Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7288

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2740
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Beroep tegen naheffingsaanslagen. Grond voor naheffing, nu eiseres is uitgegaan van koerslijstwaarde minus volledige schade en aldus de waarde van de auto’s onjuist heeft bepaald. In de naheffingsfase staat het eiseres vrij een beroep op de koerslijstwaarde te doen bij wijze van verweer, ook als in de aangifte is geopteerd voor een taxatierapport. Verweerder is niet gehouden de lagere koerslijstwaarde te volgen. Beroep op gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel wordt afgewezen. Geen twijfel over onafhankelijkheid hertaxateur. Motivering in een geval ontoereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2450
FutD 2015-0274
NTFR 2015/1552 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 14/2740 en 14/3420

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 november 2014

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z], eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 2 december 2013 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 6.634.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 april 2014 de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.627.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 15 april 2014, ontvangen door de rechtbank op 17 april 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft aan eiseres op 5 november 2013 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [001]) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.588.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 mei 2014 de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.414.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 mei 2014, ontvangen door de rechtbank op 22 mei 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en twee verweerschriften ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde], [A], [B], [C], [D] en [E].

Op die zitting zijn gelijktijdig met de onderhavige zaken ook zeven andere zaken van eiseres behandeld met de zaaknummers 13/7210, 13/7211, 13/7212, 13/7213, 14/538, 14/540 en 14/541.

Overwegingen

Feiten

Auto 1 (zaaknummer 14/2740)

1. Eiseres heeft op 7 januari 2013 in Duitsland een personenauto van het merk Volvo, type [F] (hierna: auto 1) gekocht voor een bedrag van € 24.789,92.

2. Op 14 mei 2013 heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM ter zake van auto 1. In de berekening bij de aangifte is onder 3. bij de vraag welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de bpm “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van ing. [G], werkzaam bij [H] B.V.. Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto berekend op € 20.697. Deze waarde is berekend door aan de hand van de koerslijstwaarde van [g] van € 32.782 een afschrijvingspercentage te berekenen. Dit percentage, 71,9%, is vervolgens in mindering gebracht op de consumentenprijs van € 89.995. Op het aldus resterende bedrag van € 25.300 is een bedrag aan schade van € 4.603 in mindering gebracht. Eiseres heeft € 8.989 aan verschuldigde BPM op aangifte voldaan.

3. Ter zake van auto 1 heeft verweerder een bedrag van € 6.634 nageheven. Hierbij is de handelsinkoopwaarde van de auto vastgesteld op € 42.000. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op een taxatie van [I] (hierna: [I]). Dit bedrag is bepaald door vergelijking van auto 1 met twee referentievoertuigen. Op basis daarvan is de verkoopwaarde bepaald op € 55.000. Na aftrek van een bedrag aan schade van € 3.500 en een handelsmarge van € 9.500 resteert het bedrag van € 42.000. Na bezwaar is de naheffing verminderd tot € 6.627 in verband met het hanteren van een andere netto catalogusprijs.

Auto 2 (zaaknummer 14/3420)

4. Eiseres heeft op 9 januari 2013 in België een personenauto van het merk Volvo, type [J] (hierna: auto 2) gekocht voor een bedrag van € 8.300. De cataloguswaarde van auto 2 inclusief accessoires bedraagt € 97.485.

5. Op 14 januari 2013 heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM ter zake van auto 2. In de berekening bij de aangifte is onder 3. bij de vraag welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de bpm “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is ook een taxatierapport gevoegd van [K], werkzaam bij [L] b.v. (hierna: [L]). Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto berekend op € 3.440 en de verschuldigde BPM op € 905. Deze waarde is berekend door op de koerslijstwaarde van [g] van € 11.209 een bedrag aan schade van € 7.769 in mindering te brengen. Eiseres heeft € 908 aan verschuldigde BPM op aangifte voldaan.

6. Ter zake van auto 2 heeft verweerder een bedrag van € 2.588 nageheven. Hierbij is de handelsinkoopwaarde van de auto vastgesteld op € 13.250. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op een taxatie van [I]. Dit bedrag is bepaald door vergelijking van auto 2 met zes referentievoertuigen. Op basis daarvan is de verkoopwaarde bepaald op € 19.500. Na aftrek van een bedrag aan schade van € 3.200 en een handelsmarge van € 3.050 resteert het bedrag van € 13.250. Na bezwaar is de naheffing verminderd tot € 2.414 in verband met toepassing van het tussentijdse tarief van 2009.

