Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7166

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
13-02-2015
Zaaknummer
C-05-257008 - HZ ZA 14-19
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Borgstelling, toestemming echtgenote vereist, rechtshandeling niet verricht ten behoeve van normale bedrijfsuitoefening van B.V. waarvan borg DGA is. Wederpartij borg niet te goeder trouw. Artikel 1:88 lid 5 BW en artikel 1:89 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/257008 / HZ ZA 14-19

Vonnis van 19 november 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 1 BV] ,

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. M.A. Oostendorp te Velp,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.J. van Soelen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [naam 1 BV] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 september 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is indirect, via een aantal andere vennootschappen,

directeur-grootaandeelhouder van [naam 2 BV] (hierna: [naam 2 BV]) , een vennootschap die zich onder meer bezighoudt met administratieve en fiscale dienstverlening. [naam 1 BV] drijft een groothandel in bedrijfsmeubilair, kantoorartikelen en magazijninrichtingen. Directeur-grootaandeelhouder van [naam 1 BV] is de[naam A] (hierna: [naam A]). [gedaagde] en [naam A] waren tot voor kort bevriend.

2.2.

In augustus 2012 heeft [naam 1 BV] met de[stichting] (hierna: [stichting]) een overeenkomst van geldlening gesloten (productie 1 van [naam 1 BV], hierna: de

1e geldleningsovereenkomst), uit hoofde waarvan [naam 1 BV] aan [stichting] een bedrag van

€ 40.000,-- ter leen heeft verstrekt. Op 10 december hebben [naam 1 BV] en [stichting] opnieuw een overeenkomst van geldlening gesloten (productie 2 van [naam 1 BV], hierna: de

2e geldleningsovereenkomst), ditmaal voor een bedrag van € 25.000,--. Overeengekomen is dat de 1e geldlening uiterlijk per 31 maart 2013 diende te worden afgelost en de

2e geldlening uiterlijk 30 april 2013. Beide overeenkomsten bevatten een artikel 4 waarvan de tekst als volgt luidt:

Artikel 4: zekerheden

[gedaagde], directeur groot aandeelhouder van [naam 2 BV] staat borg voor de terugbetaling van de lening.”

Beide overeenkomsten zijn door [gedaagde] (mede) ondertekend, met daarbij de vermelding “Borg

[gedaagde] / [naam 2 BV]”.

2.3.

Per 1 januari 2013 is [naam 2 BV] hoofdsponsor geworden van [stichting].

2.4.

[stichting] heeft de van [naam 1 BV] geleende bedragen niet terugbetaald en is op

20 augustus 2013 in staat van faillissement verklaard.

2.5.

Bij brief van 18 september 2013 heeft (de advocaat van) [naam 1 BV] [gedaagde] meegedeeld dat uit een bericht van de curator blijkt dat in het faillissement geen uitkering aan haar zal worden gedaan en hem verzocht en voor zover nodig gesommeerd om uit hoofde van de borgstelling uiterlijk 1 oktober 2013 een bedrag van € 65.000,-- aan haar te betalen. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

2.6.

Bij brief van 21 september 2013 aan de advocaat van [naam 1 BV] heeft de (destijds) echtgenote van [gedaagde], mevrouw [echtgenote gedaagde] (hierna: [echtgenote gedaagde]) het volgende geschreven:

“Uit uw brief van 18 september jl. begrijp ik dat mijn echtgenoot twee borgstellingen heeft afgegeven in de richting van het bedrijf [naam 1 BV] en dat het daarbij gaat om een bedrag van (maar liefst) € 65.000.

Met deze borgstellingen was ik niet bekend. Ik heb mijn echtgenoot daar evenmin toestemming voor gegeven. Om die reden zijn deze vernietigbaar. Door middel van deze brief roep ik de vernietiging van de beide borgstellingen in. Ik neem aan dat u [naam 1 BV] daarover wilt informeren.”

2.7.

Op 18 augustus 2014 heeft [naam A] een telefoongesprek gevoerd met

[echtgenote gedaagde]. Een opname van dat telefoongesprek (hierna: het telefoongesprek tussen [naam A] en [echtgenote gedaagde]) is door [naam 1 BV] overgelegd als productie 14 en is ter comparitie in aanwezigheid van partijen door de rechtbank beluisterd.

