Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7187

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
185631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6:162 BW, 15c Rv. Onrechtmatige daad. Doelbewuste overheveling van bedrijfsmiddelen om verhaalsmogelijkheden crediteur te frustreren. Firmastempel op vrachtnota is bedoeld als schriftelijk bewijs dat de desbetreffende zaken zijn afgeleverd bij de firma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/185631 / HA ZA 09-1024

Vonnis van 5 november 2014

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

LE ROUX FRUIT EXPORTERS (PTY) LTD,

gevestigd te Northern Paarl, Zuid-Afrika,

eiseres,

advocaat mr. drs. H.T. Verhaar te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPALA FRUIT B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. M.A, Oostendorp te Velp, gemeente Rheden.

Partijen zullen hierna Le Roux en Impala genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 augustus 2014

  • -

    de akte van Le Roux van 24 september 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar voormeld tussenvonnis. In dat vonnis heeft de rechtbank, zakelijk weergegeven, overwogen dat de door Le Roux gepresenteerde bewijsmiddelen ten aanzien van twee partijen citrusvruchten concrete ondersteuning opleveren voor haar stelling dat doelbewust bedrijfsmiddelen van [naam] zijn overgeheveld naar Impala teneinde Le Roux te frustreren in haar verhaalsmogelijkheden. Het betreft de getuigenverklaring van Buil in samenhang met de aan hem getoonde vervoersdocumenten en facturen, waaruit kan worden afgeleid dat in maart en april 2007 twee partijen sinaasappelen zijn afgeleverd aan Impala en zijn gefactureerd aan- en betaald door [naam]. Het gaat om bedragen van USD 10.0800,00 en USD 8.400,00, zijnde € 13.725,00 bij elkaar.

2.2.

Impala heeft in haar antwoordconclusie na enquête gesteld dat die partijen niet alleen zijn betaald door [naam], maar ook door [naam] zijn ingekocht en doorverkocht. Bij het stempelen van de desbetreffende vrachtnota zou per vergissing het stempel van Impala zijn geplaatst. Impala beriep zich daarbij op nieuwe, door haar bij die conclusie overgelegde, producties. Het betrof out-turn statements en grootboekkaarten uit de administratie van [naam].

De rechtbank heeft Le Roux de gelegenheid gegeven om op deze nieuwe producties te reageren. Dat heeft Le Roux gedaan.

2.3.

Met recht werpt Le Roux tegen dat ervan uit moet worden gegaan dat een firmastempel op een vrachtnota bedoeld is als schriftelijk bewijs dat de desbetreffende zaken zijn afgeleverd bij die firma. Het betreft het stempel van Impala en dit kan gelden als bewijs tegen haar. Bovendien heeft te gelden dat de vrachtnota niet alleen door Impala is afgestempeld, maar handgeschreven ook mede aan haar is geadresseerd. Het andere vervoersdocument, een EG-vrachtbrief, is uitsluitend geadresseerd aan Impala. De rechtbank acht hiermee bewezen dat deze twee partijen citrusvruchten bij Impala zijn afgeleverd.

2.4.

Impala heeft erkend dat deze twee partijen citrusvruchten aan [naam] zijn gefactureerd en door [naam] zijn betaald. Voor haar stelling dat beide partijen geheel voor rekening en risico van [naam] waren en dat [naam] die partijen ook heeft doorverkocht, beroept Impala zich op stukken uit de administratie van [naam]. Met recht werpt Le Roux Impala echter tegen dat de administratie van [naam] onbetrouwbaar is gebleken. Dit heeft de rechtbank reeds overwogen in haar tussenvonnis van 14 december 2011 (rechtsoverweging 2.54). Bovendien worden op de overgelegde grootboekkaarten met betrekking tot de gestelde doorverkoop door [naam] geen factuurnummers en namen van afnemers vermeld, zijn die namen ook niet opgegeven en ontbreken nadere bewijstukken te dien aanzien.

2.5.

Impala heeft met die door haar overgelegde stukken derhalve niet ontzenuwd dat de desbetreffende partijen citrusvruchten aan haar zijn afgeleverd, terwijl deze door [naam] zijn betaald. Daarmee is Impala ten koste van [naam] bevoordeeld tot het bedrag van de door [naam] betaalde koopsommen, zijnde € 13.725,00 in totaal. Dit kwalificeert in de omstandigheden van dit geval als een doelbewuste overheveling van bedrijfsmiddelen waardoor Le Roux in haar verhaalsmogelijkheden is gefrustreerd. Dit levert jegens Le Roux een onrechtmatige daad op, waardoor Le Roux schade heeft geleden tot dat bedrag van € 13.725,00. Impala dient deze schade te vergoeden, vermeerderd met de gevorderde en niet afzonderlijk bestreden wettelijke rente.

2.6.

Voor het meerdere zal de hoofdvordering van Le Roux worden afgewezen, omdat zij alleen met betrekking tot die twee partijen citrusvruchten voldoende concreet bewijs heeft kunnen leveren.

2.7.

Nu het leeuwendeel van de hoofdvordering moet worden afgewezen, kunnen in redelijkheid niet alle kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waaronder de kosten van de IRS-rapportage, ten laste van Impala worden gebracht op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. De rechtbank zal ter zake een bedrag toekennen in overeenstemming met het destijds geldende rapport Voorwerk-II, welk bedrag wordt gerelateerd aan de toewijsbare hoofdsom en mitsdien wordt gesteld op € 904,00. Daarmee wordt het in totaal toewijsbare bedrag € 14.629,00, exclusief de rente.

2.8.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt Impala om aan Le Roux te betalen een bedrag van € 14.629,00 (veertienduizend zeshonderdnegenentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 7.541,00 met ingang van 9 april 2007 en over het bedrag van € 6.184,00 met ingang van 24 april 2007, een en ander tot de dag van volledige betaling,

3.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen, mr. S.H. Bokx-Boom en mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2014.