Geschil

7. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd en deugdelijk zijn gemotiveerd. Meer in het bijzonder is in geschil (samengevat):

  • -

    of de hertaxatierapporten van [I] voldoende en juist zijn gemotiveerd;

  • -

    de hoogte van de schade;

  • -

    of schade op de koerslijstwaarde in mindering mag worden gebracht;

  • -

    of de schade vóór of ná toepassing van een handelsmarge dient te worden verrekend;

  • -

    de vraag of eiseres zich thans nog mag beroepen op de waarde van de koerslijst als die lager is dan de door verweerder getaxeerde waarde;

  • -

    het recht op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;

  • -

    de catalogusprijs (zaak 14/2740);

  • -

    de vraag of de volledige gecalculeerde schade in mindering dient te worden gebracht op de waarde van de auto (zaak 14/3420);

  • -

    de bruikbaarheid van de koerslijst [M] (zaak 14/3420).

Beoordeling van het geschil

8. De bewijslast om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en niet te hoog zijn rust op verweerder.

Grond voor naheffing?

9. Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of er een grond voor naheffing bestaat. In beide zaken heeft eiseres op aangifte BPM voldaan. Op grond van artikel 10, zevende lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) wordt - zakelijk gezegd - bij de aangifte een opgaaf gedaan van de gegevens die zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs. Die afschrijving vormt de vermindering van de BPM. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. Bij de aangiften heeft eiseres telkens gekozen voor vaststelling van de vermindering van de BPM op basis van een taxatierapport. De daarbij gehanteerde methode bestaat telkens uit het bepalen van de waarde aan de hand van een koerslijst, waarna - al dan niet met een tussenstap - een bedrag aan schade op de waarde in mindering is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee niet op juiste wijze de waarde van de auto’s bepaald.

10. Een koerslijst is wezenlijk iets anders dan een taxatierapport. Dit vloeit in de eerste plaats voort uit de tekst van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling). Het vierde lid van dat artikel (tot 1 januari 2013 het vijfde lid) luidt als volgt:

“De opgaaf, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de wet, bestaat uit:

a. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet is ontleend;

of

b. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:

- dat is opgemaakt ten hoogste een maand vóór het tijdstip dat de belasting ingevolge artikel 1 van de wet is verschuldigd, in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert, door een onafhankelijke, erkende taxateur, waaruit inzichtelijk en gedetailleerd de waarde blijkt bij inkoop van het motorrijtuig door een wederverkoper in Nederland; en

- dat is voorzien van een verklaring van de taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht.

Bij het doen van de opgaaf wordt slechts gebruikgemaakt van de gegevens van niet meer dan één koerslijst als bedoeld onder a.”

In de Uitvoeringsregeling wordt derhalve uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen een koerslijst en een taxatierapport. Daaraan doet de laatste zin van het hiervoor geciteerde artikellid niet af. Die zin stelt naar het oordeel van de rechtbank niet de mogelijkheid open in alle zaken een koerslijst over te leggen, maar beoogt slechts - wanneer wordt geopteerd voor een koerslijst - het aantal te beperken tot één. Er wordt immers niet gesproken over één koerslijst, maar over “niet meer dan één koerslijst”.