3 De vordering

3.1.

[naam 1 BV] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 65.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 40.000,-- vanaf 1 april 2013 en over € 25.000,-- vanaf 1 mei 2013, althans vanaf door de rechtbank in goede justitie te bepalen data, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[naam 1 BV] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag.

Vooruitlopend op de sponsorovereenkomst wenste [stichting] reeds over liquiditeiten te beschikken. [stichting] zal, gelet op haar faillissement en de crediteurenpositie daarin, niet meer tot terugbetaling van de twee geldleningen overgaan. [gedaagde] dient zijn verplichtingen uit de afgegeven borgtocht na te komen. [gedaagde] heeft de borgstellingen erkend maar stelt ten onrechte dat deze door zijn echtgenote zijn vernietigd. Indien en voor zover de rechtbank mocht oordelen dat [echtgenote gedaagde] de borgtocht heeft vernietigd, geldt dat [gedaagde] gehouden is het bedrag van € 65.000,-- aan [naam 1 BV] te betalen uit hoofde van schadevergoeding wegens de door hem jegens [naam 1 BV] gepleegde onrechtmatige daad. [gedaagde] heeft jegens [naam 1 BV] onrechtmatig gehandeld door haar niet te waarschuwen dat de toestemming van zijn echtgenote ontbrak terwijl die mogelijkerwijs wel vereist was. Als [gedaagde] voor deugdelijke borgstellingen zou hebben zorggedragen zou [naam 1 BV] hem hebben kunnen aanspreken en zou haar vordering niet onbetaald zijn gebleven. Bovendien werpt het feit dat [naam 2 BV] niet tot betaling van de sponsorgelden aan [stichting] is overgegaan de vraag op of [gedaagde] verplichtingen is aangegaan waarvan hij wist dan wel behoorde te weten dat deze niet zouden worden nagekomen. Het handelen van [gedaagde] is in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] concludeert dat de rechtbank de vorderingen van [naam 1 BV] zal afwijzen, met veroordeling van [naam 1 BV] in de proceskosten. Hij voert, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende verweren aan.

Het sponsorcontract en de geldleningen waren niet aan elkaar verbonden. [gedaagde] heeft zich als natuurlijk persoon, niet in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, borg gesteld op instigatie van [naam A], om [stichting] te helpen. [gedaagde] heeft nagelaten zijn echtgenote om toestemming te vragen. [naam 1 BV] heeft geen enkel onderzoek gedaan naar (het ontbreken van) deze toestemming. Het aangaan van een persoonlijke borgstelling valt onder het beschermingsregime van artikel 1:88 lid in sub c Burgerlijk Wetboek (BW).

[naam 1 BV] was bij het overeenkomen van de borgstelling niet te goeder trouw in de zin van artikel 1:89 lid 2 BW. De borgstelling is door [echtgenote gedaagde] met succes vernietigd, geheel in lijn met de ratio van artikel 1:88 BW. Indien [naam 1 BV] met een omweg – via de onrechtmatige daad – die vernietiging zou kunnen aantasten door de borg alsnog te verkrijgen, zou de bescherming van artikel 1:88 BW (waarvan reflexwerking uitgaat) illusoir worden. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde] [naam 1 BV] bewust heeft misleid of bedrogen. [gedaagde] was destijds niet op de hoogte van de naderende faillissementen van [stichting] en [naam 2 BV].

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van de vordering wordt vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] zich ter zake van de nakoming van de terugbetalingsverbintenissen uit de geldleenovereenkomsten persoonlijk tot borg heeft gesteld jegens [naam 1 BV], en evenmin dat [stichting] haar verbintenissen tot terugbetaling niet zal nakomen. Het geschil spitst zich, voor zover de vordering strekt tot nakoming, toe op de vraag of de borgstellingen door [echtgenote gedaagde] met succes zijn vernietigd.

5.2.

