Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7451

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
C-06-122370 - HA ZA 11-521
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Uitgangspunten voor rekenkunidg rapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/06/122370 / HA ZA 11-521

Vonnis van 3 december 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. L.H. Poortman-de Boer te Drachten,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. H. Grootjans te Doetinchem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2013

  • -

    het deskundigenbericht ter griffie ingekomen op 1 juli 2014

  • -

    de beschikking van 3 juli 2014

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 27 november 2013 is J.A.M. Pigge, gecertificeerd registerarbeidsdeskundige, als deskundige (hierna: de deskundige) benoemd en zijn de te beantwoorden vragen geformuleerd. De deskundige heeft op 30 juni 2014 een definitief arbeidsdeskundig rapport uitgebracht. Hierin zijn onder meer de volgende passages opgenomen.

5 SAMENVATTING EN CONCLUSIE

Betrokkene is een thans, per 14 mei 2014, 26-jarige man, die na te zijn misbruikt in zijn jeugd klachten heeft ontwikkeld waardoor hij thans nog slechts beperkt belastbaar is, zoals aangegeven door expertisearts psychiater Takkenkamp. Normaliter zou betrokkene na zijn middelbare school periode een universitaire studie hebben gevolgd, zo acht ik aannemelijk. Nu echter heeft hij de keuze moeten maken om een hboopleiding te volgen. Deze heeft hij succesvol afgerond en thans is hij werkzaam in een functie op hbo-niveau. Hij voert deze weliswaar thans fulltime uit, doch dat lijkt een te zware belasting. Zo blijkt ook uit de verwachting van de expertisearts.

De rechtbank vraagt mij een scenario te onderzoeken waarbij betrokkene 80% respectievelijk 60% werkzaam kan zijn. Voorts wordt gevraagd om een scenario te beschrijven van een mogelijke carrière na een afgeronde universitaire studie. Ik heb getracht de vraagstelling zo volledig mogelijk te beantwoorden, waarbij ik me voor wat betreft de carrièremogelijkheden heb beperkt tot een gemiddelde carrière en uitersten zowel naar boven als naar beneden heb vermeden.

6 BEANTWOORDING VRAAGSTELLING

I Uitgaande van de situatie dat het seksueel misbruik met al zijn gevolgen voor het psychiatrisch functioneren van [eiser] niet zou hebben plaatsgevonden.

a. (…)

Antwoord

Gevraagd naar de meest waarschijnlijke universitaire opleiding welke [eiser] zou hebben gekozen, zou een opleiding Scheikunde of chemische technologie in aanmerking zijn gekomen. Betrokkene geeft aan dat hij altijd al geïnteresseerd is geweest in de scheikunde. Ook op de middelbare school had het zijn belangstelling. Zijn profiel heeft hij er ook voor gekozen en zijn afstudeerwerkstuk had betrekking op de vakken scheikunde 1, 2. Ook nu hij voor een hbo-opleiding [heeft] gekozen is in die opleiding ook het scheikundig element aanwezig.

b. Wat zou het carrièreverloop van [eiser] zijn geweest indien hij bedoelde universitaire opleiding zou hebben afgerond? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag ook de te verwachten arbeidsduur per week bepalen en de periode(en) waarover betrokkene in dat geval vermoedelijk op de arbeidsmarkt werkzaam zou zijn geweest?

Antwoord

Voor wat betreft het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de paragraven 4.2 tot en met 4.4 van dit rapport.”

In deze paragraven heeft de deskundige onder meer besproken dat betrokkene gelet op het profiel Natuur en Gezondheid en zijn belangstelling voor scheikunde zou hebben gekozen voor een studie chemie. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS StatLine) is de gemiddelde studieduur voor het behalen van een master (studierichtingen totaal) voor mannen 78 maanden, zodat betrokkene omstreeks februari 2013 de studie chemie zou hebben afgerond. Gemiddeld is de tijd voor het vinden van een baan 3,37 maanden. Betrokkene zou een baan hebben gezocht als forensisch medewerker. De aanvangsschaal hiervan is 7 en de eindschaal is 11 als operationeel specialist C. De schalen en de daarbij behorende loonschalen zijn ontleend aan het thans geldende overzicht van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

“c. Tot welke leeftijd wordt het beroep/de functie die [eiser] zou hebben uitgeoefend, doorgaans uitgeoefend?

