Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7319

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
13-2551
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBGEL:2014:1085
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2569, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning tankstation, lichthinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6467

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Sector bestuursrecht

Locatie Arnhem

registratienummer: AWB 13/2551

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

inzake

[eisers], eisers,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe, verweerder,

alsmede

[vergunninghouder] , vergunninghouder,

gevestigd te Zutphen.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 maart 2013.

2 Procesverloop

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder e, sub 1° en 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onbemand tankstation ten behoeve van de aflevering van motorbrandstoffen aan derden, op het perceel [perceel].

Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit is door verweerder krachtens afdeling 3.4 van de Awb de uniforme openbare voorbereidingsprocedure doorlopen. Eisers hebben tegen de ontwerp-omgevingsvergunning een zienswijze ingediend.

Tegen het bestreden besluit is bezwaar gemaakt. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb, het bezwaarschrift aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift. Door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 16 mei 2013 heeft vergunninghouder zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 januari 2014. Eiser is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Oostwoud en

H. de Vries. Namens vergunninghouder is [naam 1] verschenen.

Bij tussenuitspraak van 18 februari 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak de in de tussenuitspraak aangegeven gebreken te herstellen.

Verweerder heeft bij brief van 31 maart 2014, naar aanleiding van deze mogelijkheid, aan de rechtbank medegedeeld dat hij op 31 maart 2014 met toepassing van artikel 6:19 van de Awb een gewijzigd besluit heeft genomen.

Eisers hebben bij brief van 25 april 2014 op het gewijzigde besluit gereageerd.

Vervolgens heeft de rechtbank bij brief van 6 juni 2014 nadere vragen gesteld aan verweerder naar aanleiding van de nieuwe beslissing op bezwaar.

Verweerder heeft bij brief van 19 juni 2014 gereageerd op de vraagstelling van de rechtbank.

Eisers hebben bij brief van 17 juli 2014 gereageerd op de reactie van verweerder.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

3 Overwegingen

Voor een weergave van alle feiten en overwegingen van de rechtbank verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 18 februari 2014.

De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 18 februari 2014 het volgende overwogen:

“Anders dan eisers betogen is niet gebleken van gemeentelijke beleid gericht op het voorkomen van hinder van en vervuiling door kunstverlichting in het buitengebied.

In de beantwoording op de zienswijzen van eisers, die deel uitmaken van het bestreden besluit, sluit verweerder bij de beoordeling van lichthinder aan bij de “Algemene Richtlijnen betreffende lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). De daarin opgenomen grenswaarden op de gevel van omwonenden voor lichtemissie van reclame-uitingen in het landelijk gebied (E2) bedraagt 5 lux voor de avondperiode en 1 lux voor de nachtperiode. De lichtsterkte in candela (cd) mag per armatuur 7500 cd in de avondperiode en 500 cd in de nachtperiode bedragen.

Verweerder heeft overwogen dat, gezien de afstand tussen het tankstation en de woning van eisers, het niet aannemelijk is dat het maximaal aantal van 5 lux in de avondperiode en 1 lux in de nachtperiode voor reclameverlichting op hun woning wordt overschreden. Verweerder acht het wel aannemelijk dat de lichtsterkte per armatuur in de avond en/of nachtperiode meer bedraagt dan de grenswaarde. Met het oog op de zorgplicht kunnen daarom in de vergunning voorschriften worden opgenomen die deze lichtsterkte aan banden legt, aldus verweerder.

In de bij de omgevingsvergunning behorende voorschriften zijn in hoofdstuk 7 voorschriften opgenomen met betrekking tot het voeren van licht.

In voorschrift 7.1.1 is bepaald dat reclameverlichting ([naam 2] letters en led verlichting op de boeiborden) tussen 23.00 uur en 07.00 uur uit dient te zijn. De verlichting in de luifel dient na 23.00 uur gedimd te worden.

In voorschrift 7.1.3 is bepaald dat terreinverlichting moet zijn voorzien van bewegingssensoren en na sluitingstijd tussen 23.00 uur en 07.00 uur, in het geval er geen personen op de inrichting aanwezig zijn, gedimd zijn.

