Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7357

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
C/05/272239 / KZ ZA 14-270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd tussen twee B.V.’s, waarbij [eiser] directiewerkzaamheden gaat verrichten voor één van die B.V.’s. Vaste vergoeding per maand op basis van minimaal 40 uur werk per week. Aanspraak op vergoeding tijdens vakantie? Tussentijdse opzegging geoorloofd?Toestemming UWV vereist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1007
AR 2014/897

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/272239 / KZ ZA 14-270

Vonnis in kort geding van 25 november 2014

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 1 BV] ,

gevestigd te [plaats],

eisers,

advocaat mr. P.F. van Esseveldt te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 2 BV] ,

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. F.W. Aartsen te Harderwijk.

Partijen zullen hierna [eiser] en [naam 1 BV] en [naam 2 BV] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser] en [naam 1 BV]

  • -

    de pleitnota van [naam 2 BV].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 13 november 2013 hebben [naam 2 BV] (als opdrachtgever), daarbij vertegenwoordigd door [naam A] (hierna: [naam A]) en [naam 1 BV] (als opdrachtnemer), daarbij vertegenwoordigd door [eiser], een overeenkomst van opdracht met elkaar gesloten (productie 1 bij dagvaarding), waarin onder meer de navolgende bepalingen voorkomen:

“(…)

In aanmerking nemende dat:

A. De opdrachtnemer directie- en advieswerkzaamheden verricht, buiten dienstbetrekking, en in het kader daarvan opdrachten tot het verrichten van werkzaamheden van de opdrachtgever kan verkrijgen, evenwel met dien verstande dat de opdrachtnemer nimmer verplicht kan worden de opdrachten te aanvaarden, terwijl anderzijds de opdrachtgever naar eigen believen opdrachten aan de opdrachtnemer kan verstrekken, evenwel met dien verstande dat de opdrachtgever geheel vrij is om zelf te bepalen of en wanneer opdrachten verstrekt worden (…)

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
1.
De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en vangt aan op 1 januari 2014 [en eindigt, voorzieningenrechter] van rechtswege na ommekomst van 1 (…) jaar, te weten op 31 december 2014. In onderling overleg kan de overeenkomst verlengd worden.

De exacte dagen en het exacte aantal gedurende een week te werken dagen worden door partijen tijdens uitoefening van deze overeenkomst nader bepaald, mede afhankelijk van wat partijen nodig achten. Het minimum aantal uren bedraagt 40 per week.

2.
De inhoud, aard en omvang van deze werkzaamheden bestaan uit: directievoeren over en leidinggeven aan de gehele organisatie van opdrachtgever (inclusief werkmaatschappijen) op gebied van financiën, administratie, commercie en marketing.
(…)

4.
Partijen verklaren uitdrukkelijk dat noch deze opdrachtovereenkomst, noch de relatie, die ontstaat ten gevolge van het verrichten van de werkzaamheden, een arbeidsovereenkomst inhoudt en dat er zowel in arbeidsrechtelijke als in sociaal verzekeringsrechtelijke zin sprake is van een volledige wederkerige vrijblijvendheid, het ontbreken van ondergeschiktheid en de afwezigheid van de verplichting om de overeengekomen werkzaamheden persoonlijk door de opdrachtnemer te laten verrichten. In het kader daarvan verklaart de opdrachtnemer zonodig een ander de opgedragen werkzaakheden te kunnen laten verrichten, waarmee de opdrachtgever reeds nu instemt.

5.
De opdrachtnemer verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding door de opdrachtgever. De opdrachtnemer heeft het recht zijn werktijden zelf vast te stellen.
(…)
7.
Ieder der partijen is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste 8 weken per eerste van de maand.

8.
Ieder der partijen is gerechtigd deze overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen indien (…) of indien één van beide partijen zich niet aan zijn verplichtingen houdt die voortvloeien uit de onderhavige opdrachtovereenkomst.
(…)
10.
De opdrachtgever kan de overeenkomst van opdracht te allen tijde opzeggen, mits er sprake is van wanprestatie van de opdrachtnemer. Alsdan is hij aan de opdrachtnemer een beloning verschuldigd naar evenredigheid van de tot dan toe verrichte werkzaamheden en de kwaliteit daarvan.
(…)
14.
Het basishonorarium van de opdrachtnemer bedraagt € 10.000,-- (exclusief 21% BTW) per maand (…)
Onkosten verbonden aan de zakelijke uitoefening van de functie van de opdrachtnemer kunnen afzonderlijk in rekening worden gebracht op basis van over te leggen nota’s. De opdrachtnemer zal maandelijks een bedrag van € 1.000,-- (exclusief 21% BTW) bij de opdrachtgever in rekening brengen ten behoeve van autokosten. Voorts stelt de opdrachtgever een tankpas en een mobiele telefoon om niet aan de opdrachtnemer ter beschikking.