11. De stelling van eiseres dat in de koerslijst diverse specificaties van de individuele auto worden verwerkt, waardoor wel degelijk een individuele waardebepaling plaatsvindt, leidt niet tot een ander oordeel. Een taxatie betreft een specifiek oordeel over de waarde van de desbetreffende auto, op basis van een fysieke opname van het desbetreffende motorrijtuig. Een koerslijst geeft een gemiddelde waarde weer van de in de onderliggende database opgenomen auto’s die aan dezelfde kenmerken voldoen, maar derhalve niet van de desbetreffende auto. Er heeft geen (kenbare) vertaalslag plaatsgevonden tussen die gemiddelde waarden en de waarde van de te taxeren auto. De waardebepaling is daarmee niet voldoende geïndividualiseerd, nog daargelaten dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de taxateur met kenmerken omgaat die niet in de koerslijst worden meegenomen. De stelling van eiseres dat de taxateur controleert of de koerslijstwaarde ook in het onderhavige geval passend is, is niet onderbouwd. Uit de taxatierapporten blijkt dit ook niet: in beide gevallen is zonder nadere toelichting exact de koerslijstwaarde overgenomen en vervolgens - al dan niet na een herrekening op basis van de consumentenprijs - een bedrag gelijk aan de volledige schade in mindering gebracht. Ook dit laatste acht de rechtbank overigens onjuist. Weliswaar is de omvang van de schade wel geïndividualiseerd, maar ten onrechte heeft de taxateur geen rekening gehouden met het feit dat iedere auto na verloop van tijd gebruikssporen heeft. Aannemelijk is dan ook dat, zoals verweerder heeft gesteld, in de koerslijstwaarde reeds enige gebruiksschade is verdisconteerd. Door de gehele schade, inclusief het deel dat als gebruikssporen moet worden beschouwd, in mindering te brengen op de koerslijstwaarde dan wel een van de koerslijstwaarde afgeleide waarde, vindt dus een dubbeltelling in de aftrek plaats.

12. Gelet op het voorgaande bestaat er in beginsel in beide zaken een grond voor naheffing, nu aannemelijk is dat de waarde van de auto’s, en daarmee de afschrijving, door eiseres onjuist is bepaald.

Later beroep op koerslijst

13. Eiseres heeft ook de hoogte van de naheffingsaanslagen betwist. Zij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat het haar vrij staat, los van de gemaakte keuze bij de aangifte, bij wijze van verweer tegen de naheffingsaanslagen te wijzen op de koerslijstwaarde en de hoogte van de schade.

14. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit het bepaalde in artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM voort dat eiseres in het aangiftetraject (inclusief eventueel bezwaar en beroep) niet kan terugkomen op een eenmaal gemaakte keuze voor de wijze van bepaling van de afschrijving. Uit het artikel blijkt niet dat verweerder geen rekening mag houden met andere gegevens. Het aangiftetraject is in de onderhavige gevallen geëindigd met de voldoening op aangifte. Daarna heeft verweerder een nieuw traject in gang gezet om te komen tot de naheffing. Immers, de grondslag voor de voldoening op aangifte is artikel 1 van de Wet BPM, terwijl de grondslag voor de naheffing is gelegen in artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Dit wordt bevestigd door het oordeel van de Hoge Raad in HR 28 juni 2013, ECLI: NL:HR:2013:64. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat naheffing reeds mogelijk is voordat de registratie van het voertuig heeft plaatsgevonden, nu de belasting verschuldigd wordt bij het doen van aangifte en op dat moment op grond van artikel 20, eerste lid, van de AWR de bevoegdheid tot naheffing ontstaat. Dat sprake is van gescheiden trajecten blijkt ook uit de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 29 mei 2009, ECLI: NL:GHSHE:2009:BJ3817.

15. Het voorgaande brengt mee dat eiseres ter bestrijding van de juistheid van de waarde in het kader van de naheffing mag verwijzen naar een koerslijstwaarde. Dit betekent echter niet dat verweerder, wanneer eiseres ter zake van de naheffing een beroep doet op een koerslijstwaarde, gehouden is die waarde als uitgangspunt te nemen, ook niet als deze waarde lager is dan de door verweerder vastgestelde waarde. Van doorslaggevende betekenis is dat de desbetreffende auto niet mag worden onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde auto. Verweerder mag geen gebruik maken van een stelsel waarbij niet wordt uitgesloten dat deze situatie zich voordoet (vgl. Hoge Raad 10 juli 2009, ECLI: NL:HR:2009:BJ2012 en ECLI: NL:HR:2009:BJ1971), maar dit betekent niet dat onder alle omstandigheden van de laagst denkbare waarde van de auto en/of de hoogst denkbare afschrijving moet worden uitgegaan. Er hoeft immers op de later ingevoerde auto ook niet minder BPM te rusten dan op een vergelijkbare reeds geregistreerde auto. Dit is ook onwenselijk, gelet op het neutraliteitsbeginsel. Als immers op een later ingevoerde auto minder BPM rust dan op een reeds op het nationale grondgebied geregistreerde auto, werkt dit evenzeer marktverstorend. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de door hem gekozen methode niet leidt tot een situatie waarin niet is uitgesloten dat de auto’s ter zake waarvan eiseres aangifte heeft gedaan worden onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde auto. Hij is vrij in de wijze waarop hij dit aannemelijk maakt, zo zeer als het eiseres vrij staat de methode te kiezen waarmee zij dit betwist.