Antwoord

Uit onderzoekgegevens blijkt dat 'de man' tegenwoordig gemiddeld 36,8 uur per week werkzaam is. Bij de overheid is 36 uur per week een fulltime dienstverband. Ik heb geen argumenten om aan te nemen dat betrokkene minder zou zijn gaan werken. Voorts is het aannemelijk dat betrokkene net als ieder ander tot zijn 67e jaar zal moeten werken voor hij de pensioneringsleeftijd heeft bereikt. Mogelijk kan deze leeftijd nog oplopen. Dit is echter afhankelijk van toekomstige besluitvorming.

d. Kunt u bepalen wat - uitgaande van uw antwoord op vraag a, b en c - het reële verdienvermogen, zowel bruto als netto, van de door [eiser] te verrichten arbeid zou zijn geweest?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar paragraaf 4.4 van dit rapport.”

In paragraaf 4.4 is een tabel opgenomen met de inkomensontwikkelingen na een universitaire opleiding met in 2013 een beginsalaris in schaal 7 van € 2.616 bruto per maand, na zes jaar als specialist B een salaris in schaal 10 van € 3.019 bruto per maand en na 15 jaar als specialist C een salaris in schaal 11 van € 4.092,00 bruto per maand, met na 20 jaar voor de periode van 2034-2055 een salaris van € 4.507,00 bruto per maand. Over de periode van 2013 tot 2055 bedragen de bruto jaarinkomens € 36.519,00 tot € 62.918,00 bij fulltime dienstverband.

“II Uitgaande van de situatie van een afgeronde HBO-studie Forensic Sciences met de gegeven mentale beperkingen van [eiser].

e. Kunt u bepalen hoe het carrièreverloop van [eiser] naar alle waarschijnlijkheid zal verlopen? Wat zal in dit geval het meest waarschijnlijke reële verdienvermogen zijn, zowel bruto als netto, van de door [eiser] vervulde en te vervullen functie? Wilt u het verdienvermogen bepalen in het geval dat [eiser] in staat is om drie dagen per week te werken alsmede in het geval dat [eiser] in staat is om 4 dagen per week te werken?

Antwoord

Rekeninghoudend met de opleiding zoals betrokkene deze succesvol heeft afgerond en rekening houdend met de beperkte belastbaarheid van betrokkene lijkt me een functie op het huidige niveau en met een lagere omvang het meest waarschijnlijke. Een functie op een hoger niveau zal een groter appel doen op zijn belastbaarheid. Rekening houdende met het hetgeen de psychiater aangeeft verwacht ik geen ontwikkelingen in de zin van een zwaardere functie. In paragraaf 4.4 heb ik de inkomensontwikkeling geschetst voor wat betreft het werken gedurende 3 en 4 dagen per week.”

Uit de tabel van paragraaf 4.5 blijkt dat bij een dienstverband van 4 dagen per week in 2012 het bruto jaarinkomen € 27.596,00 bedraagt, oplopend tot € 37.378,00, terwijl bij een dienstverband van 3 dagen per week het bruto jaarinkomen € 20.697,00 bedraagt, oplopend tot € 28.034,00.

“f. Tot welke leeftijd wordt het beroep/de functie die in de gegeven omstandigheden naar alle waarschijnlijkheid door [eiser] zal worden uitgeoefend, doorgaans uitgeoefend?

Geven de beperkingen van [eiser] u aanleiding om te veronderstellen dat hij het verrichten van loonvormende arbeid eerder zal beëindigen dan het geval zou zijn geweest indien [eiser] geen beperkingen zou hebben gehad? Indien u deze vraag bevestigend beantwoordt, op welke leeftijd zou [eiser] dan met werken zijn gestopt?