15.
De opdrachtnemer zal aan het einde van elke maand, nadat de opgedragen werkzaamheden zijn verricht, de overeengekomen vergoeding factureren onder opgave van het aantal werkelijk gewerkte uren en gemaakte onkosten via gespecificeerde rekeningen.
(…)
22.
(…)
Onderhavige overeenkomst kan slechts gewijzigd en aangevuld worden door middel van schriftelijke stukken die door daartoe bevoegde vertegenwoordigers van beide partijen worden ondertekend.
(…)”


2.2. De tussen [naam 2 BV] en [naam 1 BV] overeengekomen werkzaamheden zijn feitelijk uitgevoerd door [eiser].

2.3.

[naam 1 BV] heeft maandelijks facturen ad € 13.310,-- (inclusief 21% btw) bij [naam 2 BV] in rekening gebracht ter zake van de door [eiser] verrichte werkzaamheden alsmede de vaste onkostenvergoeding. [naam 2 BV] heeft deze facturen tot en met augustus 2014 aan [naam 1 BV] betaald.

2.4.

In september 2014 heeft [naam 2 BV] bij monde van haar directeur [naam A] aan [eiser] medegedeeld dat de overeenkomst van opdracht niet verlengd zou worden en aan [eiser] opgedragen om zijn werkzaamheden op het gebied van de financiën en boekhouding over te dragen aan een collega. In een vervolggesprek (op 17 september 2014) heeft [naam A] aan [eiser] laten weten dat hij met ingang van 1 oktober 2014 alle
- interne - directiewerkzaamheden van [eiser] zou overnemen. Een en ander hield verband met het feit dat [naam 2 BV] van mening was dat het accent van de directievoering binnen [naam 2 BV] niet meer op de interne organisatie moest komen te liggen (waarmee [eiser] zich tot dan toe had beziggehouden), maar meer op het commerciële vlak, waarbij met name werd gedacht aan het verrichten van acquisitiewerkzaamheden in de vorm van het bezoeken van prospects (tot het einde van de overeenkomst van opdracht).

2.5.

[eiser] heeft op 22 september 2014 aan [naam 2 BV] laten weten dat hij niet akkoord ging met de door [naam 2 BV] voorgestelde wijziging van zijn werkzaamheden.

2.6.

[naam 2 BV] heeft [eiser] vervolgens vrijgesteld van werkzaamheden en hem voorgesteld om de overeenkomst per 1 november 2014 te beëindigen, waarbij het honorarium over de maand september 2014 zou worden uitgekeerd en het honorarium over de maand oktober 2014 zou worden verrekend met de door [naam 2 BV] betaalde facturen over de vier weken dat [eiser] met vakantie was.

2.7.

[naam 1 BV] heeft bij brief van 23 september 2014 (productie 7 bij dagvaarding) voormeld voorstel van de hand gewezen.

2.8.

[naam 2 BV] heeft per e-mail van 24 september 2014 (productie 8 bij dagvaarding) aan [naam 1 BV] het volgende laten weten:

“(…)
In aansluiting op het mailbericht van gisteren, inzake [eiser], bevestig ik hierdoor dat ons standpunt blijft dat, vanwege wanprestatie, het contract per direct is beëindigd.
[eiser] heeft niet volgens het contract gedeclareerd; vanaf het begin van het contract is geen urenregistratie toegevoegd.
Bovendien heeft hij, veel eerder dan in het contract is afgesproken, zichzelf de volledige maandelijkse vergoeding betaald. (…)”

2.9.

Bij brief van 25 september 2014 (productie 9 bij dagvaarding) heeft [naam 1 BV] (onder bijvoeging van een overzicht van gewerkte uren per maand) de aan het adres van [eiser] gemaakte verwijten van de hand gewezen en een beroep gedaan op vernietigbaarheid van de opzegging van de overeenkomst op grond van artikel
6 lid 1 en artikel 9 lid 1 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen van 1945 (BBA) en - onder bereidverklaring om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten - jegens [naam 2 BV] aanspraak gemaakt op nakoming van de overeenkomst tot aan het tijdstip waarop de overeenkomst op rechtsgeldige wijze tot een einde is gekomen.

