Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7383

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2007
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Onroerend goed Turkije. Anonieme tip. Bijstand wel vast te stellen, maar geen recht vanwege vermogen boven de vermogensgrens. 6:22 Awb. Geen dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/2007

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Demirtas),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen te Wijchen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres en […] [partner]over de periode van 15 mei 2001 tot en met 31 januari 2013 (hierna: de periode in geding) ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) ingetrokken en de over deze periode teveel aan eiseres en [partner]betaalde kosten van bijstand ten bedrage van € 209.070,36 van hen teruggevorderd.

Bij besluit van 4 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voorts is verschenen R. Baysal-Demiz, tolk in de Turkse taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Puijn.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst, omdat eiseres het rapport van het Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) van 16 mei 2013 niet had ontvangen en de zaak om die reden niet inhoudelijk kon worden behandeld. Ter zitting heeft de rechtbank een afschrift van het rapport aan eiseres verstrekt. Voorts is verweerder verzocht om een nadere toelichting te verstrekken (zie schorsingsbeslissing verzonden op 26 september 2014).

Bij brief van 29 september 2014 heeft verweerder de gevraagde nadere toelichting verstrekt.

Het beroep is voor de tweede keer behandeld op de zitting van 10 oktober 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Puijn.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres en [partner]ontvingen sinds 15 mei 2001 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wwb.

1.2

Naar aanleiding van een anonieme tip, ontvangen in april 2012, inhoudende dat [partner]bezittingen, appartementen in Turkije, zou bezitten, dat [partner]in Turkije als inwoner is geregistreerd en aldaar een uitkering geniet en dat eiseres vaak en langdurig naar Turkije op vakantie gaat, heeft verweerder het IBO verzocht om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan eiseres en [partner]verstrekte bijstand. In dit kader heeft het IBO de basisregistratie persoonsgegevens, het suwinet, het bijstandsdossier en de door eiseres en [partner]ingestuurde controleformulieren onderzocht. Voorts is het Internationaal Bureau Fraude informatie sociale verzekering (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen naar het vermogen van [partner]in Turkije. In verband daarmee heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Ankara een onderzoek verricht. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in de rapportage van 15 augustus 2012 en vervolgrapportages van 20 december 2012 en van 14 februari 2013. Tot slot zijn eiseres en [partner]met bijstand van een tolk verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van het IBO van 16 mei 2013.

2. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door verweerder niet mede te delen dat [partner]in de periode in geding onroerend goed bezat in Turkije, dat transacties hebben plaatsgevonden ter zake het onroerend goed, dat [partner]in Turkije een uitkering geniet en dat [partner]als inwoner geregistreerd is in Turkije. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen, zodat is overgegaan tot het intrekken van het recht op bijstand over de periode in geding en is besloten tot het terugvorderen van de in de periode in geding betaalde kosten van bijstand ten bedrage van € 209.070,36.

3.1

Eiseres heeft in beroep betoogd dat er voor verweerder onvoldoende aanleiding bestond om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan haar en [partner]verleende bijstand. Voorts ontbreekt de vraagstelling aan het IBF in het dossier, zodat geconcludeerd moet worden dat het onderzoek onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Tot slot zijn de resultaten gebaseerd op vraagstellingen aan derden en niet met behulp van openbare bronnen, zodat het onderzoek onzorgvuldig is verricht. Eiseres concludeert dat de onderzoeksbevindingen onrechtmatig zijn en niet ten grondslag gelegd mogen worden aan het bestreden besluit.

3.2

Dit betoog faalt. Uit het IBO-rapport van 16 mei 2013 volgt dat de in april 2012 ontvangen anonieme tip aanleiding was voor het onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank was de anonieme tip voldoende concreet en gedetailleerd. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan voldoende gegronde reden kunnen aannemen om het IBO te verzoeken een onderzoek te verrichten. Anders dan eiseres van mening is, kan aan de omstandigheid dat de vraagstelling aan het IBF niet in het dossier zit niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het onderzoek onzorgvuldig is en de resultaten daarvan niet ten grondslag gelegd mogen worden aan het bestreden besluit. De stelling dat de bevindingen uit het onderzoek van het IBF louter op vraagstelling aan derden is gebaseerd is gezien de inhoud van de rapportages van het IBF feitelijk onjuist. De door eiseres ter zitting genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ7859), kan haar dan ook niet baten. In deze zaak was de vaststelling door het bijstandverlenende orgaan, dat betrokkene onroerend goed bezat in Marokko, wel louter gebaseerd op verklaringen van derden (zogenaamde ‘plaatselijke autoriteiten’). In casu is dat niet het geval. De rechtbank is van oordeel dat er in de wet en de jurisprudentie geen grondslag is te vinden om eiseres te volgen in hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd. De inhoud van de ‘Handreiking onderzoek naar vermogen in het buitenland’ maakt dat niet anders, daargelaten nog de vraag of hierin normen zijn opgenomen waar eiseres zich rechtstreeks op kan beroepen.

