart 2012 verkregen monsteranalyseresultaten van herhaalde monsterneming bij het innamepunt op 16 maart 2012, heeft Dunea op 23 maart 2012 besloten tot onmiddellijke staking van inname van water uit de Afgedamde Maas voor drinkwaterwinning en het waterschap geïnformeerd. Vervolgens is met DMM verontreinigd water uit de Afgedamde Maas doorgepompt naar de Waal. Daartoe zijn noodleidingen aangelegd om het water uit het aanvoerkanaal van het gemaal Dam Van Brakel om te leiden naar de Waalzijde van de Wilhelminasluis. Tegelijkertijd is het waterschap op zoek gegaan naar de bron van de verontreiniging. In wat eisers in dit verband met verwijzing naar onderzoeksrapportage van TAUW hebben aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang en spoedeisende bestuursdwang redelijkerwijs niet noodzakelijk was dan wel dat het waterschap in het kader van de uitoefening van die bestuursdwang maatregelen heeft genomen die naar het voortschrijdende inzicht van destijds redelijkerwijs niet noodzakelijk waren. Niet aannemelijk is gemaakt dat het waterschap zogenoemde opjagers in het watersysteem onnodig in werking heeft gelaten, waardoor de verontreiniging zich meer dan nodig heeft kunnen verspreiden. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat het waterschap eisers in de gelegenheid had moeten stellen om tijdig zelf maatregelen te treffen om de gevolgen van de overtreding ongedaan te maken, gegeven de daarvoor vereiste spoed en specifieke waterstaatkundige expertise en de periode vanaf 5 april 2012 waarin het waterschap bekend werd met de mogelijke overtreders. Wat eisers hebben aangevoerd biedt voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ongeoorloofde samenloop van herstelsancties. Het betoog slaagt niet.

8. Eisers betogen voorts dat de verhaalde kosten onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt. De kosten van bestuursdwang bestaan uit kosten van derden die zijn ingeschakeld in het kader van de toepassing van bestuursdwang en de kosten van het eigen personeel van het waterschap dat is ingezet. De kosten van derden zijn inzichtelijk gemaakt met facturen van die derden en de kosten van het eigen personeel zijn inzichtelijk gemaakt door een volledig overzicht te geven van de uren die door de eigen medewerkers zijn besteed aan de toepassing van bestuursdwang en door inzage te geven in de regeling ˈoverzicht van bij derden in rekening te brengen (uur)tarieven, alsmede uurvergoeding voor schouwwerkzaamheden 2012ˈ op basis waarvan de hoogte van de kosten van de inzet van de eigen medewerkers van het waterschap is bepaald. De rechtbank heeft in wat eisers in dit verband hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder de verhaalde kosten onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Het betoog slaagt niet.

9. Wat eisers verder hebben aangevoerd, biedt ten slotte geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit gebreken bevat die niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kunnen worden gepasseerd.

10. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. B.J. Zippelius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Saedt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.