2.10.

[naam 2 BV] heeft bij brief van 25 september 2014 (productie 11 bij dagvaarding) aan [naam 1 BV] als volgt gereageerd:

“Geachte heer [eiser],
(…)
Vanaf 24 september 2014 achten wij de opdrachtovereenkomst (…) als beeindigd.
Op grond van artikel 10, waarin wanprestatie is aangegeven is deze beeindiging vastgesteld vanwege overtreding van artikel 15.
Bovendien hebben wij helaas moeten vaststellen dat er met de aan [u, voorzieningenrechter] verstrekte tankpas, door u, is gefraudeerd.
Wij beschikken over videobeelden waarop is te zien dat u de tankpas niet uitsluitend voor uw (zaken) auto gebruikt, doch ook voor een andere auto. Deze fraude is regelmatig voorgevallen (…)
Tenslotte wijzen wij u erop dat de septemberdeclaratie is verrekend met de door u bestede verlofdagen (…)”.


2.11. [naam 1 BV] heeft bij brief van 2 oktober 2014 (productie 12) gemotiveerd weersproken dat [eiser] met de tankpas heeft gefraudeerd. Aan het verzoek aan [naam 2 BV] om haar standpunt te herzien is door [naam 2 BV] geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] en [naam 1 BV] vorderen samengevat - veroordeling van [naam 2 BV]:
a. tot betaling van € 11.000,-- ter zake van honorarium en onkostenvergoeding over de maand september 2014, vermeerderd met rente,
b. tot tijdige betaling van de overeengekomen maandvergoeding van € 10.000,-- tot
1 januari 2015,

c. tot verzending van een e-mail aan haar personeel, waarin [naam 2 BV] mededeelt dat er geen sprake is geweest van wanprestatie en fraude door [eiser].

3.2.

[naam 2 BV] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de overeenkomst van opdracht op grond waarvan [eiser] werkzaamheden heeft verricht tevens als arbeidsverhouding in de zin van het BBA kwalificeerde, zodat indien dat het geval is, voor de opzegging daarvan de toestemming nodig was van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

4.3.

Voorop wordt gesteld dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten, en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, moeten daarbij in hun onderlinge verband worden bezien (HR 14 november 1997, NJ 1998, 149 en 10 december 2004, NJ 2005, 239).

4.4.

[eiser] en [naam 1 BV] hebben aangevoerd dat het de bedoeling van partijen was, dat [eiser] van meet af aan in dienst van [naam 2 BV] zou treden. [eiser] en [naam 1 BV] verwijzen daarvoor naar een e-mail van [naam A] van 6 november 2013 (productie 3 bij dagvaarding), waarin onder meer staat: “(…) Aansluitend op onze 2 besprekingen wil ik je graag bevestigen hoe fijn ik het zou vinden als je bij ons in dienst wilt treden als algemeen directeur (…) In de loop van 2014 kijken we naar de formele arbeidsrelatie om deze wellicht voor de toekomst aan te passen”.

4.5.

Anders dan [eiser] en [naam 1 BV] hebben aangevoerd, volgt uit deze passages niet noodzakelijkerwijs dat [naam 2 BV] van meet af aan het sluiten van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor ogen stond. In voormelde e-mail vermeldt [naam A] immers tevens: “Met [naam B] zullen we samen een managementcontract opstellen waarin voldoende wederzijdse zekerheden worden ingebouwd.
Uit de inhoud van de overeenkomst van opdracht (met name artikel 3, 4 en 5) kan worden afgeleid dat - gelijk [naam 2 BV] heeft betoogd - partijen in het kader van deze overeenkomst juist niet een arbeidsovereenkomst of een daarmee gelijk te stellen arbeidsverhouding tussen [eiser] en [naam 2 BV] in het leven hebben willen roepen. Vastgelegd is immers dat van ondergeschiktheid en de verplichting om de overeengekomen werkzaamheden persoonlijk te (laten) verrichten geen sprake is alsmede dat de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht worden verricht en zonder toezicht of leiding door [naam 2 BV].