4.1

Uit de rapportages van het IBF en de nadere toelichting van verweerder (brief van 29 september 2014) volgt dat [partner]gedurende de gehele periode in geding de eigendom had van een woning (flat), gelegen in de wijk Kentkoop van de gemeente Yenimahalle (verwervingsdatum 10 september 1993) en de gedeeltelijke eigendom van drie percelen bouwgrond ([perceelnummers], allen verworven op 20 maart 1998). In opdracht van het IBF zijn de woning en het perceel bouwgrond, waarvan [partner]143/4815-deel bezit, getaxeerd op totaal TL 155.000. Voorts volgt uit de rapportages van het IBF en de nadere toelichting van verweerder dat [partner]op 15 december 2008 bouwgronden/appartementen (gelegen in de wijk Yuva) heeft verworven, welke zijn getaxeerd op totaal TL 370.000, en dat [partner]reeds vóór de periode in geding eigendom heeft verkregen van een woning in Harbiye Dikmen en van 138/1874-deel bouwgrond. Laatstgenoemd onroerend goed (woning en bouwgrond) is door [partner]in de periode in geding verkocht.

4.2

Ter zitting heeft eiseres betwist dat [partner]in de periode in geding eigenaar was van onroerend goed in Turkije. Het ontbreken van iedere onderbouwing van deze stelling maakt dat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de onderzoeksresultaten van het IBF. Dat eiseres zelf geen onroerend goed bezit in Turkije speelt geen rol; eiseres en [partner]waren in de periode in geding immers gezamenlijk subject van bijstand. De omstandigheid dat de één onroerend goed bezit, heeft dan ook gevolgen voor het recht op bijstand van beiden. Eiseres heeft gesteld dat getwijfeld moet worden aan de in opdracht van het IBF vastgestelde taxatiewaarde. Aangezien eiseres hiervoor evenmin een onderbouwing heeft gegeven, zal de rechtbank aan deze stelling voorbij gaan.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres verweerder nimmer heeft geïnformeerd over de eigendom van onroerend goed in Turkije. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van eiseres en [partner]ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het bijstandverlenend orgaan, als ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, daartoe moet overgaan. Louter uitgaande van het onroerend goed, dat in de gehele periode in geding op naam van [partner]heeft gestaan (taxatiewaarde TL 155.000), dan is de conclusie gerechtvaardigd dat eiseres en [partner]de gehele periode in geding over vermogen hebben beschikt boven de voor hen geldende vermogensgrens. Eiseres en [partner]hadden dan ook geen recht op bijstand. De rechtbank zal dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, omdat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad.

7. Anders dan verweerder blijkens het advies van de Commissie bezwaarschriften WWB van mening is, was artikel 54, derde lid, van de Wwb, zoals dat sinds 1 juli 2013 geldt, ten tijde van het primaire besluit nog niet van toepassing. Verweerder was dan ook niet gehouden om het recht op bijstand in te trekken. Wel is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bevoegd was om het recht op bijstand over de gehele periode in geding met toepassing van het bepaalde in artikel 54, derde lid, onder a, van de Wwb (oud) in te trekken. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd in beroep is geen grond gelegen om te oordelen dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid. De rechtbank ziet in dit verband eveneens grond om voornoemd gebrek in het bestreden besluit (toepassing onjuiste wettelijke kader) te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiseres heeft tegen de beslissing van verweerder om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand ook geen gronden ingediend.

8.1

Voorgaande betekent dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 58, eerste lid, van de Wwb. Dat betekent dat verweerder gehouden was om de aan eiseres en [partner]teveel betaalde bijstand terug te vorderen. Eiseres heeft de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet betwist.

8.2

Eiseres heeft een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 58, achtste lid, van de Wwb. In dit verband heeft eiseres gesteld dat zij de Nederlandse taal niet machtig is, dat zij nimmer voorlichting heeft gehad omtrent haar inlichtingenverplichting, dat zij psychisch onder druk stond van [partner]en dat zij van hem afhankelijk was en dat ze de vordering niet kan betalen. Hoewel het feitelijk juist is, dat de inlichtingenformulieren niet expliciet vermelden dat ook vermogen in het buitenland moet worden gemeld, kan deze omstandigheid eiseres niet baten. Reeds bij de toekenningsbeslissing van 27 juni 2001 is eiseres gewezen op haar verplichting om alles wat van invloed kan zijn op haar uitkering te melden. Wanneer het eiseres niet duidelijk was geweest dat daaronder ook het onroerend goed in Turkije had moeten worden begrepen, had het op haar weg gelegen hierover met verweerder in contact te (laten) treden. De stelling, dat eiseres niet is gewezen op haar inlichtingenverplichting, is gezien voorgaande feitelijk onjuist. Alle overige door eiseres genoemde omstandigheden kunnen niet worden beschouwd als dringende redenen, als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Wwb. Volgens bestendige rechtspraak van de CRvB is slechts sprake van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor een betrokkene zouden kunnen optreden. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken. Voor het daadwerkelijk terugbetalen van de vordering kan eiseres zich tot verweerder wenden om een – met inachtneming van de voor haar geldende beslagvrije voet en op haar financiële situatie toegesneden – betalingsregeling overeen te komen.

9. Het beroep is ongegrond. In de omstandigheid dat aan het bestreden besluit gebreken kleven, welke de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Voorts is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 974.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. E.M. Vermeulen en mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Wolsink-van Veldhuizen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.