16. Verweerder heeft bij de naheffingsaanslagen, evenals eiseres bij de aangiften, gekozen voor het onderbouwen van de waarden van de auto’s met taxatierapporten (waarbij de rechtbank voor de taxatierapporten die zijdens verweerder zijn gebruikt de term “hertaxatierapporten” zal gebruiken). Reeds gelet op het feit dat ook eiseres heeft gekozen voor taxatierapporten, moet het ervoor worden gehouden dat deze methode op zichzelf beschouwd niet leidt tot een situatie waarin niet is uitgesloten dat de auto’s ter zake waarvan eiseres aangifte heeft gedaan worden onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde auto. Dat de koerslijstwaarden van de auto’s lager zijn, betekent niet dat daarmee reeds geoordeeld moet worden dat die situatie zich wel voordoet. Dit heeft te maken met de aard van de koerslijst, waarover hiervoor reeds is overwogen: de koerslijst geeft een gemiddelde waarde van auto’s die in de onderliggende database zijn opgenomen. Het enkele gegeven dat vergelijkbare auto’s in de koerslijst een lagere waarde hebben is niet voldoende om de juistheid van de taxatie van de specifieke auto te weerleggen. Bij ieder hertaxatierapport zal afzonderlijk de motivering dienen te worden beoordeeld.

17. In dit kader heeft eiseres voorts aangevoerd dat verweerder in andere zaken het beleid hanteert dat hij gedurende de naheffingsfase de belastingplichtige in de gelegenheid stelt alsnog een koerslijst over te leggen, en, zo begrijpt de rechtbank, in geval van overlegging van de koerslijst de waarde volgt die daaruit voortvloeit wanneer die lager is dan de door verweerder getaxeerde waarde. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling 99 bestanden (op een usb-stick) aangeleverd van 99 zaken van andere belastingplichtigen. Verweerder heeft aangevoerd dat de gemachtigde van eiseres zijn geheimhoudingsplicht schendt en stukken overlegt waartoe hij geen toegang kan hebben. Eiseres heeft beide aspecten gemotiveerd betwist. Anders dan verweerder meent, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding deze stukken buiten beschouwing te laten.

18. Nog daargelaten of sprake is van onrechtmatig dan wel onbevoegdelijk verkregen bewijsmateriaal, is de rechtbank van oordeel dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de belastingrechter daarvan kennis neemt wanneer dit materiaal van eiseres afkomstig is, behoudens voor zover de overlegging van de stukken in strijd zou komen met de beginselen van een goede procesorde. Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. Verweerder heeft op de stukken kunnen reageren en niet is aannemelijk geworden dat dit - bijvoorbeeld door de beperking in de bevoegdheden van verweerder om in te gaan op individuele zaken - is bemoeilijkt. Een eventuele schending door eiseres of haar gemachtigde van een geheimhoudingsplicht staat aan kennisneming van de stukken door de belastingrechter evenmin in de weg, nu daaruit ten hoogste een civielrechtelijke aansprakelijkheid van de gemachtigde van eiseres jegens de desbetreffende belastingplichtigen zou kunnen voortvloeien, maar dit niet afdoet aan de inhoud van de stukken.

