Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:755

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
05/720241-13; 05/900488-12, 05/701203-12, 05/840760-13 en 05/841560-13 (tzz gevoegd)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:10278, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 5 jaren voor poging tot doodslag op een politieagent, vernieling, belediging van een ambtenaar in functie (meermalen gepleegd), mishandeling en twee diefstallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/67

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/720241-13; 05/900488-12, 05/701203-12, 05/840760-13 en

05/841560-13 (tzz gevoegd).

Datum zitting : 13 september 2013, 29 november 2013 en 24 januari 2014

Datum uitspraak : 7 februari 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres 1]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

raadsman : mr. K.H.T. van Gijssel, advocaat te Amsterdam.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 05/720241-13

Primair

hij op of omstreeks 2 juni 2013, in de gemeente Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] (in/tijdens zijn functie van/als hulpofficier van/bij de politie Gelderland-Zuid) van het leven te beroven, met dat opzet - terwijl hij, verdachte, zich (op dat moment) op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer 1] bevond - met (zeer) (veel) kracht, met gebalde vuist, die [slachtoffer 1] op/tegen het strottenhoofd/de keel heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 2 juni 2013, in de gemeente Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] (hulpofficier van justitie bij de politie Gelderland-Zuid), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - terwijl hij, verdachte, zich (op dat moment) op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer 1] bevond - met (zeer) (veel) kracht, met gebalde vuist, die [slachtoffer 1] op/tegen het strottenhoofd/de keel heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 2 juni 2013, in de gemeente Nijmegen, een persoon genaamd [slachtoffer 1] (hulpofficier van justitie bij de politie Gelderland-Zuid), gedurende en/of terzake van de

rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft verdachte -terwijl hij zich (op dat moment) op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer 1] bevond- met (zeer) (veel) kracht, met gebalde vuist, die [slachtoffer 1] op/tegen het strottenhoofd/de keel geslagen/gestompt, waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Parketnummer 05/900488-12

Primair

hij in of omstreeks de nacht van 26 januari 2012 op 27 januari 2012 te Oosterbeek, althans in de gemeente Renkum,, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (personen)auto (merk Saab, kleur blauw) weg te nemen geld en/of een of meer goed(eren) van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen en/of daarbij voormeld(e) goed(eren) onder verdachtes

bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, (met een steen) een ruit van voornoemde auto heeft ingeslagen/ingegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij in of omstreeks de nacht van 26 januari 2012 op 27 januari 2012 te Oosterbeek, in elk geval in de gemeente Renkum, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (merk Saab, kleur blauw), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (met een steen) heeft ingeslagen/ingegooid en aldus

dat goed heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt;

Parketnummer 05/701203-12

1.

hij op of omstreeks 16 februari 2012 te Arnhem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd :"Als ik problemen krijg, kom jij tussen zes (6) planken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 16 februari 2012 te Arnhem opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 3] (agent van politie) en/of [slachtoffer 4] (hoofdagent van politie), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten gedurende de overbrenging van een aangehouden verdachte naar het cellencomplex, in diens/dier

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Wat ben jij een vuile NSB-er", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Parketnummer 05/840760-13

1.

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Nijmegen, in het cellencomplex van het politiebureau aan de Stieltjesstraat aldaar, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 5], (met kracht) tegen diens kaak en/of gezicht heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 28 april 2013 te Nijmegen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een supermarkt heeft weggenomen een fles wijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan supermarkt [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Parketnummer 05/841560-13

hij op of omstreeks 01 juni 2013 te of nabij Lent in de gemeente Nijmegen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles wijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] (op of aan de [adres 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 24 januari 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. K.H.T. van Gijssel, advocaat te Amsterdam.

Namens de benadeelde partij in de zaak met parketnummer 05/720241-13, [slachtoffer 1], is ter terechtzitting verschenen mevr. mr. J. Ross, schadecoördinator Politie district Gelderland-Zuid.

