Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7425

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Langdurigheidstoeslag na wetswijziging niet meer met terugwerkende kracht mogelijk. Artikel 44 Wwb. Geen schending artikel 1 van het EP bij het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/3134

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.E.L.Th. Balkema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) voor het jaar 2014 toegewezen en voor de jaren 2006 tot en met 2013 afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A. Joosten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Over de periode van 17 mei 2006 tot en met 26 augustus 2013 ontving eiser met zijn toenmalige partner bijstand naar de norm voor gehuwden. Vanaf 27 augustus 2013 ontvangt eiser bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Op 7 januari 2014 heeft eiser langdurigheidstoeslag aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft eiser vermeld dat zijn aanvraag geldt voor alle jaren dat hij bijstand heeft ontvangen. Eiser heeft nooit eerder – tezamen met zijn toenmalige partner dan wel alleen – langdurigheidstoeslag aangevraagd.

2. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat het, vanwege een wetswijziging per 1 juli 2013, niet mogelijk is om aan eiser langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht toe te kennen.

3. In artikel 36, vijfde lid, van de Wwb zoals dit artikel luidde voor de wetswijziging van 1 juli 2013, is bepaald dat voor langdurigheidstoeslag, onder meer, artikel 44 niet van toepassing is.

Artikel 44, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Bij wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) is het in artikel 36 van de Wwb (oud) opgenomen artikel 44 geschrapt. Uit de memorie van toelichting bij deze wetswijziging (Kamerstukken II, 2012-2013, 33 556, nr. 3, p.19.) volgt dat de voorgestelde wijziging erin voorziet dat artikel 44 van de Wwb als hoofdregel, net als voor de overige vormen van categoriale bijstand, ook gaat gelden voor de verlening van de langdurigheidstoeslag. Met de voorgestelde wijzigingen van artikel van de 36 Wwb wordt bovendien het onbedoelde effect voorkomen dat de ingangsdatum van de toe te kennen langdurigheidstoeslag in beginsel een onbepaalde terugwerkende kracht heeft, hetgeen voor de gemeenten tot uitvoeringsproblemen leidt.

Uit het besluit van 24 juni 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW (Stb. 2013, nr. 261) volgt dat de wijziging van artikel 36 van de Wwb in werking treedt met ingang van 1 juli 2013, zonder overgangsrecht.

4.1

Eiser heeft aangevoerd dat artikel 44 van de Wwb is gekoppeld aan de melding bij het UWV Werkbedrijf, maar dat voor de langdurigheidstoeslag geen melding vereist is.

4.2.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) inzake de toepassing van artikel 44 van de Wwb wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het UWVWerkbedrijf heeft plaatsgevonden (verwezen wordt naar de uitspraak van de CRvB van 11 oktober 2011, ECLI:CRVB:2011:BU1591). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3

De rechtbank overweegt dat uit de bij 4.2 genoemde rechtspraak volgt dat voor de langdurigheidstoeslag de datum van aanvraag bepalend is, aangezien op grond van artikel 41, tweede lid, van de Wwb zo’n aanvraag niet door een melding bij het UWVWerkbedrijf wordt voorafgegaan. Een terugwerkende kracht tot aan de datum van melding bij het UWVWerkbedrijf is derhalve niet aan de orde. Voor een verdere terugwerkende kracht omdat de melding niet aan de orde is, zoals eiser bepleit, bieden artikel 44 van de Wwb en de vaste rechtspraak van de CRvB geen aanknopingspunten, behoudens de bij 4.2 genoemde bijzondere omstandigheden.

5.1

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser ook over de jaren 2006 tot en met 2013 voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking dient te komen. Eiser stelt dat het de werkwijze van verweerder was om aan bijstandsontvangers automatisch een formulier voor langdurigheidstoeslag toe te sturen. Eiser heeft in de jaren 2006 tot en met 2013 nooit een aanvraagformulier langdurigheidstoeslag van verweerder ontvangen. Daarnaast heeft er geen ambtshalve toekenning van de langdurigheidstoeslag ten behoeve van eiser plaatsgevonden, ondanks dat verweerder jaarlijks wel ambtshalve de toekenning van langdurigheidstoeslag continueert.

5.2

De rechtbank overweegt dat het mogelijk toesturen van aanvraagformulieren voor langdurigheidstoeslag moet worden aangemerkt als een service van verweerder. Het ligt echter op de weg van eiser om een aanvraag langdurigheidstoeslag te doen. Dat hem geen aanvraagformulier hiervoor is toegestuurd maakt dit niet anders. Bovendien heeft het ontbreken van deze service – wat daar ook van zij – eiser niet verhinderd om langdurigheidstoeslag aan te vragen.

5.3

Ter zitting is gebleken dat verweerder buitenwettelijk begunstigend beleid heeft omtrent de langdurigheidstoeslag. Uit dit beleid volgt niet dat de langdurigheidstoeslag ambtshave wordt toegekend; hiervoor is een aanvraag vereist. Volgens het beleid is er echter wel sprake van ambtshalve toekenning voor daaropvolgende jaren, mits er eenmalig een aanvraag om langdurigheidstoeslag is ingediend. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat verweerder dit buitenwettelijk begunstigend beleid niet consistent zou hebben toegepast. Eiser komt echter niet in aanmerking voor toepassing van de ambtshalve toekenning, omdat eiser vanaf 2006 tot en met 2013 niet de vereiste (eenmalige) aanvraag heeft ingediend.

5.4

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de toekenning van langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

6.1

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Ter zitting is toegelicht dat eiser er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij recht heeft op langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat er ten tijde van de aanvraag, 7 januari 2014, geen sprake kon zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de langdurigheidstoeslag over de gevraagde voorgaande jaren zou worden toegekend. Artikel 36 van de Wwb was op dat moment immers al gewijzigd en voorzag niet meer in de mogelijkheid om de langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht toe te kennen. Van strijd met artikel 1 van het EP bij het EVRM is de rechtbank niet gebleken.

7. In de overige door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor een andere oordeel.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. E.M. Vermeulen en mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Wolsink-van Veldhuizen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.