Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7257

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
05/840670-14 en 06/940461-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen schuldig aan vechtpartij bij ROC in Apeldoorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummers: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/840670-14 en 06/940461-11 (tul)

Uitspraak d.d.: 21 november 2014

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboortedatum],

thans gedetineerd in [adres].

Raadsman: mr. S. Nijhof, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

7 november 2014.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter zitting, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (oogletsel en builen op lichaam en hoofd), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een of meer van verdachtes mededader(s), althans alleen, (zeer) (krachtig en/of

gewelddadig), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- met (een) al dan niet tot vuist(en) gebalde hand(en) in/op/tegen het gezicht/gelaat en/of de borst te slaan of stompen, en/althans

- ( terwijl die persoon al dan niet op de grond lag) in/op/tegen het gezicht/gelaat, het hoofd, de borst en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam te schoppen of trappen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachte's mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van verdachte's mededader(s), althans alleen, die persoon (zeer) (krachtig en/of gewelddadig), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- met (een) al dan niet tot vuist(en) gebalde hand(en) in/op/tegen het gezicht/gelaat en/of de borst heeft geslagen of gestompt, en/althans

- ( terwijl die persoon al dan niet op de grond lag) in/op/tegen het gezicht/gelaat, het hoofd, de borst en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam heeft geschopt of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 05/840670-14);

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Laan van de Mensenrechten, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het opzettelijk (gewelddadig)

- indringen op die [slachtoffer 1], en/of

- meermalen, althans eenmaal, slaan, stompen, trappen en/of schoppen van/tegen die (al dan niet op de grond liggende) [slachtoffer 1];

(parketnummer 05/840670-14);

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]) (zeer) (krachtig en/of gewelddadig), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- met (een) al dan niet tot vuist(en) gebalde hand(en) in/op/tegen het gezicht/gelaat en/of de borst heeft geslagen of gestompt, en/althans

- ( terwijl die persoon al dan niet op de grond lag) in/op/tegen het gezicht/gelaat, het hoofd, de borst en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam heeft geschopt of getrapt,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 05/840670-14);

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die persoon (zeer) (krachtig en/of gewelddadig) een (zogenaamde) kopstoot in/op/tegen de neus en/althans het gezicht/gelaat heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 05/840670-14);

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), (zeer) (krachtig en/of gewelddadig) een (zogenaamde) kopstoot in/op/tegen de neus en/althans het gezicht/gelaat heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 05/840670-14);

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachte's mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van verdachte's mededader(s), althans alleen, die persoon (zeer) (krachtig en/of gewelddadig), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- met (een) al dan niet tot vuist(en) gebalde hand(en) in/op/tegen het gezicht/gelaat en/of de borst heeft geslagen of gestompt, en/althans

- ( terwijl die persoon al dan niet op de grond lag) in/op/tegen het gezicht/gelaat, het hoofd, de borst en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam heeft geschopt of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 05/840670-14);

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Laan van de Mensenrechten, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [slachtoffer 2],

welk geweld bestond uit het opzettelijk (gewelddadig)

- indringen op die [slachtoffer 2], en/of

- meermalen, althans eenmaal, slaan, stompen, trappen en/of schoppen van/tegen die (al dan niet op de grond liggende) [slachtoffer 2];

(parketnummer 05/840670-14);

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 26 april 2014, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) (zeer) (krachtig en/of gewelddadig), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- met (een) al dan niet tot vuist(en) gebalde hand(en) in/op/tegen het gezicht/gelaat en/of de borst heeft geslagen of gestompt, en/althans

- ( terwijl die persoon al dan niet op de grond lag) in/op/tegen het gezicht/gelaat, het hoofd, de borst en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam heeft geschopt of getrapt,

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 05/840670-14);

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

In de nacht van 25 op 26 april 2014 heeft bij het [school] in Apeldoorn een vechtpartij plaatsgevonden. Door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangifte gedaan.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair,