19. In de genoemde 99 zaken heeft verweerder op enig moment (vaak zelfs op verschillende momenten) in de naheffingsprocedure de gelegenheid aan de belastingplichtige geboden (alsnog) een koerslijst over te leggen, maar in slechts tien van deze gevallen (auto’s met chassisnummers eindigend op 3452, 4449, 5482, 6407, 7303, 7309, 7863, 7998, 9255 en 9592) blijkt dat door de desbetreffende belastingplichtige vervolgens een koerslijst is overgelegd en dat verweerder die ook gevolgd heeft. Mogelijk is daarvan eveneens sprake in de zaken met bestandsnamen “[N]” en “[O]”, maar geheel duidelijk is dat niet. Daarnaast is in vier zaken uitdrukkelijk door verweerder aangegeven dat als een koerslijst wordt overgelegd, deze ook gevolgd zal worden (auto’s met chassisnummers eindigend op 2724, 2858, 4125 en 9472, bestanden “[P]”, “[a]”, “[b]” en “[c]”). In de zaak van de auto met chassisnummer eindigend op 5619 (bestand “[d]”) lijken andere factoren een rol te spelen, zoals een tussentijds tarief, zodat daaruit naar het oordeel van de rechtbank geen conclusies kunnen worden getrokken voor de onderhavige zaken. In de zaken van de auto’s met chassisnummer eindigend op 1032 en 8173 (bestanden “[e]” en “[f]”) heeft verweerder kennelijk relevant geacht dat geen sprake was van schade aan de auto. In een aantal zaken heeft verweerder de afschrijvingstabel toegepast, omdat die leidde tot een gunstiger uitkomst. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het gebruikelijk is om bij de aankondiging van een naheffing de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden alsnog een koerslijst over te leggen. Dit is gedurende een aantal maanden verzuimd. In die gevallen is die mogelijkheid alsnog geboden in de bezwaarfase, maar dit is slechts tijdelijk het geval geweest, aldus verweerder.

20. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Een beroep daarop kan alleen slagen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen voortkomend uit een door verweerder gevoerd begunstigend beleid of uit een oogmerk van begunstiging, dan wel wanneer in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven (de meerderheidsregel).

21. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, staat de wet toe dat eiseres in het kader van de naheffing alsnog een koerslijst overlegt, ook als bij de aangifte is gekozen voor waardering op grond van een taxatierapport. De brieven van verweerder waarin belastingplichtigen op die mogelijkheid zijn gewezen voegen in zoverre dan ook niets toe. Het feit dat in de onderhavige zaken niet uitdrukkelijk de mogelijkheid is geboden een koerslijst over te leggen rechtvaardigt niet de conclusie dat verweerder, indien eiseres niettemin een koerslijst had overgelegd, deze ongelezen terzijde zou hebben geschoven. Dat door het noch voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, noch in de bezwaarfase uitdrukkelijk bieden van de gelegenheid tot het overleggen van een (nieuwe) koerslijst sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, heeft eiseres dan ook niet aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat indien zij in de gelegenheid was gesteld een (nieuwe) koerslijst over te leggen, zij van die mogelijkheid gebruik zou hebben gemaakt én dat verweerder die vervolgens aan de naheffingsaanslag ten grondslag zou hebben gelegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat in een overgrote meerderheid van de 99 zaken waarnaar eiseres verwijst door de desbetreffende belastingplichtigen, die alle werden bijgestaan door dezelfde gemachtigde als eiseres, geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid alsnog een nieuwe koerslijst over te leggen. Ook in de onderhavige zaken heeft eiseres, behoudens bij de taxatierapporten ter zake van de aangiften, in de naheffingsfase geen koerslijsten overgelegd. Bovendien bestaat tussen partijen in beide zaken een verschil in de gehanteerde historische consumentenprijs, wat betekent dat niet valt uit te sluiten dat verweerder, indien dezelfde koerslijsten opnieuw waren overgelegd, zou hebben geconcludeerd dat de koerslijsten niet gebruikt kunnen worden, zoals hij ook in enkele van de 99 zaken heeft gedaan. Voor auto 1 is de historische consumentenprijs ook thans nog in geschil en ook voor auto 2 is sprake van een significant verschil. In zoverre zijn deze twee zaken geen gelijke gevallen ten opzichte van de zaken waarin belastingplichtigen wel een koerslijst in de naheffingsfase hebben overgelegd waarmee verweerder kon instemmen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

