Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7482

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
05/840506-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 31-jarige man uit Zutphen veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 weken voor de mishandeling van zijn toenmalige vriendin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/840506-14

Uitspraak d.d.: 25 november 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. Soentjes, advocaat te ’s-Heerenberg.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 november 2014.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 juni 2014 te Zutphen aan een persoon genaamd [slachtoffer]

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken oogkas en/of

gebitsschade), heeft toegebracht, door deze opzettelijk één of meermalen

(krachtig) tegen/op het oog en/of het gezicht, althans tegen/op het hoofd van

die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 07 juni 2014 te Zutphen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

één of meermalen (krachtig) tegen/op het oog en/of het gezicht, althans

tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 07 juni 2014 te Zutphen opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]),

één of meermalen (krachtig) tegen/op het oog en/of het gezicht, althans

tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt,

tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken oogkas en/of

gebitsschade), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op 7 juni 2014 heeft mevrouw [slachtoffer] aangifte gedaan van mishandeling door verdachte.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen toegelicht en opgesomd.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Door de raadsman is vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Door de raadsman is aangevoerd dat het maar de vraag is of het letsel van mevrouw [slachtoffer] te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel.

Beoordeling door de rechtbank

Aangezien verdachte bij de politie2 en ter terechtzitting3 het feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, is volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Naast deze bekennende verklaring van verdachte is voor het bewijs voorhanden de aangifte van [slachtoffer]4.

De rechtbank is van oordeel dat het letsel, zoals dat omschreven is in de in het dossier aanwezige geneeskundige verklaring van 8 juni 2014 onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat sprake is geweest van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In essentie blijkt uit de geneeskundige verklaring van een gebroken oogkas. Niet gebleken is van complicaties en/of bijvoorbeeld een hersteloperatie. Weliswaar komt uit de aanvullende verklaring van aangeefster naar voren dat ook een stukje tand is afgebroken maar, los van het feit dat deze verklaring geen steun vindt in een ander bewijsmiddel, rechtvaardigt deze schade naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat alsnog en in zijn totaliteit gesproken moet worden van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank gaat uit van verdachtes eigen verklaring dat hij aangeefster tweemaal in het gezicht heeft gestompt. Zonder meer levert dat naar de uiterlijke verschijningsvorm niet een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op. Dat het geweld in de slaapkamer en in bed plaatsvond, maakt dat in dit geval nog niet anders.

De rechtbank komt op basis van het vorenstaande tot een bewezenverklaring van het meer

subsidiair aan verdachte tenlastegelegde feit, te weten dat:

hij op 07 juni 2014 te Zutphen, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], meermalen krachtig tegen/op het oog en gezicht heeft gestompt, ten gevolge waarvan deze enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: mishandeling;

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een psychologisch rapport, gedateerd 7 november 2014, opgemaakt door drs. [psycholoog], GZ-psycholoog.

De psycholoog heeft geconcludeerd dat uit het onderzoek naar voren is gekomen, dat bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake is geweest van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO, met overwegend schizo typische en enige borderline trekken. Voorts is er sprake van cannabismisbruik. Volgens de deskundige heeft deze stoornis de gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Verdachte heeft vanuit de borderline dynamiek een ideaalbeeld van een warm en hecht gezin met al zijn kinderen. Volgens verdachte verhindert zijn eerste ex hem dit ideaalbeeld te realiseren. Door het verbreken van het contact met zijn kinderen wordt zijn boosheid aangejaagd. In relatie met zijn derde ex (aangeefster) heeft verdachte nog hoop op hereniging en speelt de verlatingsangst voortkomende uit de borderline kant in gemiddelde mate een rol bij het tenlastegelegde. Op grond hiervan acht de deskundige verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar. Met deze conclusie kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken voorwaardelijk, met aftrek en een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact en ambulante behandeling bij [kliniek]. Tevens vordert de officier van justitie een werkstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de officier van justitie bij haar eis geen rekening heeft gehouden met het feit dat de psycholoog verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar acht. De raadsman is van mening dat dit de strafbaarheid zou moeten verminderen. Gezien het feit dat zijn cliënt geen first-offender is, bestaat er van de kant van de verdediging geen bezwaar tegen een voorwaardelijke straf als stok achter de deur.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte het gebruik van stevig geweld ten opzichte van zijn toenmalige vriendin (in het bijzijn van hun dochtertje) niet heeft geschuwd, dat alles in de beslotenheid van de slaapkamer. Door zijn gedragingen en de gevolgen daarvan (aangeefster geeft aan dat zij alles dubbel zag en wazig) heeft verdachte pijn en gevoelens van paniek en onveiligheid bij zijn ex-vriendin veroorzaakt.

Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte, volgens een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitiële Documentatie Systeem van 15 oktober 2014, eerder wegens huiselijk geweld is veroordeeld.

Volgens de gedragsdeskundige is de kans op recidive - op basis van het hoge stressniveau van verdachte - hoog. De deskundige adviseert daarom een ambulante behandeling bij de forensische polikliniek [kliniek], gericht op de afgeweerde agressie. Met de deskundige is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak het zwaartepunt dient te liggen bij een behandeling van verdachte om verder huiselijk geweld in de toekomst te voorkomen.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte nu ook gemotiveerd is voor behandeling. Eveneens houdt de rechtbank rekening met de conclusie dat sprake is van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank een werkstraf van na te melden duur op zijn plaats. Tevens acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. In de omstandigheid dat onder andere blijkens de justitiële documentatie eerder sprake is geweest van huiselijk geweld, ziet de rechtbank aanleiding om de proeftijd vast te stellen op drie jaren.

De bijzondere voorwaarden met de langere proeftijd dienen ertoe om de behandeling te waarborgen en om verdachte te helpen recidive te voorkomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

mishandeling;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende algemene dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

o medewerking verleent aan reclasseringstoezicht;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

o de geldende afspraken met zijn huidige toezichthouder bij de Reclassering Nederland, locatie Zutphen zal voortzetten. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

o zich laat behandelen voor zijn problematiek bij [kliniek], Forensische Psychiatrische Poli of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven;

 geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die werkstraf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis;

Aldus gewezen door:

mr. Van Apeldoorn, voorzitter,

mr. Cremers en mr. Schaap, rechters,

in tegenwoordigheid van De Badts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 november 2014.

Mr. Cremers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0644-2014077031, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, Team Aalten, gesloten en ondertekend op 9 juni 2014.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte, PL0631-2014077031-8, p. 42.

3 Proces-verbaal ter terechtzitting van 11 november 2014.

4 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer], proces-verbaal nr. PL0632-2014077031-1, p. 2