De officier van justitie, mr. E.C.E. Marechal, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/720241-13 ten laste gelegde

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld: 1

Op 2 juni 2013, te Nijmegen, heeft de verdachte op zeer korte afstand een klap tegen het strottenhoofd van [slachtoffer 1] gegeven, die op dat moment dienstdoende was als hulpofficier bij de politie Gelderland-Zuid.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. De officier stelt hiertoe –kort gezegd- dat uit de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, naar algemene ervaringsregels volgt dat de kans op de dood aanmerkelijk is. Zij stelt voorts dat het een feit van algemene bekendheid is dat het strottenhoofd het meest kwetsbare gedeelte van het lichaam is en dat in het geval daar geweld op wordt toegepast, het gevolg niet zelden fataal blijkt te zijn. De officier is van mening dat een ieder, zo ook verdachte, redelijkerwijs geacht kan worden te weten dat dit gevaar bestaat. De vraag of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dit gevolg aanvaardde, beantwoordt de officier bevestigend. Zij merkt in dit verband op, dat de gedragingen van de verdachte (harde, snelle klap met de vuist, die gelet op de hoek waarin de verdachte sloeg, duidt op een gerichte klap) naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een eenvoudige mishandeling en dat zijn cliënt mitsdien vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij voert daartoe aan dat zijn cliënt weliswaar mikte in de richting van aangever, maar dat de klap voor het overige niet gericht was. Voorts betoogt de raadsman dat zijn cliënt door het uitdelen van de klap niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden of er zwaar lichamelijk letsel aan zou over houden.

De raadsman is bovendien van oordeel dat er in het geheel geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel of de dood. Zo is er volgens hem geen zwelling geconstateerd bij aangever en stelt hij onder andere, in reactie op aanvullende rapportage van het GGD Amsterdam d.d. 20 januari 2014, dat daaruit blijkt dat niet te zeggen is wat de kans op een fatale luchtwegafsluiting of zwaar lichamelijk letsel naar aanleiding van een stomp op het strottenhoofd is.

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de verdediging, acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 2 juni 2013 is de verdachte in Nijmegen aangehouden ter zake van belediging van ambtenaren in functie. Dientengevolge is hij naar het hoofdbureau van politie te Nijmegen gebracht. Aldaar werd hulpofficier [slachtoffer 1] door verbalisant [verbalisant 1] op de hoogte gebracht van de aanhouding en de gronden daartoe.

De gehanteerde bewijsmiddelen

Daarop werd de verdachte bij de intakebalie voor hulpofficier [slachtoffer 1] geleid. [slachtoffer 1] stond op ongeveer 1 meter afstand van de verdachte, toen hij de verdachte meedeelde op welke grond hij was aangehouden.3 [slachtoffer 1] deelde de verdachte vervolgens mee dat hij de aanhouding rechtmatig achtte en dat de verdachte zou worden opgehouden voor onderzoek.4 Hij hoorde de verdachte vervolgens zeggen: ‘Dat slaat nergens op’.5 [slachtoffer 1] vervolgt zijn relaas:

“Ik zag in een flits zijn rechter vuist van onderaf om mij afkomen. Ik was te beduusd om weg te duiken. Ik voelde dat [verdachte] met zijn rechtervuist met kracht op mijn strottenhoofd sloeg.6 Ik voelde zijn vuist met kracht op mijn strottenhoofd komen. Ik voelde een stekende pijn en greep met beide handen naar mijn strottenhoofd. Ik zocht steun bij de intakebalie, zodat ik niet om zou vallen. Ik zocht naar adem en voelde dat mijn strottenhoofd begon te zwellen. Ik kon moeilijk lucht krijgen. Na enkele minuten ging het beter en [ik] voelde een forse zwelling opkomen in mijn strottenhoofd. Het slikken ging nauwelijks nog.” 7

Verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 1], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] verklaren allen afzonderlijk dat zij gezien hebben dat verdachte hulpofficier [slachtoffer 1] uit het niets, met rechter gebalde vuist en met kracht een klap op zijn strottenhoofd gaf.8

De rechtbank leidt uit de hiervoor vermelde getuigenverklaringen af dat de verdachte [slachtoffer 1] gericht, van zeer korte afstand, met kracht en met gebalde vuist op het strottenhoofd heeft gestompt, nadat hem was meegedeeld dat hij opgehouden werd voor onderzoek. De verklaring van de verdachte, dat hij in het wilde weg rond sloeg omdat hij zich omsingeld en bedreigd voelde, is de rechtbank niet aannemelijk geworden. Het was een onverhoedse en gerichte aanval.

Ter zitting is door de raadsman onder meer aangevoerd dat er bij aangever geen uitwendig letsel, blauwe plekken, kneuzingen en geen zwelling zijn geconstateerd en dat er mede gelet daarop geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en/of de dood.