De rechtbank stelt vast dat in hoofdstuk 7 van de voorschriften, ondanks dat in de beantwoording van de zienswijzen door verweerder uitdrukkelijk is verwezen naar de Algemene Richtlijnen betreffende lichthinder van de NSVV en de daarin opgenomen grenswaarden voor lichtemissie, een met die grenswaarden corresponderend voorschrift in de omgevingsvergunning ontbreekt. Het voorschrift dat de verlichting in de luifel na 23.00 uur moet worden gedimd is naar het oordeel van de rechtbank in dit verband ontoereikend. Niet duidelijk is immers tot welke lichtsterkte moet worden gedimd. Daarmee is het voorschrift te onbepaald, hetgeen tot problemen kan leiden in het geval door derden om handhaving zou worden verzocht.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat de openingstijden in de ‘voorschriften milieu’ en de omgevingsvergunning niet congruent zijn, stelt de rechtbank vast dat voorschrift 1.1.2 bepaalt dat de inrichting uitsluitend geopend mag zijn van 07.00 tot 21.00 uur. Dit terwijl vergunninghouder een omgevingsvergunning heeft gevraagd voor een onbemand tankstation dat 24 uur per dag en 7 dagen per week geopend is. In het bestreden besluit is niet onderbouwd waarom de desbetreffende verlichting (ondanks het sluiten van de inrichting om 21:00 uur) eerst vanaf 23.00 uur gedimd moet worden en niet vanaf een eerder tijdstip. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor het voorschrift dat de terreinverlichting na sluitingstijd tussen 23:00 en 07:00 moet zijn voorzien van bewegingssensoren.

Uit het voorgaande volgt dat de voorschriften niet stroken met hetgeen verweerder blijkens zijn reactie op de zienswijze heeft beoogd en dat daaraan ook anderszins gebreken kleven. Verweerder dient duidelijk te maken wat de openingstijden zijn en op welke wijze die te rijmen zijn met de voorschriften over de verlichting alsmede dient verweerder de voorschriften over de verlichting in overeenstemming te brengen met de beantwoording van de zienswijze. Eerst daarna is door de rechtbank een beoordeling te geven van de vraag of verweerder de in het geding zijnde belangen voldoende heeft afgewogen. Daarover kan de rechtbank eerst in de einduitspraak oordelen.”

Bij besluit van 31 maart 2014 heeft verweerder naar aanleiding van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen. Verweerder heeft voorschriften die aan de omgevingsvergunning verbonden zijn gewijzigd en daarnaast een tweetal voorschriften laten vervallen.

De rechtbank stelt vast dat nu met het besluit van 31 maart 2014 niet is tegemoetgekomen aan de bezwaren van eisers, het geding in beroep, gelet op artikel 6:19 van de Awb zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit. Gesteld noch gebleken is dat eisers nog belang hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 13 maart 2013, zodat het beroep, voor zover gericht tegen dat besluit, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Naar aanleiding van het besluit van 31 maart 2014 zijn eisers door de rechtbank in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Eisers hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft vervolgens nog aanleiding gezien om nadere vragen te stellen aan verweerder. Verweerder heeft daarop gereageerd en eisers hebben vervolgens weer gereageerd op die reactie.

De rechtbank zal in deze einduitspraak beoordelen of verweerder de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het gewijzigde besluit heeft hersteld.

Eisers hebben, kort samengevat, tegen het gewijzigde besluit aangevoerd dat het besluit in plaats van de gemeente Epe van de omgevingsdienst Veluwe IJssel afkomstig is. Eisers betwisten of het gewijzigde besluit bevoegd is genomen. Eisers hebben voorts aangevoerd dat zij er bezwaren tegen hebben dat de inrichting 24 uur per dag geopend mag zijn en dat zij een verlichtingssterkte van 7500 cd in de avondperiode ter plaatse te hoog vinden.

De door eisers aangevoerde gronden die reeds zijn besproken in de tussenuitspraak blijven hier, gelet op de goede procesorde, buiten beschouwing.

Ten aanzien van de constatering van eisers dat het gewijzigde besluit afkomstig is van de omgevingsdienst Veluwe IJssel overweegt de rechtbank dat verweerder bij brief van 31 maart 2013 aan de rechtbank heeft medegedeeld dat de omgevingsdienst Veluwe IJssel op grond van het “Mandaatbesluit Omgevingsdienst Veluwe IJssel” van oktober 2012 is gemandateerd om namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe besluiten te nemen. Verweerder heeft in dezelfde brief medegedeeld dat eisers en vergunninghouder van dit mandaatbesluit op de hoogte zijn gebracht. Het gewijzigde besluit is derhalve bevoegd genomen. De beroepsgrond faalt.