Voor de beantwoording van die vraag is in de eerste plaats van belang of het zogenoemde toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 sub c BW op de onderhavige borgstellingen van toepassing is. Laatstgenoemd wetsartikel bepaalt dat een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot behoeft voor (onder meer) het aangaan van overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Ontbreekt die toestemming, dan kan de rechtshandeling (in dit geval: de borgstelling), door de echtgenoot wiens toestemming vereist was worden vernietigd, tenzij de wederpartij (in dit geval:

[naam 1 BV]) te goeder trouw was. Bij de beoordeling of het toestemmingsvereiste in een concreet geval van toepassing is moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het verstrekken van zekerheid in de uitoefening van het eigen beroep en bedrijf van de echtgenoot (zoals door een vrije beroepsbeoefenaar of eigenaar van een eenmanszaak), waarop de in artikel 1:88 lid 1 sub c genoemde uitzondering ziet, en anderzijds het verstrekken van zekerheid (door de bestuurder/grootaandeelhouder) ten behoeve van de bedrijfsuitoefening door een B.V. of N.V. Voor dat laatste geval bevat artikel 1:88 lid 5 BW een afzonderlijke uitzondering op het toestemmingsvereiste.

5.3.

[naam 1 BV] stelt dat de in artikel 1:88 lid 1 sub c genoemde uitzondering op het toestemmingsvereiste zich voordoet, omdat [gedaagde] de borgtochten heeft afgegeven “in de normale uitoefening van zijn beroep en bedrijf”. Nu het bedrijf waarop [naam 1 BV] (kennelijk) doelt (zij heeft het over de activiteiten van [naam 2 BV]) worden uitgeoefend door een besloten vennootschap en niet een eigen ondernemersactiviteit van [gedaagde] betreft, is de in artikel 1:88 lid 1 sub c bedoelde uitzondering reeds daarom niet van toepassing. Gelet op de door [naam 1 BV] ingenomen stellingen wil zij zich mogelijk (mede) beroepen op de in artikel 1:88 lid 5 voorziene uitzondering. Daarin is bepaald dat het toestemmingsvereiste niet geldt voor iemand die (a) bestuurder van de vennootschap is en (b) alleen of samen met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen in de vennootschap houdt, terwijl (c) voorts als vereiste geldt dat de rechtshandeling waarvoor de zekerheid (in dit geval de borgtocht) is verstrekt, geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] bestuurder en tevens (via [naam 3 Holding BV], [naam 4 BV] en [naam 5 Holding BV] meerderheidsaandeelhouder is van [naam 2 BV]. Dat [gedaagde] niet rechtstreeks maar via “tussengeschakelde vennootschappen” aandeelhouder is van [naam 2 BV] staat aan de toepasselijkheid van artikel 1:88 lid 5 BW niet in de weg (vgl. HR 11 juli 2003,

NJ 2003, 173). [naam 1 BV] stelt dat de borgtochten door [gedaagde] zijn verstrekt in het kader van de normale uitoefening van zijn bedrijf. Zij voert in dat verband aan dat [gedaagde] ondernemer is op het gebied van administratieve en financiële dienstverlening en dat het opstellen van geldleningsovereenkomsten en het afgeven van borgtochten daarvan onderdeel uitmaken. Voorts stelt zij, onder het overleggen van statuten van [naam 4 BV] en [naam 2 BV] Holding B.V., dat laatstgenoemde vennootschappen onder meer tot doel hebben het verstrekken van geldleningen aan derden alsmede het stellen van zekerheden. Met het oog op de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW is evenwel niet relevant of het verstrekken van zekerheden tot de normale bedrijfsuitoefening van de relevante B.V. (in dit geval [naam 2 BV] en dus niet de tussengeschakelde vennootschappen) behoort, maar of de rechtshandeling waarvoor de borgtocht is verstrekt – in dit geval de geldleningen van [naam 1 BV] aan [stichting] – is verricht ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van [naam 2 BV]. [naam 1 BV] heeft in dat verband gesteld dat [gedaagde] zich als borg heeft verbonden omdat [naam 2 BV] hoofdsponsor zou worden van [stichting]. [naam 1 BV] heeft vooruitlopend op het op 1 januari 2013 ingaande hoofdsponsorschap van [naam 2 BV] liquiditeiten verstrekt aan [stichting], waarbij het de bedoeling was dat zodra de sponsorgelden zouden binnenvloeien, [naam 1 BV] zou worden afgelost, aldus [naam 1 BV]. [gedaagde] betwist dat de sponsorovereenkomst en de geldleningen van [naam 1 BV] aan elkaar verbonden waren als door [naam 1 BV] gesteld. Of en in hoeverre het door [naam 1 BV] gestelde verband bestond tussen de sponsorovereenkomst en de geldleningen kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven, nu niet, althans onvoldoende onderbouwd is gesteld en evenmin is gebleken dat de door [naam 1 BV] verstrekte geldleningen nodig waren voor of bijdroegen aan de totstandkoming van de sponsorovereenkomst tussen [naam 2 BV] en [stichting]. Voor zover [naam 1 BV] zich al op het standpunt heeft willen stellen dat het aangaan van de sponsorovereenkomst deel uitmaakte van de normale bedrijfsuitvoering van [naam 2 BV] (en daargelaten of zij daarin kan worden gevolgd), is niet komen vast te staan dat de geldleningen door [naam 1 BV] – een derde die met de bedrijfsvoering van [naam 2 BV] niet verbonden was – ten behoeve van die gestelde normale bedrijfsuitoefening van [naam 2 BV] zijn verstrekt. Hieruit volgt dat (ook) de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW niet van toepassing is en dat voor de door [gedaagde] verstrekte borgtochten het toestemmingsvereiste onverkort geldt.