4.6. Het enkele feit dat bij de uitvoering van de overeenkomst van opdracht alleen [eiser] werkzaamheden heeft verricht voor [naam 2 BV] en dat dit ook de bedoeling van [naam 2 BV] en [naam 1 BV] was, maakt niet dat de feitelijke uitvoering van de overeenkomst, tevens kan worden gekwalificeerd als een arbeidsverhouding in de zin van artikel 1 BBA met als gevolg dat voor opzegging van de rechtsverhouding toestemming van het UWV is vereist. Er is immers een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen tussen de twee rechtspersonen [naam 2 BV] en [naam 1 BV]. Daaraan is ook feitelijke uitvoering gegeven doordat [naam 1 BV] [eiser] aan [naam 2 BV] ter beschikking heeft gesteld om de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren. Daartoe was [naam 1 BV] niet verplicht, omdat de overeenkomst haar de mogelijkheid gaf om een ander persoon dan [eiser] de werkzaamheden bij [naam 2 BV] te laten uitvoeren.
Bij dit alles komt dat een rechtspersoon geen werknemer in de zin van het BBA kan zijn. [eiser] en [naam 1 BV] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een contractuele rechtsbetrekking bestond tussen [naam 2 BV] en [eiser], laat staan een rechtsbetrekking die [eiser] verplichtte om persoonlijke arbeid in de zin van artikel
1 onder b sub 2 BBA voor [naam 2 BV] te verrichten. Dit wordt niet anders doordat [eiser] ter zitting heeft gesteld dat hij verantwoording aflegde aan [naam A], nu dit feit evengoed past binnen de overeenkomst van opdracht.

4.7.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken die tot de voorlopige slotsom zouden moeten leiden dat [eiser] desalniettemin onder het toepassingsbereik van artikel 1 BBA dient te vallen. De betrokken partijen hebben bewust een constructie met tussenschakeling van [naam 1 BV] op papier gezet, terwijl zij bovendien daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven aan deze constructie doordat [eiser] namens [naam 1 BV] maandelijks een bedrag (inclusief BTW) bij [naam 2 BV] in rekening bracht) voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden. Ook de door de Belastingdienst op 15 januari 2014 aan [eiser] verstrekte ‘verklaring arbeidsrelatie’ (productie 5 van [naam 2 BV]) bevestigt het bestaan van de tussen [naam 2 BV] en [naam 1 BV] gesloten overeenkomst van opdracht.

4.8.

Bij deze stand van zaken is niet voldoende aannemelijk geworden dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de opzegging door [naam 2 BV] vernietigbaar is wegens strijd met het BBA.


4.9. In beginsel kan de opdrachtgever op grond van de wet te allen tijde een verstrekte opdracht opzeggen (artikel 7:408 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Deze regel is niet beperkt tot overeenkomsten voor onbepaalde tijd. Ook overeenkomsten die voor bepaalde tijd zijn gesloten, zoals de tussen [naam 2 BV] en [naam 1 BV] gesloten overeenkomst, kunnen in beginsel door de opdrachtgever worden opgezegd. De regel van artikel 7:408 BW geldt niet indien uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht of van een andere rechtshandeling, of de gewoonte iets anders voortvloeit (artikel 7:400 lid 2 BW). De aan de opdrachtgever toekomende opzeggingsbevoegdheid vindt haar grens in een in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitoefening van die bevoegdheid.


4.10. Uit de inhoud van tussen de [naam 2 BV] en [naam 1 BV]
gesloten overeenkomst kan niet worden afgeleid dat zij hebben beoogd van voormelde wettelijke regeling af te wijken. De voorzieningenrechter wijst daarbij op artikel 23 van de overeenkomst waarin is bepaald dat zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemer de overeenkomst met onmiddellijke ingang kan beëindigen.

4.11.