De rechtbank verwerpt dit verweer en wijst op een geneeskundige verklaring, opgesteld door behandelend arts drs. [arts 1], waarin melding wordt gemaakt van een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel, vastgesteld op 3 juni 2013. [arts 1] concludeert tevens dat de door verdachte gegeven klap een larynxoedeem (zwelling van het strottenhoofd, toev. rb), waardoor de luchtweg gedeeltelijk dan wel geheel geobstrueerd kan raken, als gevolg had kunnen hebben.9 In een aanvullende rapportage vermeldt [arts 1] dat er bij inwendig onderzoek kleine puntbloedinkjes op de stembanden zichtbaar waren. Door het stomp geweld en door de aanwezigheid van de puntbloedinkjes, was er sprake van een risico op zwelling ter plaatse van het strottenhoofd, met als mogelijk gevolg een obstructie van de luchtweg en bemoeilijkte ademhaling.10 Ook in rapportage van de GGD Amsterdam wordt uiteengezet wat de mogelijke gevolgen van de klap op het strottenhoofd hadden kunnen zijn. Het strottenhoofd ligt erg oppervlakkig en wordt nauwelijks beschermd door andere structuren. In het strottenhoofd bevindt zich het smalste deel van de luchtpijp en het weefsel in de luchtpijp bevat slijmvliezen en bindweefsel die snel kunnen zwellen. Het strottenhoofd, bestaande uit kraakbeen, kan een zwelling nauwelijks opvangen door zich te verwijden. Mitsdien leidt een zwelling van weefsel van de luchtweg al snel tot een vernauwing of zelfs tot afsluiting van de ademweg. Stomp geweld, zoals dat door de verdachte jegens [slachtoffer 1] is toegepast, kan vrij snel, maar ook enkele uren later leiden tot zwelling van de weefsels en daarmee tot een levensbedreigende situatie leiden. Voorts wordt uiteengezet, dat een breuk van het strottenhoofd ook een mogelijk gevolg van stomp geweld kan zijn en dat in een dergelijk geval de kans op ernstig tot fataal verloop groter is dan bij een zwelling.11

Op grond van het voorgaande overweegt de rechtbank dat kan worden vastgesteld dat gericht en krachtig stomp geweld – zoals een krachtige vuistslag - tegen het strottenhoofd een geschikt middel is om een ander persoon om het leven te brengen. Dat er naar aanleiding van de vuistslag niet een zwelling is opgetreden die heeft geleid tot dit gevolg, is als puur geluk te bestempelen en is niet aan de verdachte te danken. Ook overweegt de rechtbank dat de mogelijkheid van tijdig medisch ingrijpen in geval van een zwelling evenmin afdoet aan het gegeven dat het stomp geweld op het strottenhoofd als zodanig dodelijk kan zijn.

De rechtbank heeft mitsdien uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Gezien het gericht, onverhoeds en krachtig slaan, gaat de rechtbank niet uit van voorwaardelijk opzet maar acht zij het ‘vol’ opzet bewezen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/900488-12 ten laste gelegde

Primair

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting voorgevallen onvoldoende blijkt dat het oogmerk van de verdachte gericht was op wederrechtelijke toe-eigening van geld en/of goederen, die zich in de auto bevonden.

Subsidiair

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 januari 2014;

 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Gelderland-Midden, unit BPZ Renkum Wageningen, dossiernummer PL074J 2012034302 gesloten op 25 maart 2012, opgemaakt door [verbalisant 5], verbalisant, en de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, onder meer inhoudende:

- Proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] d.d. 27 januari 2012, p. 7 t/m 9;

- Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], d.d. 27 januari 2012, p. 18 en 19;

- Proces-verbaal van sporenonderzoek, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 8] d.d. 1 februari 2012, p. 24 en 25;

- Een aanvullend rapport naar aanleiding van een DNA-databank match, opgemaakt door ing. [naam 1] d.d. 17 februari 2012, p. 28 en 29 en de bijlage, opgemaakt d.d. 17 februari 2012, p. 26 en 27.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/701203-12 ten laste gelegde 12

1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De officier wijst in dit verband op de aangifte van [slachtoffer 2] en de ondersteunende verklaring van getuige [getuige 2].