22. Voor zover eiseres met de verwijzing naar de 99 zaken (tevens) een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft beoogd, overweegt de rechtbank dat geen van de in overweging 19. genoemde zaken betrekking heeft op voertuigen van eiseres. Op welke wijze bij eiseres het vertrouwen zou zijn gewekt dat bij overlegging van een koerslijst van de desbetreffende waarde zou worden uitgegaan, is niet toegelicht. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij haar op enig moment het gerechtvaardigde vertrouwen is opgewekt dat zij een koerslijst zou mogen overleggen (zij heeft dat, zoals overwogen, ook niet uit zichzelf gedaan) dan wel dat

anderszins van een koerslijstwaarde zou worden uitgegaan door verweerder. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

Motivering van de hertaxaties

23. Eiseres is van mening dat de hertaxatierapporten niet kunnen dienen voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarden, omdat in de rapporten onvoldoende verifieerbare gegevens zijn vermeld en onjuiste uitgangspunten worden gehanteerd.

24. Voor auto 1 zijn gegevens van twee referentievoertuigen gebruikt. Een aantal basisgegevens van de referentievoertuigen is in het hertaxatierapport van [I] vermeld, waaronder maand en bouwjaar, kilometerstand en vraagprijs. Eiseres heeft echter terecht opgemerkt dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe uit die gegevens de verkoopwaarde van € 55.000 kan worden afgeleid. De gemiddelde vraagprijs van de twee aangeboden referentieauto’s bedraagt ruim € 42.000. Weliswaar zijn de referentieauto’s iets ouder (in één geval ruim een jaar) en is de kilometerstand van beide referentieauto’s wat hoger, maar het verschil van afgerond € 13.000 is niet nader toegelicht en daarmee onvoldoende inzichtelijk onderbouwd. Gelet hierop heeft verweerder de waarde van de auto, en daarmee de juistheid van de naheffingsaanslag, niet aannemelijk gemaakt.

25. Voor auto 2 zijn gegevens van zes referentievoertuigen gebruikt. Dit betreft referentieauto’s die bij handelaren te koop staan, waaronder een auto die bij eiseres te koop staat. Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat de vast te stellen waarde de waarde is bij aankoop van een particulier en dat die niet kan worden afgeleid uit een vraagprijs van een handelaar. Zij verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 november 2009, ECLI: NL:HR:2009:BK3079. De rechtbank is van oordeel dat de lezing van eiseres van die uitspraak te strikt is. Uitgangspunt is dat moet worden vergeleken met een auto die door een handelaar op de Nederlandse markt wordt ingekocht. Verweerder heeft aangevoerd dat dergelijke gegevens niet direct voorhanden zijn, waardoor deze moeten worden afgeleid uit de gegevens die wel beschikbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak van de Hoge Raad niet voortvloeit dat een dergelijke benadering in het geheel niet is toegestaan, zolang er maar voor wordt gewaakt dat in de waarde de eventuele marge is opgenomen die de handelaar bij verkoop van die auto realiseert en de systematiek er niet toe leidt dat de auto aan een hogere belasting wordt onderworpen dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde auto. Naar het oordeel van de rechtbank staat er op zich niets aan in de weg auto’s die te koop worden aangeboden op de Nederlandse markt als referentievoertuig te gebruiken, in die zin dat daaruit een (ruwe) indicatie van de waarde in onbeschadigde staat kan worden afgeleid. In dit geval heeft verweerder in zijn berekening rekening gehouden met een ruime handelsmarge ten opzichte van de gehanteerde vraagprijs. Eiseres heeft de juistheid van die marge slechts betwist voor zover het de systematiek betreft dat in het hertaxatierapport eerst een bedrag voor schade is afgetrokken en daarna de handelsmarge. Zij heeft niet nader onderbouwd dat aldus met een te lage handelsmarge rekening wordt gehouden. De juistheid van de gehanteerde handelsmarge is daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist. Aan de verwijzing naar de waarde volgens de koerslijst [M] komt in dat licht geen zelfstandige betekenis toe, zodat de vraag over de bruikbaarheid daarvan geen beantwoording behoeft.