2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van innerlijke tegenstrijdigheden in de verklaringen van zowel aangevers als getuigen.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet uit een medische verklaring gebleken is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1], zodat vrijspraak voor het primaire feit dient te volgen. Ook van de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dient verdachte te worden vrijgesproken omdat hij niet de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor de conclusie dat verdachte met kracht een kopstoot heeft uitgedeeld. Hij heeft zich weer gerefereerd voor zover het gaat om de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Ook ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde. De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat, waarbij elk bewijsmiddel slechts is gebruikt ten aanzien van feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 26 april 2014 in Apeldoorn via de voetgangerstunnel bij het NS station naar de fietsenstalling bij het [school] liep, samen met zijn vriend, aangever [slachtoffer 2]. Bij de fietsenstalling stonden vier à vijf jongens. Toen [slachtoffer 1] zijn fiets niet van het slot kreeg, begonnen de jongens te lachen, waarop [slachtoffer 2] hen aansprak. De jongens liepen vervolgens op [slachtoffer 2] af en één van hen gaf [slachtoffer 2] een kopstoot, aldus [slachtoffer 1], die er onmiddellijk tussen is gesprongen. Toen kwamen er vier personen op [slachtoffer 1] af, die om hem heen gingen staan. Hij kreeg daarna meerdere klappen van meerdere personen. Hij voelde veel pijn. Het lukte [slachtoffer 1] om op te staan, maar daarna werd hij direct door drie personen aangevallen. Hij heeft vermoedelijk 30 tot 35 klappen, knietjes en schoppen gehad. [slachtoffer 1] zat helemaal onder het bloed en had veel pijn over zijn hele lichaam. Hij had overal builen en zijn rechter oog zat dicht2.

Aanvullend heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij de man die de kopstoot aan [slachtoffer 2] gaf later heeft herkend als zijnde (verdachte) [verdachte]. [slachtoffer 2] viel op de grond door die kopstoot. [slachtoffer 1] heeft vervolgens drie van de mannen naar achteren geduwd, ze stonden op ongeveer een halve meter afstand. Drie van de vier mannen kwamen toen in de richting van [slachtoffer 1] en ze begonnen alle drie op zijn hoofd en lichaam te slaan. De mannen hebben [slachtoffer 1] met hun vuisten geslagen in zijn gezicht en op zijn borst. Dat deed pijn. [slachtoffer 1] werd ook met kracht in zijn zij getrapt en dat deed ook pijn. [slachtoffer 1] viel half op de grond en werd daarna hard met vuisten geslagen, voornamelijk op zijn gezicht. Hij werd vervolgens ook geschopt tegen zijn gezicht. Hij is een aantal malen hard in zijn gezicht getrapt en geslagen met vuisten. [slachtoffer 1] heeft gezien dat [verdachte] hem in zijn gezicht schopte. [slachtoffer 1] wist op te staan en heeft [verdachte] tweemaal een vuistslag in zijn gezicht gegeven. Direct daarna werd [slachtoffer 1] weer aangevallen door dezelfde mannen, ze gingen toen echt ‘los’, aldus [slachtoffer 1]. Hij zag en voelde dat ze met zijn drieën bleven slaan op zijn gezicht. [slachtoffer 1] kwam op zijn knieën terecht en werd, toen hij op de grond lag, nog steeds geslagen en ook meerdere malen geschopt tegen zijn hoofd.

[slachtoffer 1] heeft kunnen zien dat [slachtoffer 2] ook ruzie had met een van de drie mannen uit de groep3.

Op 6 augustus 2014 heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij heeft gehoord dat ene [medeverdachte 2] ook bij de vechtpartij betrokken was. Hij heeft een Facebookaccount van ‘[medeverdachte 2]’ gezien en [slachtoffer 1] heeft de persoon op de foto’s herkend als de man die hem samen met [verdachte] heeft geslagen en geschopt. Deze man heeft [slachtoffer 1] meermalen vol met zijn schoen in zijn gezicht geraakt.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de persoon op de hem door [slachtoffer 1] getoonde foto herkent als zijnde [medeverdachte 2]4.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 26 april 2014 bij de fietsenstalling bij het [school] in Apeldoorn was, samen met zijn vriend [slachtoffer 1]. Er stond ook een groepje van vier hen onbekende jongens. De jongens lachten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit. Toen [slachtoffer 2] er iets van zei, kwamen de jongens op hen af en plotseling voelde [slachtoffer 2] dat hij met kracht een kopstoot kreeg, waardoor hij achterover op de grond viel. [slachtoffer 2] had direct hevige pijn aan zijn neus en had een bloedneus. Hij zag dat [slachtoffer 1] tussen hem en de jongen in ging staan en dat [slachtoffer 1] vervolgens werd omringd door de andere drie jongens. Daarna werd [slachtoffer 1] door alle vier aanvallers geslagen en getrapt. [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] ten val kwam en dat de jongens bleven doorgaan met trappen en slaan op het lichaam van [slachtoffer 1]. Ze bleven hem raken waar ze hem raken konden, aldus [slachtoffer 2]. Ook [slachtoffer 2] werd weer geslagen en getrapt. Hij voelde constant veel pijn5.