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu er weliswaar wettig, maar geen overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is. De raadsman betoogt dat, gelet op de verklaring van zijn cliënt en het feit dat getuige [getuige 2] een vriend is van de aangever, de aangifte en de getuigenverklaring niet betrouwbaar zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Betwist wordt dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 16 februari 2012 deed [slachtoffer 2] aangifte van bedreiging. Hij heeft verklaard dat hij die middag samen met [getuige 2] in de bibliotheek was, daar de verdachte tegen kwam, die hem luidkeels begroette, en dat de verdachte geïrriteerd raakte toen aangever hem verzocht rustig te doen. Toen aangever de verdachte in de avond van 16 februari 2012 opnieuw tegenkwam in Arnhem, begon verdachte te schelden en heeft hij meermalen geroepen dat aangever tussen 6 planken zou komen als hij (verdachte) problemen zou krijgen. Aangever voelde zich hierdoor bedreigd.13 Getuige [getuige 2] heeft de verklaring van aangever tegenover de politie bevestigd. Hij verklaarde dat de verdachte luidruchtig was in de bibliotheek, dat [slachtoffer 2] hem heeft gezegd rustig aan te doen en dat de verdachte door deze opmerking geïrriteerd raakte. Voorts heeft [getuige 2] verklaard dat hij en [slachtoffer 2] diezelfde dag in de avond bij de nachtopvang in Arnhem waren en aldaar opnieuw de verdachte tegenkwamen. Volgens [getuige 2] bedreigde de verdachte [slachtoffer 2] de hele tijd, riep hij dat hij [slachtoffer 2] helemaal in elkaar zou slaan en riep hij tegen diezelfde [slachtoffer 2] dat hij zou zorgen dat hij ([slachtoffer 2]) tussen 6 planken zou komen.14

Naast de omstandigheid dat de ten laste gelegde woorden op zichzelf kunnen worden beschouwd als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, is in het onderhavige geval ook de context waarin deze woorden zijn gebezigd van belang. De woorden zijn gebezigd in een nachtopvang. Dat is een plek waar andere omgangsvormen gelden en waar niet zelden een gewelddadig milieu heerst. Aangever kent de verdachte ook uit dit milieu. De verdachte heeft een explosieve persoonlijkheid. Dit leidt tot escalerende conflicten als de onderhavige; een enkele opmerking van aangever, ’s middags in de bibliotheek, is voor de verdachte voldoende om aangever ’s avonds te bedreigen. Mede gelet op de agressieve houding van de verdachte, ’s avonds in de nachtopvang, die over de gewelddadige bedoelingen geen twijfel laat bestaan, is de rechtbank van oordeel dat door deze dreigende bewoordingen bij de aangever de gerede vrees kon ontstaan dat hij zijn leven zou kunnen verliezen.

2.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld: 15

Op 16 februari 2012 heeft de verdachte te Arnhem in aanwezigheid van verbalisanten in functie [slachtoffer 3], agent van politie en [slachtoffer 4], hoofdagent van politie woorden geuit, terwijl hij was aangehouden en overgebracht werd naar de cellengang.16

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De officier wijst in dit verband op het ambtsedig proces-verbaal van aanhouding van de verdachte, alsmede op het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting van 24 januari 2014 ontkent de ten laste gelegde bewoordingen te hebben geuit. Hij stelt daartoe dat hij verbalisant [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij zich gedroeg als een NSB-er, maar niet dat hij een vuile NSB-er was. Voorts betwist de verdachte de beledigende strekking van de door hem gestelde, gebezigde woorden.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, maar benadrukt dat verdachte de uitspraak nuanceert, met dien verstande dat hij gezegd heeft dat de verbalisanten zich gedroegen als NSB-ers.

