Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7261

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4342
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Proefprocedure over het verlaagde tarief voor bestelauto’s in de Wet MRB. Strijd met het gelijkheidsbeginsel doordat particulieren het verlaagde tarief niet meer krijgen en btw-ondernemers wel? Uitbreiding van de groep btw-ondernemers door recente uitspraken maakt volgens eiser dat het onderscheid niet meer gerechtvaardigd is, omdat de nieuwe btw-ondernemers feitelijk nauwelijks afwijken van particulieren. Het criterium van zakelijk gebruik voor tenminste 10% is volgens eiser niet geschikt om het onderscheid te maken. Bovendien wordt dat criterium feitelijk niet gehandhaafd. De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om anders te oordelen dan de Hoge Raad deed in het arrest van 10 september 2010. Ruime beoordelingsvrijheid fiscale wetgever. Niet weersproken gebrek aan handhaving is niet voldoende om strijd met het gelijkheidsbeginsel wegens begunstigend beleid aan te nemen. Het ligt volgens de rechtbank wel in de rede om in de uitvoering in de toekomst meer aandacht te besteden aan het 10%-criterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2765 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/2409
Rolleman annotatie in NTFR 2015/707

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/4342

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 november 2014

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiser

(gemachtigde: prof.dr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft een bedrag van € 374 aan motorrijtuigenbelasting voor zijn bestelauto betaald over het tijdvak 21 maart 2014 tot en met 20 juni 2014.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 23 juni 2014, ontvangen door de rechtbank op 24 juni 2014, beroep ingesteld.

Eiser is aangesloten bij de Stichting Belangen Grijskentekeneigenaren (SBG). Het beroepschrift van eiser is inhoudelijk gelijk aan ruim 200 andere beroepschriften die door donateurs van SBG worden of zijn ingediend bij deze rechtbank en bij andere rechtbanken.

Naar aanleiding van het verzoek van eisers gemachtigde in een brief van 14 juli 2014 is door de rechtbank besloten om de zaak van eiser als voorbeeld te nemen en als eerste te behandelen onder aanhouding van de overige zaken. Deze beslissing is aan eiser en aan verweerder meegedeeld bij brief van 17 juli 2014.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2014.

Eiser is daar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [B] namens SBG. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [C].

Eisers gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was eigenaar en kentekenhouder van een bestelauto in de zin van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) over het tijdvak 21 maart 2014 tot en met 20 juni 2014.

2. Tot 1 januari 2005 gold voor eiser het lage bestelautotarief.

3. Eiser is geen ondernemer (btw-ondernemer) in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

4. Als gevolg van de wetswijziging van de Wet MRB per 1 januari 2005 geldt voor eiser sinds die datum niet langer het lage bestelautotarief.

Geschil

5. In geschil is of tot een juist bedrag motorrijtuigenbelasting is geheven. Meer in het bijzonder is in geschil of, zoals eiser bepleit en verweerder betwist, artikel 24b van de Wet MRB 1994 onverbindend is wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals verwoord in artikel 26 van het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

6. Niet in geschil is dat eiser op basis van de wettekst niet in aanmerking komt voor het (verlaagde) tarief van artikel 24b van de Wet MRB.

Beoordeling van het geschil

7. Tot 1 juli 2005 gold ingevolge artikel 24 van de Wet MRB voor een bestelauto, ongeacht de hoedanigheid van de houder van de bestelauto of de wijze van gebruik daarvan, een lager belastingtarief dan voor een auto met hetzelfde gewicht die ingevolge de Wet MRB als personenauto werd aangemerkt. Op 1 juli 2005 is dit met de invoering van artikel 24b van de Wet MRB gewijzigd, waardoor alleen ondernemers in de zin van artikel 7 van de Wet OB, die hun bestelauto meer dan bijkomstig (10%) gebruiken in het kader van hun onderneming in aanmerking komen voor het verlaagde tarief.

8. Op 10 september 2010 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2010:BK3103) geoordeeld dat artikel 24b van de Wet MRB niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zoals verwoord in artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

9. Eiser betoogt dat sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 10 september 2010 het ondernemersbegrip in de Wet OB door ontwikkelingen in de rechtspraak zodanig is verruimd dat het daardoor niet langer een objectief middel vormt voor het maken van onderscheid tussen particulieren en ondernemers in de Wet MRB.