Vanwege de aard van de overeenkomst van opdracht, te weten het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de opdrachtgever, ligt een ruime opzeggingsbevoegdheid voor de opdrachtgever in beginsel voor de hand. De opdrachtgever dient immers in beginsel vrij te zijn te bepalen op welke wijze hij zijn belangen behartigd wil zien worden en het staat de opdrachtgever in beginsel vrij om de overeenkomst te beëindigen indien hij niet meer verder wilt gaan met opdrachtnemer. Dat geldt hier in het bijzonder, nu [naam 1 BV] de werkzaamheden tegen een periodieke vergoeding door [eiser] liet verrichten. Voor de reeds verrichte werkzaamheden is [naam 1 BV] (tot en met augustus 2014) reeds beloond, terwijl zij gelet op de overeengekomen constructie en de daaruit voortvloeiende relatie geen gerechtvaardigde verwachting mocht koesteren dat zij haar werkzaamheden voor [naam 2 BV] zou mogen voortzetten. Dat [naam 1 BV] en [eiser] meer dan een financieel belang hadden bij de volledige uitvoering van de opdracht is gesteld noch gebleken. Daar staat tegenover dat [naam 2 BV] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter redelijke gronden heeft aangevoerd om de overeenkomst van opdracht op te zeggen. [naam 2 BV] heeft immers bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat door de inspanningen van [eiser] de onderneming intern op orde was en dat zij het vanuit bedrijfseconomisch oogpunt wenselijk achtte dat [eiser] zich meer met acquisitie ging bezighouden, maar dat [eiser] daar niet voor voelde, omdat hij zich daartoe minder geschikt achtte, hetgeen [eiser] ter zitting heeft beaamd. Dat [naam 2 BV] niet heeft willen ingaan op het voorstel van [eiser] dat hij de commercieel directeur kon begeleiden bij acquisitiewerkzaamheden, kan [naam 2 BV] niet worden verweten. Het stond [naam 2 BV] als opdrachtgever vrij om het werk in te richten op de wijze die [naam 2 BV] het meest in het belang van de onderneming achtte. Daarbij hoort ook de beslissing om [eiser] te ontheffen van financiële- en directietaken. De wet, maar ook de overeenkomst van opdracht staat aan die bevoegdheid van [naam 2 BV] niet in de weg. Het enkele feit dat [eiser] zich minder geschikt achtte om acquisitiewerkzaamheden te verrichten, maakt het geven van een opdracht daartoe niet onredelijk. Bedoelde werkzaamheden liggen immers op het vlak van commercie en marketing en vallen daarmee binnen het kader van de in artikel 2 van de overeenkomst van opdracht omschreven werkzaamheden. [naam 2 BV] was - gelet op artikel 7:402 lid 1 BW - bevoegd om aan [eiser] bedoelde werkzaamheden op te dragen.
Nu [eiser] niet akkoord kon dan wel wilde gaan met de nieuwe invulling van zijn taak, had [naam 2 BV] om die reden al een valide reden om de overeenkomst met [naam 1 BV] per direct te beëindigen. Dat [naam 2 BV] die grond niet in de correspondentie, maar eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, is in deze niet van belang. Daarbij komt dat [naam 1 BV] (lees: [eiser]) heel goed moet hebben begrepen dat de weigering om akkoord te gaan met een gewijzigde invulling van het takenpakket, een zware rol heeft gespeeld bij het besluit van [naam 2 BV] om niet langer met [eiser] verder te willen gaan.


4.12. Het aanbod van [naam 2 BV] om de overeenkomst met [naam 1 BV] te beëindigen met ingang van 1 november 2014, waarbij de vergoeding over september 2014 nog werd uitgekeerd en [eiser] vrijgesteld was van werkzaamheden, was dan ook een redelijk voorstel. Daaraan doet niet af dat [naam 2 BV] de vergoeding over de maand oktober 2014 wilde verrekenen met de vier weken vakantie die [eiser] had opgenomen, nu [naam 2 BV] er ook voor had kunnen en mogen kiezen om na de eerste keer dat [eiser] te kennen gaf niet akkoord te gaan met een wijziging van zijn taken, de overeenkomst meteen met onmiddellijke ingang te beëindigen.

4.13.

Met betrekking tot bedoelde verrekening wordt het volgende overwogen. Uit de aard van de tussen [naam 1 BV] en [naam 2 BV] gesloten overeenkomst vloeit voort dat [naam 1 BV] jegens [naam 2 BV] geen aanspraak op het vaste honorarium kan maken gedurende de periode dat [eiser] vakantie geniet en [naam 1 BV] voor die periode niet een andere persoon ter beschikking van [naam 2 BV] stelt om de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren.

4.14.