De beoordeling door de rechtbank

Anders dan de verdachte heeft de rechtbank op grond van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In de lift naar de cellengang hoorden verbalisanten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] de verdachte duidelijk zeggen: ‘Doe de handboeien maar af, dan zullen we eens kijken wie er sterker is, anders zoek ik je wel op, dit is geen bedreiging maar een belofte.’ Verbalisant [slachtoffer 4] relateert dat hij de verdachte naar aanleiding van dit provocerende gedrag met zijn gezicht naar de liftdeur heeft gedraaid. Beide verbalisanten hoorden de verdachte zeggen: ‘Wat ben jij een vuile NSB-er’ en voelden zich daardoor beledigd en in hun eer en goede naam aangetast. Eenmaal in de cellengang aangekomen heeft de verdachte de verbalisanten voorts mondeling de woorden ‘Stelletje NSB-ers’ toegevoegd.17
Ter terechtzitting van 24 januari 2014 heeft de verdachte verklaard dat hij heeft gezegd dat verbalisant [slachtoffer 4] zich als een NSB-er gedroeg.
Gelet op het ambtsedig proces-verbaal van aanhouding acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde bewoordingen heeft geuit. De rechtbank gaat derhalve niet mee in het verweer van de verdachte, inhoudende dat hij gezegd zou hebben dat de verbalisant zich als een NSB-er gedroeg. Nu de verdachte, naast het uiten van de ten laste gelegde woorden, tevens de woorden ‘Stelletje NSB-ers’ heeft geuit, is de rechtbank van oordeel dat de uitlatingen jegens beide verbalisanten waren gericht. In het bijzonder gelet op de context waarin dit is gedaan, namelijk in agressieve toestand, jegens verbalisanten gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de woorden er op waren gericht de verbalisanten te beledigen en in hun eer en goede naam aan te tasten.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/840760-13 ten laste gelegde

1.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 januari 2014;

 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Gelderland-Zuid, District Stad Nijmegen, dossiernummer PL081N 2013039828, gesloten op 30 april 2013, opgemaakt door [verbalisant 9], verbalisant, en de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, onder meer inhoudende:

- Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], d.d. 29 april 2013, p. 4 en 5;

- Proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] d.d. 29 april 2013, p. 9 en 10.

2.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 januari 2014;

 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Gelderland-Zuid, District Stad Nijmegen, dossiernummer PL081N 2013039581, gesloten op 1 mei 2013, opgemaakt door [verbalisant 11], verbalisant, en de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, onder meer inhoudende:

- Proces-verbaal van aangifte van [naam 2], namens [benadeelde 2], d.d. 28 april 2013, p. 3 en 4;

- Aangifteformulier, inzake de aangifte van [naam 2], namens [benadeelde 2], blz. 5;

- Proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] d.d. 28 april 2013, p. 8 en 9.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/841560-13 ten laste gelegde

1.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld: 18

Op 1 juni 2013 is de verdachte aanwezig geweest in supermarkt [benadeelde 3], aan de [adres 2] te Lent, gemeente Nijmegen.19

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De officier wijst in dit verband op de aangifte, het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte en camerabeelden, waarop te zien is dat de verdachte de fles onder zijn jas steekt. Ten aanzien van de camerabeelden merkt de officier op dat aan het opvragen daarvan geen vordering ex 126nd van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag ligt en dat er mitsdien sprake is van een vormverzuim. Gelet op het feit dat de camera’s in een vrij toegankelijke winkel hingen en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte derhalve gering is, verzoekt de officier de rechtbank te volstaan met de enkele constatering van dit vormverzuim. De officier is voorts van oordeel dat het verweer van de verdachte, dat hij de fles wijn had gekocht aangezien hij een bonnetje had, geen stand houdt, nu de bon pas na de aanhouding en met het doel om de waarde van het gestolen goed vast te leggen, is aangemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte is van oordeel dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken, nu de in het dossier opgenomen aangifte onvolledig is en zijn cliënt het ten laste gelegde feit ontkent. De verdachte stelt dat hij de fles gekocht had, aangezien hij heeft beschikt over een kassabon.

De beoordeling door de rechtbank

Anders dan de verdediging, acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Door getuige [getuige 1], als beveiliger werkzaam bij supermarkt [benadeelde 3] aan de [adres 2] te Lent, is gezien dat op 1 juni 2013, in deze supermarkt, een man met zijn jas over zijn arm richting de drankafdeling loopt. Vervolgens ziet de getuige dat deze man een fles drank uit de schappen pakt en onder zijn jas stopt, waarna hij de kassa voorbij loopt zonder de fles af te rekenen. De getuige verklaarde voorts dat deze man de fles onder zijn jas vandaan haalde en af gaf, toen hij voorbij de kassa’s door de getuige op heterdaad werd aangehouden.20 De aangehouden man blijkt verdachte [verdachte] te zijn.21 De verdachte ontkent het aan hem ten laste gelegde feit. Hij stelt daartoe dat hij de fles heeft gekocht en een kassabon heeft gehad.