26. Eiseres heeft aangevoerd dat bij de berekening van het afschrijvingspercentage een vergelijking dient te worden gemaakt met referentievoertuigen die, evenals de auto van eiseres, parallel zijn ingevoerd. Deze niet-officieel ingevoerde auto’s zijn in de handel zijnde voertuigen en derhalve nationale producten in de zin van artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Niet is uitgesloten dat de referentieauto’s officieel zijn ingevoerd, wat betekent dat voor die auto’s de volledige (historische) bruto BPM is betaald. Bij uitvoer wordt op die auto’s meer BPM retour ontvangen, wat maakt dat die auto’s gewilder en dus meer waard zijn. Door de auto van eiseres te vergelijken met officieel ingevoerde auto’s wordt een onjuiste maatstaf gehanteerd, aldus eiseres. Zij verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 21 februari 2012, ECLI: NL:GHLEE:2012:BV7735.

27. Naar het oordeel van de rechtbank berust de stelling van eiseres op een onjuiste lezing van voornoemde uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden. Het hof heeft de regeling zoals die gold in 2010 getoetst en het toenmalige artikel 10b van de Wet BPM in strijd met het Europese recht geoordeeld. Het hof heeft overwogen dat de vergelijking zich niet beperkt tot gelijksoortige auto’s die op het tijdstip van eerste ingebruikname in Nederland zijn geregistreerd. Dit betekent dat een onderscheid waarbij op voorhand wordt uitgesloten dat met parallel ingevoerde auto’s wordt vergeleken in strijd is met artikel 110 van het VWEU. De rechtbank legt de uitspraak van het hof aldus uit dat zowel officieel als parallel ingevoerde auto’s kunnen dienen als referentieauto’s. Uit niets blijkt dat verweerder zich bij de vergelijking heeft beperkt tot officieel ingevoerde auto’s. Eiseres heeft ook geen argumenten aangevoerd die daarop wijzen. Tot de referentieauto’s behoort onder meer een auto uit haar eigen aanbod. Eiseres heeft niet kenbaar gemaakt of dit een officieel dan wel parallel ingevoerde auto betreft. In twee van de gelijktijdig met de onderhavige zaken behandelde zaken (zaaknummers 13/7210 en 13/7213) heeft verweerder de desbetreffende auto (mede) als referentie gebruikt. Dit betreft in beide gevallen een parallel ingevoerde auto. De taxateur van verweerder beperkt zich bij de referenties derhalve niet tot officieel ingevoerde auto’s. Dat de mogelijkheid bestaat dat door de vergelijking met referentieauto’s in individuele zaken alleen met officieel ingevoerde auto’s wordt vergeleken maakt de methode niet onbruikbaar en maakt niet dat geconcludeerd moet worden dat deze systematiek ertoe leidt dat de auto aan een hogere belasting wordt onderworpen dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde auto. Ook de officieel ingevoerde auto is immers een reeds op het nationale grondgebied geregistreerde auto en kan in voorkomend geval de referentieauto zijn die qua eigenschappen het dichtst aanleunt tegen de auto waarvan de waarde moet worden bepaald.

28. Ter zake van de hoogte van de aftrek voor schade overweegt de rechtbank dat verweerder voor auto 2 een aftrek heeft toegepast van € 3.200. Partijen zijn het eens over de te hanteren methode (eerst de waarde in onbeschadigde staat bepalen, dan een bedrag voor schade aftrekken), zodat de rechtbank dit uitgangspunt zal volgen. Eiseres heeft de hoogte van het bedrag op twee gronden betwist. In de eerste plaats voert zij aan dat het schadebedrag hoger is, te weten € 7.769, in de tweede plaats is zij van mening dat de volledige schade in mindering dient te worden gebracht op de waarde van het voertuig in onbeschadigde staat. [I] is uitgegaan van een schade van € 3.925,42, maar heeft hiervan niettemin slechts € 3.200 op de waarde van de auto in mindering gebracht.

29. Gelet op de aard van de schade (steenslag, enkele deukjes, enkele krassen en een aantal overwegend lichte beschadigingen) in verhouding tot leeftijd en kilometerstand van de auto (bouwjaar 2006, 180.532 km.) is de rechtbank van oordeel dat eiseres de juistheid van de aftrek door verweerder onvoldoende gemotiveerd en geloofwaardig heeft betwist. Daaraan doet niet af dat de taxateur van verweerder niet het gehele bedrag aan schade op de waarde in mindering heeft gebracht. De rechtbank acht het aannemelijk dat niet elke euro die aan schadeherstel wordt besteed leidt tot een waardevermeerdering van de auto met een euro. Omgekeerd betekent dit naar het oordeel van de rechtbank ook dat niet elke euro aan kosten tot een waardevermindering van de auto met een euro leidt. De vergelijking met de civiele jurisprudentie ter zake van schadevergoeding gaat niet op, nu niet de schade, maar de waarde van de auto dient te worden vastgesteld. Bij de beantwoording van de vraag wat iemand bereid is voor een auto met schade te betalen spelen meer aspecten een rol dan de nominale kosten van volledig schadeherstel met nieuwe onderdelen.