[slachtoffer 2] heeft aanvullend verklaard dat hij de man die voorop liep later heeft herkend als zijnde [verdachte]. Deze [verdachte] kwam voor [slachtoffer 2] staan, die vervolgens zei: “Laat maar”. [slachtoffer 2] heeft een stap achteruit gezet omdat hij geen confrontatie wilde. [verdachte] deed een stap naar voren en gaf [slachtoffer 2] een harde kopstoot. Hij raakte [slachtoffer 2] hard aan de bovenzijde van zijn neus. Vervolgens viel [slachtoffer 2] op de grond. Hij zag dat er wat heen en weer werd getrokken tussen [slachtoffer 1] en [verdachte]. [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] een kopstoot of een vuistslag kreeg van [verdachte]. [slachtoffer 1] viel hierdoor op de grond. [verdachte] ging in een dreigende houding boven [slachtoffer 1] staan. Om te voorkomen dat [verdachte] [slachtoffer 1] zou slaan, heeft [slachtoffer 2] [verdachte] een vuistslag gegeven tegen de zijkant van zijn gezicht. De drie andere personen kwamen vervolgens op [slachtoffer 2] af en begonnen hem te slaan en te schoppen. Ook toen [slachtoffer 2] op de grond viel, gingen ze door met slaan. Hij weet niet meer of hij ook geschopt is terwijl hij op de grond lag. Hij kreeg in ieder geval klappen op zijn borst. Toen [slachtoffer 2] weer stond, kreeg hij een harde trap in zijn knieholte en bij zijn kuiten6.

Getuige [getuige 1] was op 26 april 2014 bij het [school] in Apeldoorn. Hij zag daar drie/vier jongens staan tegenover twee jongens en hij hoorde dat ze ruzie hadden. Een van de twee jongens zei namelijk: “Waarom geef je hem een kopstoot?”. Hierop zag [getuige 1] dat het helemaal uit de hand liep. De drie/vier jongens gingen ineens met zijn allen op die twee jongens inslaan. Eén van de twee jongens kwam op de grond terecht en daarna zag [getuige 1] dat één van de drie/vier jongens uithaalde en een behoorlijke schop gaf op het hoofd van die jongen die op de grond lag7.

Getuige [getuige 2] heeft op 26 april 2014 bij het [school] in Apeldoorn gezien dat er een ruzie gaande was, waarbij een jongen een kopstoot kreeg van een andere jongen. De jongen die de kopstoot kreeg, viel op de grond. Een andere jongen nam het voor hem op en kreeg toen een klap van de jongen die de kopstoot had gegeven. Het waren drie jongens tegen twee. Twee van de drie jongens die bij elkaar hoorden, gingen vervolgens slaan op die jongen die wat van de kopstoot had gezegd. Een van de jongens (die geen kopstoot had gegeven) gaf een schop tegen de jongen die wat van de kopstoot had gezegd8.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij met Prinsennacht samen met [getuige 4] naar de stad was geweest. Op de terugweg kwamen zij bij het [school], waar [getuige 3] zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor hen liepen. Bij de fietsenstalling stonden nog drie jongens. [getuige 3] herkende één van hen, namelijk [verdachte]. Er was een woordenwisseling en ineens gaf [verdachte] een kopstoot aan [slachtoffer 2], die daardoor op de grond viel. [getuige 4] en [getuige 3] stonden op ongeveer 20 meter afstand. [slachtoffer 1] kreeg een vuistslag op zijn oog van [verdachte]. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden hiervoor geen geweld gebruikt, aldus [getuige 3]. [slachtoffer 1] zat op de grond om [slachtoffer 2] te helpen toen hij de vuistslag kreeg. Daarna begon iedereen zich ermee te bemoeien. Een grote jongen begon met [slachtoffer 2] te vechten en [verdachte] en een andere lange dunne jongen begonnen tegen [slachtoffer 1] te vechten.

[getuige 3] zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag en dat hij werd geschopt door zowel [verdachte] als die lange dunne jongen; hij werd op de bovenkant van zijn lichaam geraakt. [getuige 3] heeft gezien dat [verdachte] zo’n twee keer heeft geschopt en die andere lange jongen heeft hij één à twee keer zien schoppen. Zij sloegen hem ook met hun vuisten.

Verderop stond [slachtoffer 2] te vechten met een grote jongen. Deze gaf [slachtoffer 2] een trap tegen zijn been, waardoor hij viel. De grote jongen sloeg hem ook met zijn vuisten, zeker drie tot vier keer, aldus [getuige 3]. [getuige 3] heeft gezien dat de grote jongen in totaal drie keer heeft geschopt. Een keer toen [slachtoffer 2] wilde wegrennen en nog twee keer toen hij op de grond lag.