5.4.

Vervolgens ligt de vraag voor of [echtgenote gedaagde] toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de borgstellingen. Niet in geschil is dat dit destijds niet is gebeurt.

[naam 1 BV] stelt dat [echtgenote gedaagde] de vereiste toestemming, die vormvrij is, achteraf heeft verleend. Dit leidt [naam 1 BV] af uit het telefoongesprek tussen [naam A] en [echtgenote gedaagde], waarin [echtgenote gedaagde] zegt dat de brief waarmee zij de borgstellingen vernietigt haar ter ondertekening is voorgelegd en dat zij, indien zij zich bewust was geweest van de consequenties van die brief, de brief niet ondertekend zou hebben. Daaruit volgt volgens [naam 1 BV] dat zij, indien haar destijds om toestemming zou zijn gevraagd, die toestemming zou hebben gegeven. In die redenering kan [naam 1 BV] niet worden gevolgd. Nog daargelaten of het achteraf verlenen van toestemming door de echtgenote (temeer nadat zij de rechtshandeling wegens het ontbreken van die toestemming heeft vernietigd) überhaupt mogelijk is, kan uit de uitlatingen van [echtgenote gedaagde] in genoemd telefoongesprek niet worden opgemaakt dat zij alsnog haar toestemming heeft verleend (of willen verlenen) voor het aangaan van de borgstellingen door [gedaagde], zodat bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt heeft te gelden dat die toestemming niet is gegeven.

5.5.

[naam 1 BV] heeft, voor het geval het toestemmingsvereiste van toepassing wordt geacht, nog gesteld dat zij in deze te goeder trouw is, zodat op grond van het bepaalde in artikel 1:89 BW aan [echtgenote gedaagde] niet de bevoegdheid tot vernietiging toekomt. Zij stelt daartoe dat zij (althans [naam A]) in het gerechtvaardigde vertrouwen verkeerde dat zij door de borgstelling volledige zekerheid verkreeg op terugbetaling, omdat zij wist dat [gedaagde] over voldoende vermogen beschikte. [gedaagde] heeft vanuit zijn eigen professie de geldleningsovereenkomsten opgesteld en het had op zijn weg gelegen om [naam 1 BV] over het toestemmingsvereiste te informeren. Vanwege zijn vriendschap met [gedaagde] en zijn echtgenote mocht [naam A] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [echtgenote gedaagde] wist van de borgstellingen en nimmer haar toestemming zou weigeren zonder dat [gedaagde] zelf dit van haar zou vragen. Bovendien werd haar vertrouwen gewekt door het feit dat zij in januari 2013 op verzoek van [gedaagde] zelf nog eens € 25.000,-- aan [stichting] heeft betaald, welk bedrag conform de toezegging binnen een week is terugbetaald, waarmee [gedaagde] aantoonde een betrouwbare partner te zijn. [naam 1 BV] heeft – samengevat – aangevoerd dat [naam 1 BV] niet te goeder trouw was, nu zij (althans [naam A]) wist dat [gedaagde] gehuwd was en had moeten weten dat toestemming van [echtgenote gedaagde] vereist was en het bestaan van die toestemming eenvoudig bij [echtgenote gedaagde] had kunnen nagaan. [naam 1 BV] mocht er ook in de door haar geschetste omstandigheden van het geval niet zomaar vanuit gaan dat toestemming was gegeven of zou worden gegeven. Evenmin mocht zij ervan uitgaan dat [gedaagde] meer kennis had van het in dit geval toepasselijke recht dan zijzelf, aldus [gedaagde].