De rechtbank acht dit verweer ongeloofwaardig. Immers, verbalisant [verbalisant 9] heeft in het proces-verbaal van aanhouding door burger vermeld dat de kassabon is aangemaakt om 19:51 uur, dus na het tijdstip van aanhouding van de verdachte en het in kennis stellen van de politie.22 Verbalisant heeft voorts vermeld dat deze bon op verzoek van de beveiliger [getuige 2]ten behoeve van de politie is aangemaakt, teneinde de waarde van het gestolen goed vast te stellen en dat [getuige 2]tegen hem heeft verklaard dat hij de verdachte heeft gevraagd zijn zakken te legen en dat hij daarbij geen kassabon heeft aangetroffen.23 Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder parketnummer 05/720241-13 ten laste gelegde, het subsidiair onder parketnummer 05/900488-12 tenlastegelegde, het onder parketnummer 05/701203-12 ten laste gelegde, het onder parketnummer 05/840760-13 ten laste gelegde en het onder parketnummer 05/841560-13 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Parketnummer 05/720241-13

Primair

hij op 2 juni 2013, in de gemeente Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] (in zijn functie /als hulpofficier van de politie Gelderland-Zuid) van het leven te beroven, met dat opzet - terwijl hij, verdachte, zich (op dat moment) op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer 1] bevond - met (zeer) (veel) kracht, met gebalde vuist, die [slachtoffer 1] tegen het strottenhoofd heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Parketnummer 05/900488-12

Subsidiair

hij in de nacht van 26 januari 2012 op 27 januari 2012 te Oosterbeek opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (merk Saab, kleur blauw), toebehorende aan [benadeelde 1], (met een steen) heeft ingeslagen en aldus dat goed heeft vernield;

Parketnummer 05/701203-12

1.

hij op 16 februari 2012 te Arnhem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd :"Als ik problemen krijg, kom jij tussen zes (6) planken;

2.

hij op 16 februari 2012 te Arnhem opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [slachtoffer 3] (agent van politie) en [slachtoffer 4] (hoofdagent van politie), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten gedurende de overbrenging van een aangehouden verdachte naar het cellencomplex, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Wat ben jij een vuile NSB-er", althans woorden van gelijke beledigende aard en strekking;

Parketnummer 05/840760-13

1.

hij op 29 april 2013 te Nijmegen, in het cellencomplex van het politiebureau aan de Stieltjesstraat aldaar, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 5], (met kracht) tegen diens kaak heeft gestompt waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 28 april 2013 te Nijmegen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een supermarkt heeft weggenomen een fles wijn, toebehorende aan supermarkt [benadeelde 2];

Parketnummer 05/841560-13

1.

hij op 01 juni 2013 te Lent in de gemeente Nijmegen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles wijn, toebehorende aan [benadeelde 3] (op of aan de [adres 2]).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/720241-13, primair:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van parketnummer 05/900488-12, subsidiair:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen.

Ten aanzien van parketnummer 05/701203-12, onder 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van parketnummer 05/701203-12, onder 2:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 05/840760-13, onder 1:

Mishandeling.

Ten aanzien van parketnummer 05/840760-13, onder 2:

Diefstal.

Ten aanzien van parketnummer 05/841560-13:

Diefstal.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd dat de verdachte in de onderhavige zaken reeds voorlopig gehecht is geweest. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (verder: TBS) geëist.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van de ten laste gelegde feiten, relevante recidive en de persoon van de verdachte. Ten aanzien van de persoon van de verdachte wijst de officier op rapportage van het Pieter Baan Centrum, waaruit blijkt dat de verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en paranoïde trekken. Voorts merkt de officier op dat de verdachte heeft aangegeven hulp te willen voor zijn alcoholverslaving, maar dat een klinische opname of behandeling in het algemeen onmogelijk is gebleken, omdat de verdachte weigert daaraan mee te werken en hij een aantal keren behandelaars heeft bedreigd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat het opleggen van TBS met dwangverpleging disproportioneel is, nu niet kan worden voldaan aan de criteria daarvan. Hij merkt daarbij op dat het opleggen TBS tevens niet door deskundigen is geadviseerd. De raadsman verzoekt de rechtbank verdachte op grond van artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering in vrijheid te stellen. Voorts wijst hij op de mogelijkheid van een meldplicht bij de Reclassering ten behoeve van alcoholcontroles, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht de verdachte schuldig aan poging tot doodslag, vernieling, bedreiging, belediging van een ambtenaar in functie (meermalen gepleegd), mishandeling en twee diefstallen. De verdachte heeft zich blijkens het dossier veelal in ernstige mate agressief gedragen, ook jegens ambtenaren in functie. Verdachte toont met zijn handelen aan lak te hebben aan met name de fysieke integriteit van anderen. Daarbij valt met name op dat hij tot tweemaal toe vrijwel vanuit het niets een ander heeft aangevallen. Het zwaarste feit, de poging doodslag, was bovendien gericht tegen een politieambtenaar in functie die tegenover verdachte slechts een ambtelijke handeling moest verrichten. Verdachte heeft met zijn handelen veel schade toegebracht aan de slachtoffers. Het handelen van de verdachte wordt in de maatschappij als zeer verwerpelijk ervaren en de rechtbank rekent dit de verdachte dan ook zwaar aan.

