Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7292

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1218
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijk ontslag wegens samenwerkingsproblemen. Weigering aanvullende ontslagvergoeding. Verweerder heeft weliswaar bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, maar heeft hierin geen overwegend aandeel gehad. Verweerder kon volstaan met de gegarandeerde reguliere uitkeringen en de vergoeding van € 5.000 voor outplacement en/of opleidingsactiviteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/1218

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Broersma),

en

[verweerder 1][verweerder 1], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder:

- eiseres met ingang van 1 november 2013 op grond van artikel 2:18 van de [arbeidsvoorwaardenregeling] (hierna: [arbeidsvoorwaardenregeling]) voor 15 uur per week geplaatst op de functie van administratief medewerker accommodaties op de [afdeling 3], waarbij de plaatsing geschiedt onder de voorwaarde dat eiseres geen samenwerkingsproblemen veroorzaakt binnen [afdeling 3];

- haar gedurende 21 uur per week eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de [arbeidsvoorwaardenregeling] en

- in verband met dit gedeeltelijke ontslag op grond van artikel 10d:4 van de [arbeidsvoorwaardenregeling] een regeling getroffen.

Bij besluit van 13 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder – gedeeltelijk in afwijking van het advies van de Bezwarencommissie personeelsaangelegenheden [verweerder 1] - de bezwaren van eiseres voor zover gericht tegen de plaatsing, het ontslag en de getroffen regeling, ongegrond verklaard. De bij het primaire besluit opgelegde voorwaarde om gedurende de plaatsing geen samenwerkingsproblemen te veroorzaken binnen het team sport- en cultuuraccommodaties heeft verweerder ingetrokken.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Korevaar, W. van der Schaaf en drs. M.H. Breedveld.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is sinds 2000 aangesteld bij verweerder en werkzaam geweest binnen [afdeling 1] als administratief medewerker gedurende 36 uur per week. In 2004 zijn er binnen [afdeling 1]samenwerkingsproblemen ontstaan. Met ingang van 1 februari 2006 is eiseres vervolgens aangesteld als allround-medewerker dienstverlening burgerzaken bij [afdeling 2].

1.2

Bij brief van 9 november 2011 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij op 4 november 2011 zonder kennisgeving afwezig was, dat zij niet volgens de gebruikelijke procedure het verlof voor die dag heeft aangevraagd en dat zij zich bij herhaling van deze handelwijze schuldig maakt aan plichtsverzuim. Mede als gevolg hiervan is er een conflict ontstaan tussen eiseres en[Afdelingscoördinator], de sinds 2010 aangestelde [Afdelingscoördinator] (hierna: [Afdelingscoördinator]). Eiseres heeft zich ziek gemeld. Begin 2012 is een mediationtraject gestart dat in april 2012 is beëindigd zonder dat een oplossing voor het conflict is gevonden. Eiseres is in april 2012 tijdelijk tewerkgesteld als administratief medewerker op de [afdeling 3] (hierna: [afdeling 3]).

1.3

In het kader van de reorganisatie bij de gemeente heeft eiseres op 24 mei 2012 haar belangstelling kenbaar gemaakt voor de functies van baliemedewerker publiek voor 21 uur per week en daarnaast voor de overige 15 uur de functie van administratief medewerker bij [afdeling 3]. De herplaatsingscommissie heeft geadviseerd eiseres te plaatsen in de functie van baliemedewerker op [afdeling 2]. Vervolgens hebben er gesprekken plaatsgevonden over een terugkeer van eiseres bij [afdeling 2] die niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

1.4

Tussen partijen is vervolgens getracht een regeling te treffen die zou moeten leiden tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Partijen hebben in dit verband over en weer voorstellen gedaan, maar dit heeft niet geleid tot een minnelijke regeling.