30. Verweerder heeft gelet op het voorgaande aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde van auto 2, en daarmee de naheffingsaanslag, niet te hoog is vastgesteld.

Waarde van de auto’s

31. Verweerder heeft de waarde van auto 2 aannemelijk gemaakt. De waarde van auto 1 heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Hiervoor is echter reeds geoordeeld dat er wel een grond voor naheffing bestaat. De rechtbank is van oordeel dat eiseres evenmin de door haar bepleite waarde van auto 1 aannemelijk heeft gemaakt. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen daarover in de overwegingen 9. tot en met 12. is opgemerkt.

32. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de waarde van auto 1 in goede justitie zal bepalen. Met inachtneming van al het voorgaande en hetgeen hierna wordt overwogen over de historische nieuwprijs stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde van auto 1 schattenderwijs vast op € 34.000.

Herberekening naheffingsaanslag

33. Ter zake van auto 1 dient een herberekening van de hoogte van de naheffingen plaats te vinden. Daarvoor dient het afschrijvingspercentage te worden bepaald. Hiertoe dient duidelijkheid te komen over de te hanteren catalogusprijs in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM. Deze vormt de basis voor de berekening van de afschrijving.

34. Partijen verschillen van mening over de te hanteren catalogusprijs. Gelet op het als bijlage 7 bij het verweerschrift overgelegde “geboortekaartje” is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door hem genoemde catalogusprijs / historische nieuwprijs van € 120.560 voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit betekent dat het afschrijvingspercentage 71,80 is. Uitgaand van de historische BPM van € 44.850 betekent dit dat eiseres in totaal € 12.647 verschuldigd is. Na aftrek van het op aangifte voldane bedrag van € 8.989 resteert als naheffing € 3.658. De naheffingsaanslag dient tot dat bedrag te worden verminderd.

Kostenvergoeding in bezwaar

35. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor het bezwaar heeft toegekend. Voor de zaak met nummer 14/2740 (auto 1) ziet de rechtbank reeds gelet op de gegrondverklaring van het beroep aanleiding voor een vergoeding van proceskosten voor zowel de bezwaarfase als de beroepsfase.

36. Met betrekking tot de zaak met nummer 14/3420 (auto 2) overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard, maar het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat het bezwaar gegrond is verklaard in verband met toepassing van een tussentijds tarief en dat het verzoek om toepassing daarvan in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige zelf is.

37. Eiseres heeft bij de aangifte niet om toepassing van het tussentijdse tarief verzocht. Het verzoek om toepassing van dit tarief is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van eiseres zelf. Dat er in de aangifte destijds geen aparte optie was opgenomen voor het tussentijdse tarief doet hier niet aan af. Eiseres heeft eerst in de onderhavige bezwaarprocedure om toepassing van het tussentijdse tarief verzocht. Gelet hierop heeft verweerder niet verwijtbaar onrechtmatig gehandeld bij het vaststellen van de naheffingsaanslag BPM, zodat eiseres niet in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten van beroepsmatige bijstand in de bezwaarfase. Verweerder heeft de kostenvergoeding derhalve terecht geweigerd.

Conclusie

38. Gelet op het voorgaande dient het beroepen ter zake van auto 1 gegrond te worden verklaard. Het beroep ter zake van auto 2 is ongegrond.

39. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep voor de zaak met nummer 14/2740 redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.460 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer 14/2740 gegrond;

  • -

    vernietigt de desbetreffende uitspraak op bezwaar;

  • -

    stelt de naheffingsaanslag BPM voor auto 1 vast op € 3.658;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer 14/3420 ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.460;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 328 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. J.J. Catsburg en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Schokker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 november 2014

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.