[getuige 4] heeft [slachtoffer 1] weggetrokken en [getuige 3] heeft [verdachte] van [slachtoffer 1] weggeduwd9.

Getuige [getuige 4] heeft over de vechtpartij bij het [school] in Apeldoorn verklaard dat hij zag dat de jongen die als eerste de klap kreeg, op de grond belandde en toen ook nog werd getrapt op zijn hoofd. [getuige 4] is er toen op af gerend en heeft de jongen weggesleurd zodat hij niet verder gepakt kon worden. [getuige 4] heeft zijn neef, [verdachte], gezien en ook dat deze heeft geslagen. Toen [getuige 4] de jongen meesleurde, kreeg hij (de jongen) ook nog van alle kanten klappen en schoppen. [getuige 4] heeft niet gezien wie dit heeft gedaan. De schoppende beweging die [getuige 4] heeft gezien, was een soort slingerende beweging, een golfslag met het been, van achter naar voren. Het zou goed kunnen dat [medeverdachte] één van de jongens was die achter [getuige 4] aankwam.

[slachtoffer 1] had een opgezwollen hoofd en veel bloed, gewoon op zijn gezicht10.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de nacht van 25 op 26 april 2014 met onder anderen [verdachte] en [medeverdachte 2] in het centrum van Apeldoorn was. Bij het [school] aangekomen, zag [medeverdachte] twee jongens staan. Hij zag vervolgens dat [verdachte] een kopstoot uitdeelde aan één van hen. De andere jongen kwam toen op [verdachte] af en probeerde hem te slaan, maar [medeverdachte] weet niet of de jongen [verdachte] geraakt heeft. Daarna begon er een vechtpartij, waarbij één van de twee jongens op [medeverdachte] af kwam met een vuist. [medeverdachte] wilde zich verdedigen en heeft een slaande beweging gemaakt en de jongen van zich afgeduwd. Toen kwamen er nog meer jongens aan en dacht [medeverdachte]: “wegwezen”. Ook een neefje van [verdachte], te weten [getuige 4], en een Turkse jongen waren erbij. De Turkse jongen heeft één van de jongens vastgepakt en met goede bedoelingen weggesleurd. [medeverdachte] heeft zelf één jongen geraakt, één klap. Hij heeft hem ingeblokt met links en toen geslagen en geduwd met rechts. Het was met de vuist en hij heeft hem op zijn lichaam geraakt.

[verdachte] was degene die als eerste fysiek geweld gebruikte, hij deelde de kopstoot uit, aldus [medeverdachte]11.

Aanvullend heeft [medeverdachte] verklaard dat, toen de jongen die de kopstoot had gekregen, was bijgekomen, die jongen [medeverdachte] zag staan en op hem af kwam. [medeverdachte] heeft zichzelf verdedigd en heeft de jongen van zich afgehouden door hem met armen en benen van zich af te duwen. Het zit er dik in dat hij de jongen daarbij heeft geraakt, aldus [medeverdachte]. Hij was zelf in conflict met de jongen die de kopstoot had gekregen en [verdachte] met de andere jongen. [medeverdachte] heeft alleen één klap uitgedeeld12.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij tijdens Prinsennacht samen met [medeverdachte] en [verdachte] vanuit het centrum naar het [school] is gelopen13.

Later heeft hij verklaard dat hij één klap heeft uitgedeeld, aan [slachtoffer 2] [slachtoffer 2]. Er kwam iemand, later bleek dat [slachtoffer 2] te zijn, in gevechtshouding naar [medeverdachte 2] toe. [medeverdachte 2] voelde zich hierdoor bedreigd en voelde zich genoodzaakt een klap uit te delen. Dat deed hij met zijn rechter gebalde vuist. Hij heeft [slachtoffer 2] op zijn rechter zijkant geraakt, niet op zijn hoofd. Vervolgens kwam er een grote vent langs hem rennen, die [slachtoffer 2] oppakte en meenam. Daarna is [medeverdachte 2] weggerend. Hij heeft niemand geschopt.

[medeverdachte 2] zag dat [verdachte] een kopstoot uitdeelde aan de jongen die [slachtoffer 1] bleek te heten14.

[verdachte] heeft verklaard dat hij tijdens Prinsennacht met [medeverdachte] en [medeverdachte 2] in het centrum van Apeldoorn was.

Op de terugweg kwamen zij bij het [school] en zagen daar twee jongens staan die met hun fiets bezig waren. Ineens stonden die jongens voor [verdachte], de donkere jongen stond voor hem en [slachtoffer 1] stond daar achter. [verdachte] zag ineens een arm van [slachtoffer 1] op hem af komen en kon deze nog net ontwijken. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] toen een klap met zijn rechter vuist gegeven en heeft hem geraakt in het gezicht, [verdachte] is meteen weggelopen. Of de jongens in elkaar zijn geslagen, kan [verdachte] zich niet herinneren. Hij weet alleen nog dat er ineens een groep jongens met breekijzers op hem af kwam en dat hij toen is weggerend15.