10. Voorts betoogt eiser dat het criterium dat de bestelauto door de ondernemer voor ten minste 10% voor ondernemersactiviteiten moet worden gebruikt dermate laag en moeilijk toetsbaar is dat het onderscheid in gebruik van de bestelauto tussen de btw-ondernemer en de particulier niet de basis kan vormen voor het tariefverschil in de MRB en daarom geen objectieve en redelijke rechtvaardiging kan vormen voor het gemaakte onderscheid.

11. Daarnaast voert eiser aan dat is gebleken dat de controle op het gebruik feitelijk niet geschiedt, waardoor ook personen met een omzetbelastingnummer het verlaagde tarief betalen die daarop geen recht hebben omdat zij de bestelauto voor minder dan 10% zakelijk gebruiken.

12. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde argumenten niet kunnen leiden tot een ander oordeel dan is gegeven door de Hoge Raad in het arrest van 10 september 2010. Er is sinds dat arrest geen sprake van een voldoende relevante verandering van de omstandigheden. Het maken van een wettelijk onderscheid tussen binnen de ondernemingssfeer gebruikte goederen en binnen de privésfeer gebruikte goederen is volgens het oordeel van de Hoge Raad niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Er is onvoldoende aanleiding om daarover thans anders te oordelen.

13. Voor zover sprake is van een grotere groep btw-ondernemers door uitbreiding van het ondernemersbegrip, geldt dat juist voor de meeste van die btw-ondernemers geen sprake zal zijn van een zakelijk gebruik van 10% of meer. Zij zullen dus niet voldoen aan de cumulatief gestelde eisen.

14. De stelling dat het 10%-criterium niet geschikt is om onderscheid te maken, kan eiser niet baten. Het is immers aan de wetgever om te bepalen hoe groot het zakelijk gebruik van de auto moet zijn om in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief. De rechter kan daarin niet treden, aangezien de fiscale wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de keus van de wetgever niet evident van redelijke grond is ontbloot (Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1211). De wetgever beoogde bij de wetswijziging het oneigenlijk gebruik van het verlaagde tarief voor bestelauto’s door particulieren terug te dringen. De nieuwe wettelijke bepaling slaagt in die doelstelling. Daaraan doet niet af dat een tussengroep, die wel btw-ondernemer is maar die feitelijk weinig verschilt van een particulier, niet buiten de gunstige regeling valt. Hiervoor is blijkens de parlementaire geschiedenis gekozen om uitvoeringstechnische redenen. En mede daarom is tevens ervoor gekozen om 10% zakelijk gebruik te vereisen.

15. De stelling dat onvoldoende wordt gecontroleerd op het 10%-criterium, is op zichzelf wel aannemelijk geworden gelet op de opmerkingen van verweerder ter zitting. Alle personen met een omzetbelastingnummer en een bestelauto krijgen volgens verweerder automatisch een rekening met het verlaagde tarief en krijgen daarbij alleen in het begin een brief dat zij het hoge tarief moeten betalen als zij de auto voor minder dan 10% zakelijk gebruiken. Het is dan dus aan de betreffende gebruiker om het zelf te melden als hij niet in aanmerking komt voor het verlaagde tarief. Controle op het gebruik vindt niet of nauwelijks plaats. Desondanks kan deze omstandigheid eiser niet baten, omdat een gebrek in de handhaving onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel door begunstigend beleid. Daarvoor is immers ook nodig dat aannemelijk is dat het gebrek aan handhaving het gevolg is van (controle)beleid dat is gericht op begunstigende behandeling van een bepaalde groep (zie HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2923). In het onderhavige geval is niet aannemelijk dat daarvan sprake is. Eiser heeft dat ook niet gesteld.

16. De rechtbank merkt op dat de combinatie van het 10%-criterium met het (niet bestreden) gebrek aan handhaving kennelijk en begrijpelijk gevoelens van onrechtvaardigheid oproept bij veel particulieren met een bestelauto. Het ligt in de rede dat in de uitvoering in de toekomst meer aandacht wordt besteed aan de handhaving van het 10%-criterium.

17. Gelet op het bovenstaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr.drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 november 2014

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.