Antwoord

In de basis is het antwoord op deze vraag niet anders dan het antwoord gegeven onder vraag 1c van dit rapport. De aangegeven belastbaarheid in aanmerking nemende is het mijns inziens aannemelijk dat betrokkene het verrichten van loonvormende arbeid eerder zal beëindigen dan in de situatie waarin hij niet beperkt zou zijn bij een full time arbeidsomvang. De psychiater geeft in zijn rapport al aan dat na 3 maanden fulltime werken betrokkene ervaart dat langdurig fulltime werken hem waarschijnlijk niet zal lukken. Hij geeft voorts aan dat hij verwacht dat betrokkene fulltime werken niet langdurig zal volhouden. Nochtans houdt hij het nu reeds 2 jaar vol. Naar ik begrepen heb, gaat het wel steeds moeilijker en heeft hij geen energie meer over om thuis nog activiteiten te ondernemen. Kortom: de balans tussen werk en privé is zoek. Dat betrokkene het thans nog volhoudt heeft alles te maken met het feit dat hij zijn baan niet wil verliezen. Echter, kijkend naar hetgeen de psychiater verklaart, zou betrokkene er goed aan doen om op korte termijn te bezien of hij in de huidige functie naar een lagere arbeidsomvang kan uitzien.

g. Zijn er nog andere punten die volgens u van belang kunnen zijn voor de verdere beoordeling van deze zaak?

Antwoord

Ik heb voor het overige geen opmerkingen die van toegevoegde waarde zouden kunnen zijn.”

2.2.

[eiser] kan zich vinden in de bevindingen van de deskundige. Hij voert aan dat in het licht van de vervaardigde rapportages en de in het geding gebrachte stukken hij slechts in staat is drie dagen per week te werken. Met dit uitgangspunt dient thans een actuarieel bureau een schadeberekening op te stellen en op pragmatische gronden lijkt IVBL (Instituut voor Berekening Letselschade) hiervoor het meest aangewezen, aldus [eiser].

2.3.

[gedaagde] heeft als belangrijk bezwaar aangevoerd dat de deskundige het rapport van B.T. Takkenkamp, psychiater, ten grondslag heeft gelegd aan de conclusies in het arbeidsdeskundig rapport. [gedaagde] is het hiermee niet eens, omdat het rapport van Takkenkamp in zijn ogen onvolledig is.

Voorts heeft [eiser] zelf een bewuste keuze gemaakt voor een hbo-opleiding en vervolgens voor het werk bij de politie, zodat volgens [gedaagde] geen causaal verband bestaat tussen het misbruik en het niet volgen van een wetenschappelijke opleiding. Een wetenschappelijke opleiding had ruim binnen de capaciteiten van [eiser] gelegen, maar de deskundige heeft het feit dat het volgen van een hbo-opleiding een uitdrukkelijke keuze van [eiser] is geweest niet meegewogen in zijn oordeel.

2.4.

De door [gedaagde] herhaalde bezwaren tegen het rapport van Takkenkamp stuiten af op het feit dat in het tussenvonnis van 11 september 2013 de rechtbank bij wijze van bindende eindbeslissing het oordeel van de deskundige (Takkenkamp) heeft overgenomen dat de angst van [eiser] om te falen en psychiatrisch te decompenseren gegeven zijn beperkingen reëel is, alsmede dat met name die faalangst de keuze voor een hbo-opleiding heeft bepaald. Gelet op dit oordeel van de rechtbank heeft de deskundige dit terecht aan het arbeidsdeskundig rapport ten grondslag gelegd.

2.5.

[gedaagde] merkt op dat de deskundige bij de vraag naar mogelijke functies een eenzijdig beeld geeft vanuit de door [eiser] verstrekte informatie zonder te onderzoeken welke doorgroeimogelijkheden binnen de politie voorhanden zijn op basis van de hypothetisch en daadwerkelijk gevolgde opleiding gecombineerd met mogelijke ervaring van [eiser]. Andere functies als chemicus en de belastbaarheid van een dergelijke functie heeft de deskundige evenmin in zijn onderzoek betrokken, aldus [gedaagde].

2.6.