Tijdens het onderzoek is de telefoon van [verdachte] in beslag genomen en uitgelezen. Daarbij zijn onder meer de volgende uitgaande Whatsapp-berichten van 26 april 2014 gevonden:

- 14:07:18 uur: “Vent ben gister kk los gegaan”

- 10:59:03 uur: “Week niet man 2 gozahs”

- 13:23:52 uur: “Hoop dak die kk bloed uit me schoen krijg”

- 13:28:35 uur: “Kk veelbloed was er”

- 13:29:25 uur: “1 had allebei ze ogen dicht”

- 13:29:41 uur: “Petse ik hem weer achterop ze harses”

- 13:30:00 uur: “1 had ik kopstoot gegeven hele geZicht onde”

- 13:31:27 uur: “Bij [school] man” 16.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren op 26 april 2014 bij het [school] in Apeldoorn. [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte] hebben ook alle drie verklaard dat zij in de nacht van 25 op 26 april 2014, Prinsennacht, samen bij het [school] in Apeldoorn waren. Over de verdere gebeurtenissen die nacht, de aard en omvang van het tegen Jansen en [slachtoffer 2] gebruikte geweld en de vraag wie daaraan schuldig is/zijn, overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel [verdachte] heeft ontkend een kopstoot te hebben uitgedeeld, is de rechtbank van oordeel dat voldoende bewijs voorhanden is om te concluderen dat [verdachte] daadwerkelijk opzettelijk een kopstoot heeft gegeven aan [slachtoffer 2]. Hiervoor verwijst zij naar de hierboven weergegeven verklaringen van beide aangevers, getuigen [getuige 2] en [getuige 3] en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte]. Op het niveau van de relevante bijzonderheden zijn deze verklaringen voldoende concreet en specifiek en daarmee betrouwbaar. Eén en ander vindt bovendien bevestiging in de Whatsapp-berichten die door [verdachte] zijn verstuurd. Zijn verklaring ter zitting dat hij deze berichten uit stoerdoenerij heeft verstuurd en dat dit nog niet betekent dat hij een kopstoot heeft gegeven, acht de rechtbank op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

De door [verdachte] uitgedeelde kopstoot is naar het oordeel van de rechtbank het startpunt, althans het eerste fysieke contact tussen aangevers en verdachten, geweest.

Over het verdere verloop lopen de verklaringen uiteen. [verdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte 2] verklaren alle drie zelf hooguit één klap te hebben uitgedeeld en toen, apart van elkaar, te zijn vertrokken, terwijl aangevers verklaren dat er flink gevochten werd en dat het (ten minste) drie tegen twee was.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangevers geloofwaardig zijn. Hierbij is van belang dat de verklaringen van aangevers kort na het incident zijn opgenomen en dat deze verklaringen op het niveau van de relevante bijzonderheden bevestiging vinden in de verklaringen van meerdere omstanders. Ook weegt de rechtbank mee dat aangevers hun eigen rol niet bagatelliseren maar toegeven dat zij zelf ook klappen hebben uitgedeeld.

Voor het antwoord op de vraag of verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte] zijn aan te merken als de geweldplegers in deze zaak, is van belang of zij daarbij (voldoende lang) aanwezig zijn geweest, of daarbij sprake is van medeplegen, welk geweld daarbij door hen is gebruikt en hoe dit geweld juridisch gekwalificeerd moet worden.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van aangevers én getuigen blijkt dat sprake was van (ten minste) een drie tegen twee-situatie, waarbij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn belaagd door (in ieder geval) [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte].

[verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte] zijn naar het oordeel van de rechtbank van begin tot eind bij het geweld betrokken geweest. Niet aannemelijk is geworden dat zij tussentijds, na het uitdelen van een enkele klap, zouden zijn vertrokken zodat anderen (zoals verdachte heeft betoogd) verantwoordelijk zouden zijn voor het gepleegde geweld. Uit de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 2] blijkt namelijk dat zij op de plaats delict aanwezig waren toen het geweld begon met de kopstoot van [verdachte]. [medeverdachte] en [medeverdachte 2] waren daar ook nog toen [getuige 4] en [getuige 3] ingrepen; uit de verklaringen van laatstgenoemden blijkt dat het geweld zeer kort daarop eindigde. Uit de verklaring van [getuige 3] blijkt verder dat [verdachte] ten tijde van hun ingrijpen ook nog ter plaatse was.