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

  • -

    het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 17 december 2013; en

  • -

    Pro Justitia rapportage Pieter Baan Centrum, opgemaakt door [psycholoog 1], psycholoog en [psychiater 1], psychiater, d.d. 5 februari 2001, betreffende verdachte;

  • -

    Pro Justitia rapportage, opgemaakt door [coördinator], hofresortcoördinator en [psychiater 2], psychiater, d.d. 15 november 2001, betreffende verdachte;

  • -

    een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 21 juli 2009, betreffende verdachte;

  • -

    een reclasseringsadvies d.d. 26 mei 2010, betreffende verdachte;

  • -

    een beknopt reclasseringsadvies d.d. 17 mei 2013;

  • -

    een rapport van trajectconsult, opgemaakt door [psychiater 3], forensisch psychiater , d.d. 14 juni 2013;

  • -

    een tweede rapport van trajectconsult, opgemaakt door [psychiater 3], d.d. 14 juni 2013;

 een beknopt reclasseringsadvies d.d. 21 januari 2014, betreffende verdachte;

 een Pro Justitia rapportage Pieter Baan Centrum, opgemaakt door [psycholoog 2], psycholoog, en [psychiater 4], psychiater, gedateerd 9 januari 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Ter terechtzitting van 29 november 2013 heeft de verdachte aangegeven in gesprek te willen gaan met de reclassering, ten behoeve van een gedwongen opname in het kader van zijn alcoholverslaving. Uit het beknopt reclasseringsadvies d.d. 21 januari 2014 is echter gebleken dat de verdachte alle medewerking weigerde, toen de reclasseringsmedewerker hem uitlegde dat alvorens een behandelplan opgesteld kan worden, eerst een gesprek en onderzoek moeten plaatsvinden. Ter terechtzitting van 24 januari 2014 heeft de verdachte nogmaals verklaard behandeld te willen worden voor zijn alcoholverslaving, maar dat hij in dat kader enkel over zijn verslavingsproblematiek wil praten en dat hij voornemens is geen medewerking te verlenen aan overig relevant onderzoek.

De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan als volgt. Uit het recente rapport van het Pieter Baan Centrum komt naar voren dat de verdachte gedragingen vertoont, die duiden op antisociale en narcistische gedragskenmerken en dat er van een antisociaal gedragspatroon gesproken kan worden. Bij de verdachte is sprake van een zodanige persoonlijkheidspathologie, dat deze gekwalificeerd kan worden als een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Voorts is bij de verdachte een ziekelijke stoornis in de zin van verslavingsproblematiek (alcohol) vastgesteld. De verdachte heeft echter ook bij het Pieter Baan Centrum medewerking aan het onderzoek geweigerd. Dit heeft ten gevolge dat geen antwoord kan worden gegeven op de vraag of, in welke mate en in welke zin bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een beperkende invloed van deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens op zijn vrijheid van handelen. De rapporteurs van het Pieter Baan Centrum overwegen in hun conclusie dat er hypothetisch gezien sprake zou kunnen zijn van een doorwerking van pathologie in de bewezenverklaarde feiten, maar dat alsnog op grond van het onderzoek geen zicht is verkregen op de interne dynamiek van de verdachte. Daardoor is onduidelijk welke ingrediënten van die ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens een eventuele rol gespeeld zouden kunnen hebben in de bewezenverklaarde feiten. Met andere woorden is niet duidelijk geworden in hoeverre de verdachte tot zijn gedragingen is gekomen vanuit ‘onwil’ of ‘onvermogen’. De rapporteurs onthouden zich derhalve van advies tot behandeling of begeleiding.