Deze bezwaren worden gepasseerd. Dat de deskundige aansluit bij de daadwerkelijk gemaakte beroepskeuze van [eiser] om een uitspraak te kunnen doen over de hypothetische keuze indien [eiser] een wetenschappelijke opleiding had gevolgd, is niet meer dan logisch. Bovendien is het ook de meest wenselijke benadering. Dat met een studie chemie allerlei banen kunnen worden verkregen, zoals [gedaagde] aanvoert, is in dit verband niet relevant. Zou het standpunt van [gedaagde] in dezen worden gevolgd, dan is te verwachten dat [gedaagde] de slechtst betaalde functie als chemicus zou presenteren en [eiser] de best betaalde functie als chemicus zou verdedigen. Zonder verdere aanknopingspunten houdt dit uitgangspunt het risico in van volstrekt willekeurige beslissingen.

Met de verwijzing naar het rapport van de commissie Winsemius van september 2013 heeft de deskundige voldoende onderbouwd dat binnen de politie zich meer mogelijkheden gaan voordoen op universitair niveau (p.8), zodat aannemelijk is dat de beoogde functie ook daadwerkelijk beschikbaar zou zijn voor [eiser].

2.7.

Wat betreft de situatie van een afgeronde HBO-studie Forensic Sciences met de gegeven mentale beperkingen van [eiser] heeft de deskundige nog de volgende passages in het rapport opgenomen (p. 10 en 11):

“Voor wat betreft de huidige werkzaamheden van betrokkene heb ik geen contact gehad met zijn werkgever. Betrokkene heeft aangegeven dat zijn verleden niet bekend is bij de werkgever en hij wil niet dat deze bij de werkgever bekend wordt. Hij schat in dat hem dat in de toekomst mogelijk in moeilijkheden kan brengen.

Uitgaande van de mentale beperkingen van betrokkene, zoals weergegeven door psychiater Takkenkamp in zijn bevindingen, is het twijfelachtig of betrokkene op langere termijn zich zal kunnen handhaven op zijn niveau op de arbeidsmarkt. Ik acht mij als arbeidsdeskundige niet in staat om hierover een uitspraak te doen, dat lijkt me voorbehouden aan de arts.

Betrokkene is er in geslaagd op basis van zijn opleiding, kennis, presentatie en overige competenties om uit een aantal sollicitanten van circa 40 stuks te worden gekozen voor de fulltime functie van forensisch laborant bij de Politie (…).

Hij ervaart de fulltime baan als te stressvol en feitelijk te zwaar. De stress en druk van het werk drukken zijn energie, waardoor betrokkene ook minder plezier ervaart bij de activiteiten thuis en/of hobby’s. Momenteel werkt hij de ene week 4 dagen en de andere week 5 dagen. Naast de werktijd neemt ook het woon-werkverkeer 2 keer 1 uur per dag in beslag.

Betrokkene geeft aan dat hij thans nog niet kan/durft te beginnen over vermindering van werkuren. Als hij wat meer ervaren is en zich in zijn werk een 'plek heeft veroverd' zou hij dat wellicht op termijn willen proberen. De tijd is er thans nog niet geschikt voor, zo begrijp ik van hem.

Verder ga ik uit van de in de praktijk aangetroffen situatie. Betrokkene wordt in zijn huidige functie gehonoreerd in schaal 8 en is daar bij de start ingedeeld inclusief 3 periodieke verhogingen, hetgeen ik derhalve als uitgangspunt neem bij mijn verdere afronding.

Op basis van de door psychiater aangegeven beperkte belastbaarheid lijkt het mij niet aannemelijk/ te verwachten dat betrokkene een zwaardere functie zal aankunnen, derhalve verdere carrièremogelijkheden heeft. Vooralsnog verwacht ik dat de huidige functie als eindfunctie moet worden gezien.”

2.8.

Thans ligt de vraag voor of [eiser] in staat kan worden geacht tot een werkweek van drie dagen of vier dagen. [eiser] zelf stelt dat dit drie dagen is, terwijl [gedaagde] aanvoert dat hij fulltime moet kunnen werken. De rechtbank overweegt het volgende.