De omstandigheid dat door aangevers en sommige getuigen meer dan drie geweldplegers worden genoemd, doet derhalve aan het verwijt dat deze verdachte(n) wordt gemaakt niet af.

Op grond van de verklaringen van aangevers en voormelde getuigen stelt de rechtbank verder vast dat er een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen (in ieder geval) [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte] is geweest, dat gesproken moet worden van medeplegen. Dit betekent dat niet vastgesteld hoeft te worden welke verdachte precies welke handeling heeft verricht; verdeling/toerekening van bestanddelen uit de tenlastelegging over de verschillende deelnemers is dus mogelijk.

Het geweld is begonnen met de kopstoot die [verdachte] – nadat hij op [slachtoffer 2] was toegelopen - aan [slachtoffer 2] gaf. [medeverdachte 2] en [medeverdachte] stonden toen in de onmiddellijke nabijheid van [verdachte]. Zij hebben zich blijkens de verklaringen van aangevers en getuigen op dat moment niet gedistantieerd van [verdachte]; integendeel, zij hebben bijgedragen aan een getalsmatige meerderheid en zij hebben zelf vrijwel meteen ook geweld gebruikt tegen beide aangevers zo ongeveer vanaf het moment dat[slachtoffer 1] protesteerde tegen de uitgedeelde kopstoot. Niet aannemelijk is geworden dat aangevers, zoals door de verdediging aangevoerd, na de kopstoot zelf actief het geweld richting verdachten hebben opgezocht en aldus tot een tegenaanval zouden zijn overgegaan waartegen verdachten zich dan zouden hebben verdedigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de hierboven weergegeven verklaringen van aangevers en van getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van meermalen met kracht slaan (met een vuist) tegen het gezicht en de borst en van meermalen krachtig schoppen tegen het gezicht/hoofd en het tegen lichaam en dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] (terwijl zij deels op de grond lagen) hiervan het slachtoffer zijn geworden.

De rechtbank is van oordeel dat bij verdachten het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan. Aangevers zijn meerdere malen met kracht geslagen en (met geschoeide voet) geschopt, onder andere tegen het hoofd, deels terwijl zij op de grond lagen. Verdachten waren bovendien getalsmatig in de meerderheid. Onder dergelijke omstandigheden is een mens extra kwetsbaar en kan deze het uitgeoefende geweld moeilijker afweren. Algemeen bekend is dat onder die omstandigheden zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht. Bovendien wisten verdachten dat een van de slachtoffers bij aanvang al gewond was geraakt door de kopstoot van [verdachte]. Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm maakt dit alles dat verdachten de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bovendien bewust hebben aanvaard. Hoewel de rechtbank op grond van de verklaringen van aangevers en voormelde getuigen vaststelt dat ieder van de verdachten heeft geschopt, acht de rechtbank ieders specifieke bijdrage in dit verband, anders dan de officier van justitie, minder relevant. Door onder voormelde omstandigheden het hiervoor beschreven geweld te gebruiken en te blijven gebruiken tegen (deels) op de grond liggende of op handen en voeten zittende slachtoffers, terwijl zij dat geweld van hun mededaders moeten hebben waargenomen, is voor de kwalificatie niet meer van belang wie waar hoe vaak heeft geslagen en/of geschopt.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van feit 1 sprake van een voltooid delict.

Over het letsel van [slachtoffer 1] is namelijk het volgende bekend. [slachtoffer 1] zelf heeft daarover verklaard dat artsen in het ziekenhuis hebben geconstateerd dat hij meerdere bulten en verwondingen had op zijn hoofd en dat zijn rechter oog opgezet en beschadigd was. [slachtoffer 1] had nog geen 100% zicht17. In de geneeskundige verklaring van dr.[arts] staat vermeld dat bij onderzoek van [slachtoffer 1] op 26 april 2014 sprake was van een blauw oog, dat helemaal dicht zat, met een kleine bloeduitstorting van het oog zelf, en van minder goed zicht. Dr.[arts] heeft verder aangegeven dat [slachtoffer 1] op 6 juni 2014 bij de oogarts is geweest en dat deze heeft geconstateerd dat er geen duidelijke verklaring voor het minder zien is, maar dat het mogelijk past bij het herstel18. Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 5 augustus 2014 telefonisch contact gehad met [slachtoffer 1], die hem vertelde dat de oogarts had vastgesteld dat het beschadigde oog 15% minder zicht zal overhouden en dat dit een blijvende oogbeschadiging zal zijn19. Naar het oordeel van de rechtbank is dit letsel aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, nu sprake is van een blijvende beschadiging aan het oog, dat als een vitaal lichaamsdeel voor het dagelijks functioneren moet worden beschouwd. Dat zich in het dossier geen afzonderlijke medische verklaring bevindt waarin de eindsituatie is beschreven, doet gezien het vorenstaande aan dit oordeel niet af. Het onder 1 primair ten laste gelegde dient derhalve bewezen verklaard te worden.

