Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7293

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2324
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon op grond van het sedert 1 juni 2013 geldende Dagloonbesluit. Begrip ‘verlof’ in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Dagloonbesluit te beperkt opgevat. Uit MvT blijkt niet dat de regelgever uitsluitend heeft bedoeld verlof op vrijwillige basis op initiatief van de werknemer. Verweerder dient alsnog toepassing te geven aan artikel 6 van het Dagloonbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/2324

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. L.E. Gilden),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 4 november 2013 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, berekend naar een dagloon van € 83,25.

Bij besluit van 17 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser was sinds 27 maart 1995 in loondienst werkzaam bij [rechtspersoon 1]. Per 1 juli 2013 is dit dienstverband beëindigd en per gelijke datum is eiser in dienst getreden van [rechtspersoon 2](hierna: het uitzendbureau). In het kader van dit dienstverband is hij uitgeleend aan MHB B.V. (hierna: de inlener). In verband met de verplichte bedrijfssluiting van de inlener heeft eiser in de periode van 22 juli 2013 tot 12 augustus 2013 niet gewerkt en heeft hij 3 weken onbetaald verlof genoten. Per 4 november 2013 is het dienstverband met het uitzendbureau verbroken. Op 30 oktober 2013 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser met ingang van 4 november 2013 een WW-uitkering toegekend. Verweerder heeft daarbij het dagloon met toepassing van artikel 5 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: het Dagloonbesluit) vastgesteld op € 83,25, uitgaande van de door de werkgever opgegeven inkomsten in de referteperiode van 1 juli 2013 tot en met 6 oktober 2013.

3. Eiser heeft aangevoerd dat het verlof dat hij heeft genoten in de periode van 22 juli 2013 tot 12 augustus 2013 als verlof in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Dagloonbesluit moet worden beschouwd en dat verweerder derhalve toepassing had moeten geven aan het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in casu het sedert 1 juni 2013 geldende Dagloonbesluit van toepassing is. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of bij de vaststelling van het dagloon artikel 6 van dat Dagloonbesluit moet worden toegepast, omdat eiser in een aangiftetijdvak minder loon heeft genoten in verband met verlof.

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Dagloonbesluit wordt onder verlof verstaan: een tussen de werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wazo.

5.2

In de Nota van Toelichting (Stb. 2013, nr. 185, p. 22) bij dit artikellid in het Dagloonbesluit is het volgende opgenomen:

“Onder verlof vallen verschillende vormen van overeengekomen onbetaald of (al dan niet volledig) betaald verlof. Dit kan verlof zijn in verband met diverse doeleinden. Onder dit verlof wordt niet gerekend het verlof op grond van de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wazo (zwangerschaps- en bevallingsverlof, adoptieverlof en pleegzorgverlof). Calamiteitenverlof en ander kortdurend verlof evenals het kraamverlof vallen er wel onder. Andere voorbeelden van verlof in de zin van dit besluit zijn ouderschapsverlof, zorgverlof en BAPO-verlof (Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen)”.

5.3

Artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit luidt als volgt:

“Indien de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof of omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht in verband met ziekte, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 5, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten in dezelfde dienstbetrekking in het laatste aan dat verlof of die ziekte, voorafgaande en volledig in het refertejaar gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan”.

6.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het onbetaalde verlof van eiser als gevolg van de bedrijfssluiting van 22 juli 2013 tot 12 augustus 2013 niet als verlof in de zin van artikel 6 van het Dagloonbesluit kan worden aangemerkt. Verweerder heeft verwezen naar hetgeen in de Nota van Toelichting is opgemerkt met betrekking tot het begrip ‘verlof’. Volgens verweerder dient het te gaan om verlof op vrijwillige basis op initiatief van de werknemer, zoals levensloopverlof, ouderschapsverlof, zorgverlof, calamiteitenverlof of verlof wegens vakantie indien de vakantiedagen van de werknemer niet toereikend zijn. Het door eiser opgenomen verlof valt daar niet onder, omdat er sprake was van een verplichte bedrijfssluiting bij de inlener. Als gevolg daarvan heeft eiser noodgedwongen drie weken niet kunnen werken.

6.2

De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Uit de letterlijke tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Dagloonbesluit, noch uit de Nota van Toelichting met betrekking tot het begrip ‘verlof’ valt af te leiden dat het moet gaan om een verlof op vrijwillige basis op initiatief van de werknemer. In de Nota van Toelichting worden weliswaar voorbeelden genoemd, maar niet valt in te zien dat deze opsomming uitputtend is bedoeld. Dat de vermelde voorbeelden zien op situaties als door verweerder beschreven, namelijk op vrijwillige basis en op initiatief van de werknemer, leidt niet tot een ander oordeel, nu op geen enkele wijze blijkt dat de regelgever uitsluitend dit soort verlof bedoeld heeft. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het dienstverband tussen eiser en het uitzendbureau ook tijdens het verlof van eiser is blijven bestaan en niet is beëindigd en dat het uitzendbureau, mede gelet op de door eiser overgelegde ongedateerde brief van het uitzendbureau, kennelijk heeft ingestemd met het onbetaalde verlof als gevolg van de bedrijfssluiting van de inlener. Het uitzendbureau had er immers ook voor kunnen kiezen eiser uit te lenen aan een andere inlener. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat het uitzendbureau en eiser (stilzwijgend) zijn overeengekomen dat hij geen arbeid hoefde te verrichten. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank derhalve ten onrechte geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6 van het Dagloonbesluit.

7. Met betrekking tot de finalisering van het geschil wordt overwogen dat de rechtbank niet in staat is om in de onderhavige situatie het dagloon zelf vast te stellen, nu de vereiste financiële gegevens ontbreken. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus, nu verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat de in geschil zijnde rechtsvraag principieel van aard is, dat zeker hoger beroep zal worden ingesteld bij gegrondverklaring van het beroep en dat verweerder dientengevolge niet bereid is mee te werken aan een tussenuitspraak met daarin een opdracht om het dagloon opnieuw vast te stellen.

8. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd, omdat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

9. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 487 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 aan hem vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 487.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. M.J.P. Heijmans en mr. E.M. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.