1.5

Bij brief van 28 juni 2013 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om haar met ingang van 1 november 2013 gedurende 15 uur per week te plaatsen op de functie van administratief medewerker accommodaties bij [afdeling 3]. Tevens heeft verweerder meegedeeld dat het voornemen bestaat om eiseres met ingang van die datum eervol ontslag te verlenen voor 21 uur per week wegens onverenigbaarheid van karakters. Op 8 juli 2013 is eiseres over dit voornemen gehoord. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit voornemen uitgevoerd en in verband met het gedeeltelijke ontslag de volgende regeling getroffen:

- een bedrag van € 5.000 beschikbaar te stellen voor outplacement en/of opleidingsactiviteiten; - met ingang van 1 november 2013 gedurende de periode waarin eiseres recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) een aanvullende uitkering toe te kennen als bedoeld in paragraaf 6 van artikel 10d van de [arbeidsvoorwaardenregeling];

- aansluitend hieraan een na-wettelijke uitkering toe te kennen als bedoeld in paragraaf 7 van genoemd artikel.

2. Gelet op het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de aanstelling bij [afdeling 3] voor 15 uur per week en het ontslag voor 21 uur per week niet langer in geschil zijn. Verder is niet in geschil verweerders weigering om eiseres een vergoeding van de kosten voor juridische bijstand en reiskosten toe te kennen. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd aan eiseres, naast de in het bestreden besluit getroffen regeling, een aanvullende ontslagvergoeding toe te kennen.

3.1

Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar een aanvullende ontslagvergoeding moet worden toegekend van € 17.550,-. Ter vaststelling van dit bedrag heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 februari 2013 en de daarin beschreven formule voor de berekening van de ontslagvergoeding. Volgens eiseres heeft verweerder een zeer groot, overwegend aandeel gehad in het bestaan en voortbestaan van de tussen partijen ontstane impasse. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt waarom eiseres, na het vertrek van [Afdelingscoördinator] niet zou mogen terugkeren, omdat collega’s niet meer met eiseres wilden samenwerken. Eiseres heeft voorts verwezen naar het rapport “Verslag onderzoek en aanbevelingen Afdeling Publiekszaken” van 19 september 2012. Volgens eiseres ligt het aandeel van verweerder tussen de 80-100%, hetgeen correspondeert met factor 1 van de formule. Gelet voorts op het bruto maandsalaris van eiseres en het aantal dienstjaren heeft zij recht op het hiervoor genoemde bedrag.

3.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende inspanningen zijn gepleegd om het gerezen arbeidsconflict met eiseres op te lossen, zodat er geen sprake is van een overwegend aandeel van verweerder. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat er al eerder samenwerkingsproblemen zijn geweest met eiseres, dat persoonlijke factoren bij eiseres de belangrijkste factor vormden en dat conflictbemiddelaar Wielemaker de opdracht heeft teruggegeven omdat eiseres niet in staat bleek aan een oplossing te werken. Voorts heeft eiseres zelf aangegeven niet te willen terugkeren bij [afdeling 2]. Verweerder heeft zich bovendien ingespannen voor eiseres onder andere door haar te wijzen op passende vacatures bij de Omgevingsdienst Noord-Veluwe. Van een toegezegd coachingstraject dat door verweerder niet is nagekomen, zoals door eiseres op de hoorzitting is verklaard, is geen sprake geweest.

4. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 9 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8173) is een uitkeringsregeling op minimumniveau alleen dan onvoldoende, als komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of als een uitkering op dat niveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht. Het gaat hierbij niet om volledige schadevergoeding, maar om compensatie voor het aandeel van het bestuursorgaan. Daarbij is ook het aandeel van de ambtenaar van betekenis. In de uitspraak van 28 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) heeft de CRvB uitgangspunten vastgesteld voor het bepalen van de toe te kennen compensatie (de zogenoemde plus). Voor de berekening van de hoogte van de vergoeding is van belang de mate van het overwegend aandeel van het bestuursorgaan, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de bandbreedten 51 tot 65% (factor 0,5), 65 tot 80% (factor 0,75) en 80 tot 100% (factor 1). Voorts zijn van belang de hoogte van het maandsalaris en de duur van het dienstverband, waarbij het aantal dienstjaren wordt gedeeld door 2. Voor het meewegen van andere factoren, zoals kansen op de arbeidsmarkt, gezondheidstoestand en reputatieschade bestaat in beginsel geen aanleiding.