Ten aanzien van de door [verdachte] aan [slachtoffer 2] uitgedeelde kopstoot, zoals ten laste gelegd onder feit 2, overweegt de rechtbank dat [verdachte] zich hiermee, naar vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld Hoge Raad 22 maart 2011, LJN BP2715), niet zonder meer willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit maakt dat [verdachte] zal worden vrijgesproken van de hem onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Wel leidt dit tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is de rechtbank gelet op het vorenstaande van oordeel dat sprake is van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat bij de huisartsenpost is geconstateerd dat zijn rechter sleutelbeen gebroken was en dat hij een scheurtje in zijn neusbot had20. Op 30 juli 2014 heeft dr. [huisarts], huisarts, een geneeskundige verklaring opgemaakt en daarin verwezen

naar het verslag van de huisartsenpost van 26 april 2014. Daarin is vermeld dat bij [slachtoffer 2] sprake was van een claviculafractuur. Daarnaast had hij pijn bij het ademhalen, kon hij zijn arm niet goed bewegen, zat er een bult bij het sleutelbeen en had hij een dik oog. [slachtoffer 2] had buikpijn, niet vegetatief. Ook is aangegeven dat [slachtoffer 2] een bloedneus heeft gehad en dat deze nu dik is. Het sleutelbeen links was dikker en de bovenarm was ook gezwollen. De neus was pijnlijk, osaal goede stand.21

Dit letsel is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, hetgeen overigens ook niet ten laste is gelegd, zodat gezien vorenstaande overwegingen het medeplegen van de poging tot zware mishandeling bewezen zal worden verklaard.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het als feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Feit 1 primair

hij op 26 april 2014 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (oogletsel) heeft toegebracht, door deze opzettelijk met verdachtes mededaders krachtig en/of

gewelddadig meermalen telkens

- met een al dan niet tot vuist gebalde hand in/op/tegen het gezicht en/of de borst te slaan en

- terwijl die persoon al dan niet op de grond lag in/op/tegen het gezicht, het hoofd, de borst en elders in/op/tegen het lichaam te schoppen of trappen;

Feit 2 subsidiair

hij op 26 april 2014 in de gemeente Apeldoorn opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) zeer krachtig en gewelddadig een kopstoot op/tegen de neus heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Feit 3 primair

hij op 26 april 2014 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en verdachtes mededaders voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met verdachte's mededaders die persoon krachtig en gewelddadig meermalen telkens

- met een al dan niet tot vuist gebalde hand in/op/tegen het gezicht en de borst heeft geslagen, en

- terwijl die persoon al dan niet op de grond lag in/op/tegen het gezicht, het hoofd, de borst en elders in/op/tegen het lichaam heeft geschopt of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Door de verdediging is weliswaar gesteld dat sprake zou zijn geweest van zelfverdediging, maar een beroep op noodweer is niet gedaan, laat staan dat een dergelijk standpunt uitdrukkelijk is onderbouwd. Daargelaten de vraag of de rechtbank onder die omstandigheden gehouden is daarop te responderen, overweegt de rechtbank dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verdachte (en zijn medeverdachten) is (zijn) aan te merken als de agressor zodat een noodweersituatie aan de zijde van verdachte niet aannemelijk is geworden.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1 primair: medeplegen van zware mishandeling;

2 subsidiair: mishandeling;

3 primair: medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar gevorderd. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zouden een aantal bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld, namelijk een meldplicht, ambulante begeleiding door het Leger des Heils of een soortgelijke instantie, ambulante behandeling door verslavingszorg en ambulante behandeling binnen de forensische psychiatrie.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de reclassering een voorwaardelijke straf adviseert, verdachte al sinds juli 2014 vast zit en detentie weinig nut heeft. In ieder geval zou de geëiste onvoorwaardelijke straf door de rechtbank gematigd moeten worden.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich niet alleen schuldig gemaakt aan betrokkenheid bij een vechtpartij, de rechtbank overweegt dat het hele incident is begonnen met de door verdachte om niets uitgedeelde kopstoot. Door het door verdachte en zijn mededaders uitgeoefende geweld hebben zij de beide slachtoffers letsel en pijn toegebracht en bij hen schrik en angst veroorzaakt. Verschillende passanten waren getuige van dit straatgeweld. Dergelijk handelen leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank overweegt dat van enige schuldbewustheid bij verdachte niet is gebleken, gelet op de later die dag door verdachte verstuurde Whatsapp-berichten, waaruit blijkt dat hij het allemaal wel stoer vond, en op de houding van verdachte op zitting.