Bij de beoordeling ter zake van de gestelde goede trouw wordt vooropgesteld dat de voor een rechtsgevolg vereiste goede trouw niet alleen ontbreekt wanneer de persoon in kwestie de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen (artikel 3:11 BW).

[naam 1 BV] (in persoon van haar bestuurder [naam A]) wist dat [gedaagde] op het moment van het aangaan van de borgstellingen gehuwd was. Haar gestelde onbekendheid met het toestemmingsvereiste kan haar niet baten, nu rechtsdwaling op dat punt slechts in bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen (vgl. HR 15 december 1978, NJ 1979, 427). Overigens is haar stelling dat zij erop mocht vertrouwen dat [echtgenote gedaagde] haar toestemming niet zou onthouden in tegenspraak met de gestelde onbekendheid met het toestemmingsvereiste en wordt aan die stelling reeds daarom voorbijgegaan. Of

[echtgenote gedaagde] op de hoogte was van de borgstellingen (hetgeen [gedaagde] betwist) kan in het midden blijven, omdat uit bekendheid nog geen toestemming volgt. Ten slotte kan ook uit het feit dat een medewerkster van [naam 2 BV] de geldleningsovereenkomsten heeft opgesteld geen goede trouw aan de zijde van [naam 1 BV] worden afgeleid, nu door [naam 1 BV] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zij had mogen aannemen dat [gedaagde] daarmee de behartiging van haar (juridische) belangen op zich had genomen in die zin dat van haar geen eigen onderzoek dan wel het vragen van juridisch advies mocht worden gevergd. Van goede trouw in de zin van artikel 1:89 BW was aan de zijde van

[naam 1 BV] dus geen sprake.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat [echtgenote gedaagde] gerechtigd was de borgstellingen te vernietigen, hetgeen zij bij brief van 21 september 2013 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft gedaan. [naam 1 BV] stelt dat uit het hiervoor genoemde telefoongesprek tussen [naam A] en [echtgenote gedaagde] blijkt dat (voor zover al geen sprake is van achteraf verleende toestemming) [echtgenote gedaagde] de borgstellingen niet heeft vernietigd. [gedaagde] betwist dat het bewuste telefoongesprek aldus moet worden uitgelegd en wijst er in dat kader op dat sinds het ondertekenen van de vernietigingsbrief door [echtgenote gedaagde] de relatie tussen de echtgenoten ernstig is verstoord en dat tussen hen inmiddels een echtscheidingsprocedure speelt.

Bij de beoordeling van dit verweer wordt vooropgesteld dat gesteld noch gebleken is dat [echtgenote gedaagde] op het moment dat zij de brief ondertekende niet de vernietiging van de borgstellingen beoogde (daargelaten of zij besefte wat de consequenties van dat rechtsgevolg voor de vordering van [naam 1 BV]/[naam A] zouden zijn). Van een ontbreken van een met de in de brief vervatte verklaring overeenstemmende wil is dus geen sprake. De telefonische mededeling van [echtgenote gedaagde] aan [naam A], dat zij de vernietigingsbrief niet zou hebben ondertekend indien zij zou hebben geweten wat daarvan de consequenties voor hem waren, heeft naar het oordeel van de rechtbank als zodanig niet tot gevolg dat de in die brief vastgelegde rechtshandeling (de vernietiging) ongedaan wordt gemaakt. Uit haar telefonische opmerking jegens [naam A] blijkt hooguit dat [echtgenote gedaagde] spijt heeft van de door haar verrichte vernietiging, maar niet dat zij die vernietiging intrekt of (wegens enig wilsgebrek) vernietigt, zo dat al mogelijk zou zijn. Een schriftelijke verklaring zijdens [echtgenote gedaagde] met die strekking is door [naam 1 BV] ook niet overgelegd. [echtgenote gedaagde] verbindt aan haar mededeling dat zij, indien zij van de consequenties voor [naam 1 BV]/[naam A] op de hoogte was geweest, de vernietigingsbrief niet zou hebben ondertekend, kennelijk geen juridische consequenties en [naam 1 BV] heeft de daaruit door haar getrokken consequentie onvoldoende onderbouwd.