Voor het standpunt van [gedaagde] dat [eiser] fulltime zou kunnen werken in de huidige functie is geen enkele aanwijzing. Zoals de deskundige in zijn rapport vermeldt, werkt hij ook thans niet geheel fulltime. Voor het door [eiser] gehanteerde uitgangspunt dat hij hooguit drie dagen per week kan werken, bestaan evenmin aanwijzingen, anders dan dat uit het eerste rapport van Takkenkamp blijkt dat [eiser] aan de deskundige heeft verklaard dat zijn therapeute en hij de inschatting hebben dat hij drie tot vier dagen per week kan werken. Op het moment dat Takkenkamp zijn rapport opstelde, was [eiser] gedurende drie maanden werkzaam bij de politie. Inmiddels is hij twee jaar werkzaam en heeft hij gedurende deze periode vier à vijf dagen per week gewerkt, zij het dat dit volgens [eiser] te stressvol is. Daarom neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [eiser] gedurende 4 dagen per week loonvormende arbeid kan verrichten. Een dag minder werken houdt in dat [eiser] drie dagen heeft om te herstellen. Daarbij komt dat Takkenkamp heeft geoordeeld dat [eiser] met medicatie waarschijnlijk minder vaak last zal hebben van angst-, paniek- en depressieve klachten, zodat de belastbaarheid van [eiser] groter is dan zonder de medicatie het geval zou zijn. Hierbij is tevens meegewogen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de huidige functie tevens als eindfunctie kan worden aangemerkt, zodat stresserende factoren van een zwaardere functie ontbreken.

2.9.

Op de vraag of [eiser] gegeven zijn beperkingen eerder met werken zal stoppen, heeft de deskundige geen antwoord gegeven. De rechtbank bepaalt deze leeftijd ex aequo et bono op 65 jaar. [eiser] is werkzaam bij de politie vanaf april 2012.

2.10.

Voor de hypothetische situatie, na het volgen van een studie chemie, geldt het volgende. De deskundige is voor de verwachte studieduur uitgegaan van de gemiddelde studieduur voor alle studies van 78 maanden. Aangezien uit CBS StatLine blijkt dat een master in een technische studierichting steeds boven de 80 maanden uitkomt, is het niet reëel om van het gemiddelde van 78 maanden uit te gaan. De rechtbank bepaalt de studieduur op 82 maanden. Dit brengt mee dat [eiser] in de hypothetische situatie de studie chemie zou hebben afgerond omstreeks juni/juli 2013. Aannemelijk is dat [eiser] dan per 1 oktober 2013 werkzaam zou zijn geweest bij de politie. In de hypothetische situatie komt [eiser] dus 1,5 jaar later op de arbeidsmarkt. Met de deskundige oordeelt de rechtbank dat de werkzame periode zal eindigen bij het bereiken van de leeftijd van 67 jaar.

2.11.

Wat betreft de salarisontwikkelingen over de jaren heen verwijst de rechtbank naar het rapport van de deskundige. Het rapport is op dit punt consistent en begrijpelijk, zodat deze gegevens als uitgangspunt kunnen worden gebruikt. Wat betreft de pensioenschade heeft [gedaagde] geen bezwaren kenbaar gemaakt tegen de gevolgde systematiek van het bij dagvaarding overgelegde rapport van het IVBL. Op basis van de hiervoor besproken uitgangspunten zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld om bij akte een aangepaste berekening in het geding te brengen. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat [eiser] bij de opdracht aan het IVBL [gedaagde] op de hoogte zal houden en zo nodig in het overleg zal betrekken. De met het opstellen van het rekenkundig rapport samenhangende kosten dienen ten laste van [gedaagde] te komen. Omdat het opstellen van een berekening personenschade enige tijd in beslag neemt, zal de zaak naar de parkeerrol worden verwezen. Na totstandkoming van het rekenkundig rapport zal [eiser] bij akte dit rapport met zijn commentaar in het geding kunnen brengen, waarna [gedaagde] bij antwoordakte kan reageren. Teneinde [gedaagde] in staat te stellen inhoudelijk op dit rapport en het commentaar van [eiser] te reageren zal deze termijn op zes weken worden gesteld.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van 1 april 2015 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 2.11, waarna de wederpartij op de rol van zes weken daarna een antwoordakte kan nemen,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.1

1 St/Th