De reclassering heeft in het advies van 23 september 2014 aangegeven dat verdachte is gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis en narcistische trekken. In 2012 is geconstateerd dat sprake was van ernstige agressieregulatieproblematiek. Hiervoor is verdachte behandeld bij Groot Batelaar, maar hij was na zeventien maanden niet meer gemotiveerd voor behandeling.

Het recidiverisico wordt als hoog-gemiddeld ingeschat. Er zijn zowel problemen op praktisch gebied als onder meer op het gebied van denkpatronen, gedrag en vaardigheden. De reclassering heeft ernstige twijfels aan de wenselijkheid van de benodigde hulpverlening binnen een gedwongen kader. Hoewel verdachte wel aangeeft gemotiveerd te zijn, strookt dit niet met hetgeen verdachte binnen het toezicht heeft laten zien, mede gelet op een recente bedreiging aan het adres van zijn toenmalige toezichthouder. Ook kan een opgelegde meldplicht juist recidive-risicoverhogend werken omdat verdachte zich dan onder druk gezet kan voelen.

Alles bij elkaar komt de reclassering tot het advies een (al dan niet deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met enkel algemene voorwaarden op te leggen.

De rechtbank heeft het strafblad van verdachte meegewogen, waarop een aantal veroordelingen staat voor onder meer geweldsdelicten.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Als oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld een of meer kopstoten en/of het schoppen/trappen tegen het hoofd, wordt 6 maanden gevangenisstraf genoemd.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met aftrek, passend en geboden is. De rechtbank komt tot deze straf gelet op de recidive, het medeplegen en de omstandigheid dat sprake is van twee slachtoffers, die flink zijn mishandeld. Hoewel geen recent rapport van een deskundige (psycholoog of psychiater) voorhanden is, overweegt de rechtbank dat er aanwijzingen zijn dat sprake is van enige persoonlijkheidsproblematiek, waarmee de rechtbank rekening houdt.

De rechtbank ziet, gelet op het advies van de reclassering, geen aanleiding bijzondere voorwaarden te koppelen aan het voorwaardelijk strafdeel. Ook bij de rechtbank bestaat twijfel aan de motivatie van verdachte voor behandeling. Zonder gedwongen kader is het aan hem zelf om hulp in te schakelen en te laten zien dat hij dat echt wil.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van drie jaar koppelen als prikkel om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 600,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig voor toewijzing in aanmerking komt, met vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd en meent dat het gevorderde bedrag van € 600,00 immateriële schade in het geheel niet onredelijk is. Zij zal de vordering dan ook volledig toewijzen met de gevorderde rente.

Nu sprake is van medeplegen is verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 06/940461-11)

Op 13 oktober 2014 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Zutphen op 27 november 2012 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, omdat verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Zutphen van 27 november 2012 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden ten uitvoer gelegd wordt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 27, 36f, 45, 47, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het als feit 1 primair, feit 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1 primair: medeplegen van zware mishandeling;

2 subsidiair: mishandeling;

3 primair: medeplegen van een poging tot zware mishandeling;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 beveelt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2014 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 600,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2014, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 verstaat dat indien en voor zover door medeverdachten [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] het betreffende schadebedrag is betaald, verdachte daarvan zal zijn bevrijd;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 27 november 2012, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Gerbranda en Vrieze, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korevaar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2014.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0620-2014056970-8, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, team Recherche Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 27 augustus 2014.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], pagina’s 46-48

3 Proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1], pagina’s 50-53

4 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 1], pagina’s 68-69

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], pagina’s 86-89

6 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 2], pagina’s 91-92

7 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pagina’s 139-140

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], pagina’s 142-143

9 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], pagina’s 160-163

10 Proces-verbaal verhoor verdachte [getuige 4], pagina’s 255-259

11 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte], pagina’s 230-234

12 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte], pagina 238

13 Proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte 2], pagina 156

14 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina’s 291-292

15 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina’s 187-188

16 Proces-verbaal van bevindingen en de bijlage bij dat proces-verbaal, pagina’s 202-205

17 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1], pagina 52

18 Geneeskundige verklaring van dr.[arts], 4 augustus 2014, pagina 78

19 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 80

20 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 2], pagina 88

21 Geneeskundige verklaring met als bijlage verslag van de huisartsenpost, pagina’s 108-109