[eiser] en [naam 1 BV] hebben ter zitting gemotiveerd gesteld (pleitnota onder randnummers 24 en 25) dat [eiser] ook gedurende zijn vakantie werkzaamheden voor [naam 2 BV] heeft verricht, wat door [naam 2 BV] ter zitting slechts is tegengesproken bij gebrek aan specificaties van de zijde van [eiser]. Dit is - gelet op de door [eiser] gegeven toelichting - een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van [eiser] dat hij gedurende zijn vakanties werkzaamheden voor [naam 2 BV] heeft verricht, zodat de voorzieningenrechter daarvan uit gaat. Dit geeft [naam 1 BV] evenwel nog niet het recht om voor de maand waarin een of meer weken vakantie vallen, aan [naam 2 BV] de vaste vergoeding van € 10.000,-- (exclusief BTW) in rekening te brengen (en door [eiser] betaalbaar te laten stellen), zonder dit eerst met [naam 2 BV] te bespreken. Die vergoeding is immer gebaseerd op een arbeidsinzet van minimaal 40 uren per week. Uit de door [eiser] en [naam 1 BV] overgelegde urenregistratie (productie 10 bij dagvaarding) blijkt dat [eiser] in de maand augustus 2014 twee weken vakantie heeft gehad. In die maand voert [eiser] 79 gewerkte uren op. Uit het overzicht blijkt niet hoeveel uren [eiser] tijdens zijn vakantie heeft gewerkt. De uitbetaling van de volledige vergoeding voor de maand augustus 2014 is daarmee vooralsnog zonder deugdelijke grond geschied. De door [naam 2 BV] voorgestelde verrekening is in beginsel aanvaardbaar. Voor de vraag of verrekening voor een bedrag van € 10.000,-- (of een lager bedrag) gerechtvaardigd is, is het noodzakelijk dat komt vast te staan hoeveel uren [eiser] gedurende zijn vakantie voor [naam 2 BV] heeft gewerkt. Daarvoor is het horen van getuigen noodzakelijk, waarvoor in kort geding in de regel, en dus ook in dit geval, geen plaats is. Voor de volledigheid wordt nog overwogen dat ook al zou [eiser] over de periode van 1 januari 2014 tot 22 september 2014 gemiddeld genomen veel meer dan 40 uren per week voor [naam 2 BV] hebben gewerkt, het niet is toegestaan om het aantal “overuren” in de ene maand te verrekenen met het tekort aan uren in de andere maand. Immers, overeengekomen is een minimale arbeidsinzet van 40 uren per week. Uit de inhoud en aard van de overeenkomst vloeit voort dat overuren (in beginsel) geen aanspraak op een hoger honorarium geven.

4.15.

Met betrekking tot de in de correspondentie als opzeggingsgrond genoemde wanprestatie (bestaande uit het achterwege laten van urenoverzichten) wordt vooropgesteld
de het de opdrachtgever indien hij het vertrouwen in de opdrachtnemer verloren heeft, in beginsel vrij staat de relatie te beëindigen.
[naam 2 BV] heeft bij monde van haar directeur [naam A] ter zitting verklaard dat [naam A] zich ten opzichte van [eiser] heeft opgesteld als aandeelhouder en dat hij [eiser] vertrouwde en hem zoveel mogelijk de vrije hand heeft willen laten, maar dat [eiser] dat vertrouwen heeft geschaad.

4.16.

[eiser] en [naam 1 BV] hebben gesteld dat na twee maanden met [naam A] is afgesproken dat maandelijkse opgave van gewerkte uren achterwege mocht blijven alsmede dat de facturen van [naam 1 BV] rond de 25e van de maand betaalbaar mochten worden gesteld, gelijk met de loonbetaling aan het personeel van [naam 2 BV]. [naam 2 BV] heeft een en ander met klem tegengesproken. Daar waar [eiser] en [naam 1 BV] de door hen gestelde (van artikel 15 van de overeenkomst afwijkende) afspraken niet hebben kunnen staven met door [naam 2 BV] en [eiser] ondertekende geschriften (als vereist in artikel 22 van de overeenkomst), wordt aan deze stelling verder voorbij gegaan. Daarmee staat voorshands vast dat [naam 1 BV] in strijd heeft gehandeld met artikel 15 van de overeenkomst.

4.17.