5. De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat er in de periode 2004 en 2005 samenwerkingsproblemen zijn ontstaan binnen [afdeling 1] waar eiseres destijds werkzaam was, en dat deze problemen mede veroorzaakt zijn door houding, gedrag en uitstraling van eiseres. In deze periode zijn met eiseres begeleidende gesprekken gevoerd om verbetering in de samenwerking te krijgen, doch dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid, maar tot plaatsing van eiseres op [afdeling 2]. Na de aanstelling in 2010 van [Afdelingscoördinator] als coördinator van die afdeling zijn er wederom samenwerkingsproblemen ontstaan. Op vrijdag 4 november 2011 heeft eiseres verlof opgenomen, zonder de hiervoor gebruikelijke - en ook bij eiseres bekende - procedure te volgen. Dat eiseres moe was en in overleg met een collega dit verlof geregeld had, vormt geen rechtvaardiging voor afwijking van de binnen de afdeling geldende procedure. Dat geldt te meer nu eiseres al (samenwerkings)problemen had met [Afdelingscoördinator]. Eiseres heeft ook geweigerd de door verweerder naar aanleiding hiervan opgestelde brief van 9 november 2011 tijdens een gesprek op die dag in ontvangst te nemen en zij heeft deze door verweerder vervolgens aangetekend verzonden brief niet afgehaald. Deze opstelling van eiseres is naar het oordeel van de rechtbank, ook in licht van de hiervoor genoemde problemen, onbegrijpelijk. De verwijzing van eiseres naar privé omstandigheden, waaronder een echtscheiding, maakt dit niet anders. Als eiseres door deze omstandigheden niet in staat was te functioneren, op een wijze die van een ambtenaar verwacht mag worden, dan had zij zich ziek kunnen melden. Overigens heeft eiseres de gestelde problemen en de gevolgen daarvan niet met (medische) stukken onderbouwd. Een ingeschakelde conflictbemiddelaar van [bedrijf] heeft de opdracht om te bemiddelen aan verweerder teruggegeven met als reden dat eiseres niet in staat zou zijn om aan een oplossing van het conflict te werken. In gesprekken die daarna in de loop van 2012 met eiseres zijn gevoerd, heeft zij aangegeven niet terug te willen naar [afdeling 2]. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat eiseres niet in staat is gebleken op een constructieve wijze bij te dragen aan de oplossing van de samenwerkingsproblemen en dat haar daarvan een verwijt treft.

6. Uit het rapport [rapport] van 19 september 2012 volgt dat [afdeling 2] zich laat kenmerken door een gesloten cultuur, dat medewerkers aangeven zich niet thuis te voelen en niet gehoord te worden, dat het ziekteverzuim hoog is en dat er sprake is van langdurige ziektegevallen en arbeidsconflicten. Aan verweerder kan worden verweten dat hij deze situatie heeft laten ontstaan en onvoldoende (voortvarend) heeft ingegrepen. Voorts heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt dat na het vertrek van [Afdelingscoördinator] terugkeer van eiseres naar [afdeling 2] niet mogelijk was, omdat de andere medewerkers van die afdeling niet met eiseres wilden of konden samenwerken.

7. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5 en 6 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder weliswaar heeft bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag van eiseres heeft geleid, maar hierin geen overwegend aandeel heeft gehad. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat verweerder een bemiddelingstraject is gestart en begeleidingsgesprekken met eiseres heeft gevoerd. Ook heeft verweerder eiseres elders in de organisatie tewerk gesteld, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat eiseres bij [afdeling 3] is aangesteld. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder haar een coachingstraject heeft toegezegd, hetgeen uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft daarom kunnen volstaan met de aan eiseres gegarandeerde reguliere uitkeringen en de vergoeding van

€ 5.000 voor outplacement en/of opleidingsactiviteiten.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. M.J.P. Heijmans en mr. E.M. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.