De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken volgt dat met “de terreinverlichting”, zoals opgenomen in de voorschriften, verwezen wordt naar de verlichtingsunits van de overkapping van het tankeiland. De overige lichtmasten op het betrokken perceel vallen buiten de werkingssfeer van de aanvraag en het bestreden besluit.

Naar aanleiding van het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak, dat uit de voorschriften niet duidelijk blijkt tot welke lichtsterkte de terreinverlichting moet worden gedimd na 23:00 uur, is nu in voorschrift 7.1.6 opgenomen waarin is bepaald dat de verlichtingssterkte in candela (cd) per armatuur in de luifel (= overkapping tankeiland) niet meer mag bedragen dan 7500 candela in de avondperiode (19:00 uur - 23:00 uur) en 500 candela in de nachtperiode (23:00 uur - 7:00 uur). Hierbij is aangesloten bij de grenswaarden zoals die zijn neergelegd in de richtlijnen van het NSVV. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek is geheeld.

Voorts blijkt dat voorschrift 1.1.2, waarin was bepaald dat de inrichting uitsluitend geopend mag zijn van 07.00 tot 21.00 uur, vervallen is. Daarnaast is ook artikel 7.1.3, waarin gesproken werd over sluitingstijd, vervallen. Dit is conform de in de vergunningaanvraag vermelde bedrijfstijden. De omgevingsvergunning is aangevraagd voor het in werking hebben van de inrichting gedurende 24 uur per dag en zeven dagen per week en is nu ook als zodanig verleend. De inconsistentie op dit onderdeel is daarmee vervallen. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek is geheeld.

Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers door het vervallen van voorschrift 7.1.3 en het nieuwe voorschrift 7.1.6 in een slechtere positie zijn komen te verkeren.

Verweerder heeft met betrekking tot het vervallen en het gewijzigde voorschrift overwogen dat in de NSVV-richtlijn niets staat over bewegingsmelders als middelvoorschrift. Verweerder is in heroverweging van mening dat een bewegingsmelder geen goede oplossing is, voor de natuur, noch voor omwonenden. Het regelmatig aan- en uitschakelen van de verlichting geeft meer ongewenste verstoring dan een continue lichtbron. Daarom is door verweerder gekozen voor een bronvoorschrift en heeft verweerder voorschrift 7.1.3 laten vervallen. De rechtbank acht dit niet onredelijk.

Ten aanzien van de vraag of verweerder de in geding zijnde belangen voldoende heeft afgewogen overweegt de rechtbank als volgt. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder met het oog op de zorgplicht voor wat betreft de in het bestreden besluit opgenomen voorschriften heeft aangesloten bij de grenswaarden op de gevel van omwonenden zoals bepaald in de NSVV-richtlijnen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat, gezien de afstand tussen het tankstation en de woning van eisers, het niet aannemelijk is dat het maximaal aantal van 5 lux in de avondperiode en 1 lux in de nachtperiode voor reclameverlichting op hun woning wordt overschreden. Verweerder heeft het wel aannemelijk geacht dat de lichtsterkte per armatuur in de avond en/of nachtperiode van de terreinverlichting meer zou bedragen dan de grenswaarde en daarom is door middel van de voorschriften deze lichtsterkte aan banden gelegd. In het besluit van 31 maart 2014 zijn zoals hiervoor al aangegeven een paar voorschriften gewijzigd dan wel vervallen. Daarbij is er bijvoorbeeld voor gekozen om geen bewegingsmelder meer voor te schrijven maar om te bepalen dat na 23.00 een verlichtingssterkte van 500 candela per armatuur geldt. Dit om ongewenste verstoring van de omgeving door het steeds veranderen van de lichtsterkte te voorkomen.

Gelet op deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangen van vergunninghouder bij het kunnen exploiteren van het tankstation dat 24 uur per dag en zeven dagen per week geopend is zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van eisers bij duisternis in de nacht en derhalve na afweging van de belangen de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Nu verweerder de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld is het beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank met inachtneming van artikel 8:74 van de Awb tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 maart 2013 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 160 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.A. Nijmeijer, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. S.A. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

De griffier, De rechter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.