De rechtbank is van oordeel dat de informatie die de conclusie van de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum levert, onvoldoende is om over te gaan tot een zware maatregel als TBS. Voor het opleggen van TBS zijn in de beschikbare rapportages onvoldoende gronden aanwezig.

De verdachte heeft meermalen de mogelijkheid gehad om mee te werken aan onderzoeken en het opstellen van rapporten in het kader van een gedwongen opname ten behoeve van zijn alcoholverslaving. De verdachte weigert echter mee te werken en zich te conformeren aan de regels van de betreffende instanties. Nu de verdachte, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting van 24 januari 2014, daartoe ook nu niet bereid is, ziet de rechtbank geen gronden om enige andere vorm van behandeling mogelijk te maken in het kader van de strafoplegging.

Verdachte heeft echter een explosieve persoonlijkheid, die maakt dat hij -soms zonder duidelijk aanwijsbare reden - veel agressie toont. Zijn justitiële documentatie geeft blijk van een groot aantal aan zijn explosieve persoonlijkheid te relateren feiten. Zonder behandeling acht de rechtbank de kans op herhaling van dergelijke feiten in ernstige mate aanwezig. De rechtbank acht dit uitermate onwenselijk. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder de ernst van de bewezenverklaarde poging doodslag op een politieagent, en met het oog op langdurige beveiliging van de samenleving tegen de verdachte, oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het in de zaak met parketnummer 05/720241-13 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1000,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot betaling van het bedrag van € 1000,- toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

Aan de benadeelde partij is door het in de zaak met parketnummer 05/720241-13 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet onredelijk voor en zal daarom worden toegewezen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 45, 57, 63, 266, 267, 287, 300, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 1], te betalen € 1000,-(duizend euro);

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen € 1000,- (duizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. D.R. Sonneveldt (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. M.G.J. Post, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 februari 2014 om 09.00 uur.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant H.M.J. Janssen van de regiopolitie Gelderland-Zuid, Flex Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2013052935, gesloten op 4 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 24 januari 2014; het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 1], p. 11-12.

3 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 1], p.11, zesde en zevende alinea.

4 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 1], p.11, achtste alinea.

5 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 1], p.11, laatste regel.

6 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 1], p.11, laatste regel en p. 12, regelnummers 1 en 2.

7 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 1], p.11, laatste regel en p. 12, regelnummers 2, 3, 5 en 6.

8 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2], p. 14, regelnummers 5 t/m 9 van de vijfde alinea en proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1], p. 16, regelnummers 2 t/m 5 van de vierde alinea en rapport voorval arrestant, opgemaakt door [verbalisant 3], p. 18, regelnummers 1 en 2 van de tweede alinea, rapport voorval arrestant, opgemaakt door [verbalisant 4], p. 19, regelnummers 1 t/m 3 van de een na laatste alinea.

9 Een geneeskundige verklaring, opgesteld door drs. [arts 1] d.d. 22 juli 2013.

10 Een rapportage van medische informatie, Gelderland-Zuid, opgesteld door forensisch arts drs. [arts 2] d.d. 4 november 2013.

11 Een rapportage van GGD Amsterdam, opgemaakt door [naam 3] en [naam 4] d.d. 20 januari 2014.

12 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 14] van de regiopolitie Gelderland-Midden, Unit West/BPZ, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL079A 2012019108, gesloten op 14 juli 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

13 Proces-verbaal van aangifte, p. 3, onderaan.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 21, onderaan.

15 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 14] van de regiopolitie Gelderland-Midden, Unit West/BPZ, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL079A 2012019108, gesloten op 14 juli 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

16 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 24 januari 2014 en proces-verbaal van aanhouding van verdachte, p. 5, eerste alinea onder ‘bevindingen’ en p. 6, tweede alinea.

17 Proces-verbaal van aanhouding van verdachte, p. 6, derde alinea.

18 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant Verbiesen van de regiopolitie Gelderland-Zuid, District Stad Nijmegen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2013051608, gesloten op 1 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 24 januari 2014.

20 Proces-verbaal verhoor getuige, genummerd PL081A 2013051608-2.

21 Proces-verbaal van aanhouding door burger, genummerd PL081A 2013051608-3, p. 1 van 2, midden van de pagina.

22 Proces-verbaal van aanhouding door burger, genummerd PL081A 2013051608, p. 2 van 2, tweede alinea.

23 Proces-verbaal van aanhouding door burger, genummerd PL081A 2013051608, p. 2 van 2, eerste alinea.