Aannemelijk is dat het ontbreken van urenoverzichten gevoegd bij de constatering van [naam 2 BV] dat [eiser] namens [naam 1 BV] ook de volledige vergoeding heeft gedeclareerd over een periode waarin [eiser] niet heeft gewerkt voor [naam 2 BV], hebben bijgedragen aan het ontstaan van een vertrouwensbreuk tussen [naam A] en [eiser]. [naam 2 BV] heeft immers gemotiveerd bestreden dat zij van meet af aan op de hoogte is geweest van omvang en inhoud van de werkzaamheden van [eiser], de datum waarop de facturen van [naam 1 BV] betaalbaar werden gesteld alsmede het feit dat bij de facturen geen urenspecificatie was gevoegd. [naam 2 BV] heeft aangevoerd dat zij de facturen van [naam 1 BV] vanaf maart 2014 nooit heeft gezien, zodat zij ook niet heeft kunnen constateren dat het volledige honorarium werd gedeclareerd over een tijdvak waarbinnen [eiser] met vakantie was. [naam 2 BV] heeft betwist dat zij de facturen van [naam 1 BV] heeft goedgekeurd (een stelling van [naam 1 BV] die overigens haaks staat op haar stelling dat met [naam A] zou zijn afgesproken dat haar facturen niet meer vooraf behoefden te worden goedgekeurd). [naam 2 BV] heeft gesteld dat [eiser] na de tweede factuur de niet gespecificeerde facturen inboekte in de administratie van [naam 2 BV], waarna hij deze facturen van de rekening van [naam 2 BV] aan [naam 1 BV] heeft betaald. Dit is door [eiser] niet tegengesproken. Van bewuste betaalbaarstelling door [naam 2 BV] van de facturen van [naam 1 BV] is na de eerste twee facturen dan ook geen sprake meer geweest. Dit geldt meer in het bijzonder voor de facturen die mede betrekking hadden op de periodes waarin [eiser] met vakantie was. Bestuurder [naam A] vertrouwde [eiser]. Bij deze stand van zaken kan [naam 1 BV] zich er niet met vrucht op beroepen dat [naam 2 BV] haar niet eerder heeft aangesproken op het ontbreken van urenoverzichten. Het feit dat [naam 1 BV] op 25 september 2014 alsnog de ontbrekende urenspecificaties aan [naam 2 BV] heeft gestuurd, is in dit verband “mosterd na de maaltijd”.

4.18.

Daarbij komt nog het volgende. Vast staat dat [eiser] de aan hem door [naam 2 BV] ter beschikking gestelde tankpas heeft gebruikt voor een auto van het merk Volkswagen alsmede voor een auto van het merk Audi. Het enkele feit dat [eiser] ter zitting heeft verklaard dat hij beide auto’s gebruikte voor woon- werkverkeer, betekent niet dat het gebruik van de tankpas “dus” gelegitimeerd was. Immers, [eiser] heeft gesteld dat ook zijn echtgenote van beide auto’s gebruik maakt en hij heeft niet weersproken dat zijn echtgenote de auto’s ook gebruikt voor woon-werkverkeer. Door beide auto’s te tanken met de tankpas, bestaat derhalve de geenszins denkbeeldige kans dat de echtgenote van [eiser] een van de auto’s heeft gebruikt voor woon-werkverkeer, waarbij de brandstof waarop die auto rijdt voor rekening van [naam 2 BV] is gekomen. Aannemelijk is dat [naam 2 BV] niet heeft beoogd om ook dat gebruik van de tankpas te willen faciliteren. Het door [naam 2 BV] in dit verband gebruikte woord fraude (dat opzet veronderstelt) is hier misschien te zwaar aangezet, omdat uit de indruk die [eiser] ter zitting heeft gegeven niet het beeld naar voren komt van iemand die het met de regels “niet zo nauw neemt”. Echter, [eiser] had wel moeten begrijpen dat het gebruik van de tankpas zoals hij dat heeft gedaan niet de bedoeling van [naam 2 BV] kan zijn geweest, zodat hij op dit punt transparant naar [naam 2 BV] had moeten zijn en dit aspect met haar had moeten bespreken. Door hierover te zwijgen heeft [eiser] minst genomen hoogst onzorgvuldig gehandeld. [eiser] mag het zich dat ook zelf aanrekenen dat zijn gebruik van de tankpas door [naam A] is ervaren als een ernstige schending van het in [eiser] gestelde vertrouwen.

4.19.

Uit het vorenstaande volgt dat [naam 2 BV] de met [naam 1 BV] gesloten overeenkomst van opdracht met recht op 24 september 2014 met onmiddellijke ingang (derhalve zonder inachtneming van een opzegtermijn) heeft beëindigd.

4.20.