5.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de borgstellingen door [echtgenote gedaagde] rechtsgeldig zijn vernietigd, zodat [gedaagde] niet uit hoofde van die borgstellingen tot betaling van het door [stichting] geleende aan [naam 1 BV] is gehouden. Op de door [naam 1 BV] primair gestelde grondslag is haar vordering dus niet toewijsbaar.

5.8.

Ook voor zover [naam 1 BV] haar vordering baseert op onrechtmatige daad dient deze te worden afgewezen. Het onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft er volgens

[naam 1 BV] in de eerste plaats uit bestaan dat hij [naam 1 BV] niet heeft gewaarschuwd voor het feit dat de toestemming van zijn echtgenote ontbrak terwijl die mogelijkerwijs wel vereist was. [naam 1 BV] hecht in dat verband kennelijk ook belang aan het feit dat de door [gedaagde] als borg mede ondertekende geldleningsovereenkomsten door (een medewerker van) [naam 2 BV] zijn opgesteld. [gedaagde] heeft als verweer op dit punt onder meer aangevoerd dat hij ten tijde van het aangaan van de borgstellingen niet wist dat daarvoor de toestemming van zijn echtgenote vereist was en dat hij daarop pas is gewezen door zijn advocaat nadat [naam 1 BV] hem aansprak als borg. Dat [gedaagde] op de hoogte was van het toestemmingsvereiste is door [naam 1 BV] – gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] – onvoldoende onderbouwd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat [gedaagde] daarvan niet op de hoogte was. Reeds daarom valt [gedaagde] persoonlijk in dit verband geen onrechtmatige gedraging te verwijten, nog daargelaten of [gedaagde], indien hij wel op de hoogte was geweest of had moeten zijn van het toestemmingsvereiste, gehouden was [naam 1 BV] daarop te wijzen. Dat de geldleningsovereenkomsten door [naam 2 BV] zijn opgesteld maakt dit niet anders, reeds omdat eventuele nalatigheden van [naam 2 BV] bij het opstellen van de geldleningsovereenkomsten zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet als onrechtmatige gedraging van [gedaagde] persoonlijk kunnen worden beschouwd.

5.9.

[naam 1 BV] stelt voorts dat het feit dat [naam 2 BV] niet tot betaling van de sponsorgelden aan [stichting] is overgegaan de vraag opwerpt of [gedaagde] verplichtingen is aangegaan waarvan hij wist dan wel behoorde te weten dat deze niet zouden worden nagekomen. Onduidelijk is welke juridische consequenties [naam 1 BV] aan het opwerpen van deze vraag verbindt. Voor zover [naam 1 BV] hiermee heeft beoogd te stellen dat [gedaagde] ter zake van het niet nakomen van de verplichtingen uit de sponsorovereenkomst door [naam 2 BV] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, op grond waarvan hij aansprakelijk zou zijn voor de door het niet terugbetalen van het geleende door [stichting] aan de zijde van [naam 1 BV] geleden schade, heeft zij haar stellingen – onder andere ten aanzien van de voorzienbaarheid van het niet nakomen door [naam 2 BV] en het verband met het niet terugbetalen van het geleende door [stichting] – onvoldoende onderbouwd, zeker gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] op voornoemde punten, zodat daaraan voorbij zal worden gegaan. Van een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [naam 1 BV] is dus geen sprake.

5.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [naam 1 BV] zal worden afgewezen.

5.11.

[naam 1 BV] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 842,00

- salaris advocaat € 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.630,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [naam 1 BV] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.630,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2014.1

1 EB/Vg