Uit artikel 7:411 BW volgt dat [naam 1 BV] jegens [naam 2 BV] aanspraak kan maken op vergoeding voor de in de maand september 2014 door [eiser] gewerkte uren. Daar waar [naam 2 BV] - zoals hiervoor is overwogen - gerechtigd is tot verrekening van het honorarium in verband met de door [eiser] opgenomen vakantie en in het kader van dit kort geding niet kan worden vastgesteld in welke mate [eiser] tijdens zijn vakantie toch werkzaamheden heeft verricht voor [naam 2 BV], kan de voorzieningenrechter niet bepalen in hoeverre [naam 1 BV] jegens [naam 2 BV] na verrekening nog aanspraak kan maken op het overeengekomen honorarium over de maand september 2014. Het daarop betrekking hebbende onderdeel van de vordering wordt dan ook afgewezen. Nu [eiser] een onjuist gebruik heeft gemaakt van de tankpas en aannemelijk is dat [naam 2 BV] daardoor schade heeft geleden (waarvan de omvang niet kan worden vastgesteld in dit kort geding), zal [naam 2 BV] evenmin worden veroordeeld tot betaling van de vaste onkostenvergoeding over de maand september 2014 ad € 1.000,--.
De voorzieningenrechter geeft [naam A] en [eiser] in overweging in onderling overleg tot een acceptabele financiële afwikkeling te komen, waarbij mede een rol zou kunnen spelen dat [eiser] heeft gesteld dat hij zijn werkzaamheden tot volle tevredenheid van [naam 2 BV] heeft uitgevoerd (wat door [naam 2 BV] ter zitting ook volmondig is erkend) en dat hij zonder vergoeding in de maanden november en december 2013 de verhuizing van de onderneming van [naam 2 BV] heeft gecoördineerd begeleid en voorbereidende werkzaamheden heeft verricht (een en ander als nader uitgewerkt in de pleitnota onder de randnummers 27, 28 en 29), waarmee volgens [eiser] 112 uren waren gemoeid.

4.21.

Nu [naam 2 BV] gerechtigd was om de overeenkomst van opdracht op 24 september 2014 per direct te beëindigen, dient de vordering, voor zover deze strekt tot betaling van de overeengekomen maandvergoeding vanaf oktober 2014 tot 1 januari 2015 eveneens te worden afgewezen.

4.22.

Het is alleszins voorstelbaar dat [eiser] zich door het gebruik van de woorden wanprestatie en fraude in zijn eer en goede naam voelt aangetast. Voor een rectificatie als gevorderd moet [eiser] wel voldoende belang hebben. [naam 2 BV] heeft bij monde van haar directeur [naam A] ter zitting verklaard dat hij de reden voor de beëindiging van de relatie (wanprestatie) niet kenbaar heeft gemaakt aan het personeel van [naam 2 BV], alsmede dat dit ook geldt voor de beschuldiging van fraude. Bestuurder [naam A] heeft daaraan toegevoegd dat [naam 2 BV] aan de advocaat van [eiser] en [naam 1 BV] heeft verzocht om de dit kort geding inleidende dagvaarding niet te betekenen aan het kantooradres van [naam 2 BV], maar aan het kantooradres van haar advocaat (aan welke wens ook gehoor is gegeven), om te voorkomen dat het personeel van [naam 2 BV] kennis zou kunnen krijgen van de tussen [eiser] en [naam A] gerezen problematiek. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [eiser] zijn stelling dat [naam 2 BV] aan haar personeel mededeling heeft gedaan van de (vermeende) wanprestatie en de (vermeende) fraude, niet nader geadstrueerd, zodat deze stelling niet aannemelijk is geworden. Bij deze stand van zaken is er geen deugdelijke grond voor toewijzing van de gevorderde rectificatie, zodat ter zake afwijzing dient te volgen.

4.23.

Opgemerkt wordt nog dat [eiser] nog heeft gesteld dat [naam 2 BV] de hiervoor bedoelde mededelingen ook buiten de muren van de onderneming aan derden heeft gedaan.
Nu [eiser] zijn vordering tot rectificatie heeft beperkt tot het personeel van [naam 2 BV], kan reeds om die reden aan deze stelling van [eiser] voorbij worden gegaan.

4.24.

[eiser] en [naam 1 BV] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam 2 BV] worden begroot op:

- griffierecht € 1.892,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 2.708,00


4.25. Bij gebrek aan een wettelijke grondslag zal de hoofdelijke veroordeling in de proceskosten worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] en [naam 1 BV] in de proceskosten, aan de zijde van [naam 2 BV] tot op heden begroot op € 2.708,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.1

1 Th/Vr