Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7123

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
05/720174-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Zutphense verdachte is voor het plegen van 2 woninginbraken veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf. Ook moet hij een schadevergoeding van € 1.200,-- betalen aan één van de benadeelden.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte 2 andere woninginbraken zou hebben gepleegd en komt daarom tot oplegging van een kortere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/720174-1405/720174-14

Uitspraak d.d.: 17 november 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te Zutphen,

thans gedetineerd in [adres 1].

Raadsman: mr. Visschers, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 november 2014.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2014 tot en met 29 juni 2014 te Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 5]) heeft weggenomen een tablet (Samsung Galaxy) en/of een of meer laptops (HP en/of Samsung) en/of een fotocamera (Sony Cybershot) en/of een mobiele telefoon (Nokia Lumia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (te weten middels het vernielen van een ruit van de achterdeur van voornoemde woning);

(incident 5)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 mei 2014 te Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft weggenomen een of meer laptops, in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(incident 2)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks de periode van 23 mei 2014 tot en met 27 mei 2014 te Zutphen, althans in Nederland, een laptop (Medion) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze laptop wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 06 juli 2014 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 3]) heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en/of een geldbedrag van 2600 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (te weten middels het verbreken/forceren van de tuinpoort van/behorende bij voornoemde woning en/of (vervolgens) het via een bovenlicht de woning binnengaan);

(incident 6)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 15 juli 2014 te Warnsveld, in de gemeente Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan Het [adres 4]) heeft weggenomen een (Toshiba) laptop en/of een camera (Nikon) (met toebehoren) en/of een (Apple) Ipad en/of een hoeveelheid sieraden en/of een (Packard Bell) laptop en/of een (Apple) Iphone en/of een spelcomputer (Nintendo) en/of een navigatiesysteem (Tomtom), in elk geval (enig)

goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (te weten middels het verbreken/forceren van een (slaapkamer)raam van voornoemde woning);

(incident 7)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

In de periode van december 2013 tot half juli 2014 vond een groot aantal woninginbraken plaats in Zutphen en omgeving. Bij een aantal inbraken die in mei en juni werden gepleegd werden technische sporendragers aangetroffen die wezen in de richting van verdachte. Verdachte is vervolgens aangehouden en bevindt zich sindsdien in voorarrest.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd dat het onder 1 ten laste gelegde feit niet bewezen verklaard kan worden. Er is geen rapport met betrekking tot DNA-onderzoek aanwezig, maar enkel een DNA-clusterprofiel 4213 op naam van verdachte. De rechtbank kan aan de hand van het DNA-clusterprofiel niet controleren of het op de peuk aangetroffen DNA-materiaal inderdaad van verdachte is. Bovendien is een peuk verplaatsbaar. Als er al een peuk met daarop DNA materiaal van verdachte in de woning is aangetroffen, wil dat niet zeggen dat verdachte in die woning is geweest. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit dient eveneens vrijspraak te volgen. Er is slechts één bewijsmiddel dat in de richting van verdachte wijst. De enkelvoudige fotoconfrontatie heeft geen toegevoegde waarde. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Verdachte is herkend op het moment dat hij in de buurt was van de woning. Het gegeven signalement kan wel het signalement van verdachte zijn, maar niet van degene die heeft ingebroken in de woning. Bovendien wordt er verwezen naar een herkenning via de zogenaamde "foslo-confrontatie”, maar de aan de getuige getoonde foto’s zijn niet aan het dossier toegevoegd. Deze confrontatie is niet controleerbaar en kan daarom niet voor het bewijs gebruikt worden.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1:

[benadeelde 1] heeft aangifte gedaan. Hij heeft – zakelijk weergegeven – verklaard2 dat er in de periode van 28 juni 2014 te 16.30 uur en 29 juni 2014 te 00.45 uur is ingebroken in zijn woning aan de [adres 5]. Hij had de woning afgesloten toen hij deze verliet. Op het moment dat hij thuis kwam zag hij het glas van de keukendeur was ingeslagen. Er is weggenomen een tablet, merk Samsung type Galaxy; een fotocamera van het merk Sony, type Cybershot; een computer (notebook) laptop van het merk HP; een computer (notebook) van het merk Samsung; en een mobiele telefoon Nokia Lumia 800.

Er is sporenonderzoek3 verricht. Op de vloer in de woonkamer van de woning is een sigarettenpeuk aangetroffen, die niet van de bewoner was. Deze is veiliggesteld ten behoeve van DNA-onderzoek onder SIN AAHF7237NL. Uit het DNA-profielcluster 4213 blijkt dat het van de sigarettenpeuk verkregen enkelvoudig DNA-profiel matcht met het DNA- profiel van verdachte en dat de kans dat het aangetroffen DNA van een willekeurige persoon is, kleiner is dan één op één miljard. Uit het DNA-profielcluster 4213 blijkt dat het DNA-identiteitszegel overeenkomt met het SIN-nummer van de veiliggestelde peuk. Anders dan de raadsman twijfelt de rechtbank daarom niet aan de betrouwbaarheid van de in het DNA-profielcluster 4213 opgenomen onderzoeksresultaten.

Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht en heeft daarmee geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de sigarettenpeuk in de woning. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat verdachte degene is geweest die het spoor op de plaats van het delict heeft achtergelaten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan het daderschap van verdachte te twijfelen. Zij acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen dat er bij deze inbraak sprake is geweest van een medepleger.

Feit 2:

Er is onderzoek gedaan naar goederen die zijn weggenomen tijdens een op 23 mei 2014 gepleegde woninginbraak aan de [adres 6]. Uit dat onderzoek is gebleken dat een daarbij weggenomen laptop is gebruikt door een IP adres, afkomstig van de [adres 7], het woonadres van [benadeelde 6].

[benadeelde 6] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op 25 mei 2014 werd aangesproken door twee jongens die hem vroegen of hij interesse in een laptop. Het was geen dure laptop en er zat geen tas en geen oplaadkabel bij. Een van de jongens kent hij als [verdachte]. Toen hij zei dat hij geen interesse had vroegen de jongens of hij de laptop niet wilde belenen. Hij heeft dat gedaan en € 45,= betaald aan de jongens.

Uit het proces-verbaal van bevindingen4 blijkt dat het door [benadeelde 6] gegeven signalement en de door die persoon opgegeven naam [verdachte] past bij de verdachte [verdachte]. [benadeelde 6] heeft op een hem getoonde foto van verdachte hem herkend als degene die hij kent als [verdachte].

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 25 mei 2014 een laptop bij zich heeft gehad die afkomstig was van de op 23 mei 2014 gepleegde woninginbraak aan de [adres 6]. De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte de woninginbraak (mede) heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt ook niet hoe de verdachte (mede) in het bezit van die laptop is gekomen, zodat niet bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van die laptop wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Om die reden kan ook geen sprake zijn van opzetheling. Verdacht had dat mogelijk wel redelijkerwijs moeten vermoeden, maar nu de schuldhelingsvariant niet ten laste is gelegd, kan daarvoor geen bewezenverklaring volgen.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van onder 2 primair tenlastegelegde woninginbraak en de subsidiair ten laste gelegde opzetheling.

Feit 3:

[benadeelde 4] heeft aangifte5 gedaan. Zij heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat zij op 6 juli 2014 haar woning op het adres [adres 3] te Zutphen afgesloten heeft achtergelaten. Toen zij die dag om 19.15 uur weer thuis kwam zag zij op de plavuizen in de woonkamer vanaf de achterdeur natte voetstappen staan. Ook stond er een deur open. De achterdeur was niet meer dicht, maar stond op een kier. Buiten zag zij onder het raam twee slippers staan die niet van haar waren. Toen zij naar de poort achter in de tuin liep kwam er iemand uit haar huis stormen. De man rende gebukt en met het hoofd afgewend en droeg geen schoenen maar liep op witte sokken. Hij rende weg. Zij riep: “Hij heeft mijn tas” waarna de man spullen van zich afwierp. Uit de woning is een bedrag van € 2.600,-- en twee ringen en een broche weggenomen.

Er is sporenonderzoek6 verricht. Op het kozijn van het bovenlicht waren vegen van handen en vingers zichtbaar en ook een greepspoor. Dit was passend bij inklimmen. Het greepspoor is veilig gesteld en geregistreerd onder SIN AAHF7516NL. Uit het rapport van dactyloscopisch onderzoek7 blijkt dat de sporendrager onder dat nummer heeft geleid tot individualisatie van het spoor van verdachte.

Ook is er onderzoek8 gedaan naar sporen op de bij het inklimraam aangetroffen slippers. De uitkomst van het onderzoek9 is dat er een relatief grote hoeveelheid celmateriaal is aangetroffen dat van verdachte afkomstig is waarbij de kans dat het aangetroffen DNA van een willekeurige persoon is, kleiner is dan één op één miljard

De verdachte heeft verklaard10 dat de slippers die op 6 juli 2014 zijn aangetroffen bij het adres [adres 3] te Zutphen van hem zijn.

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4:

Er is aangifte gedaan van een woninginbraak op 15 juli 2014. De verdachte heeft ter terechtzitting van 17 november 2014 ontkend dat hij dit feit heeft gepleegd.

Verdachte is in het tijdvak waarbinnen de woningbraak is gepleegd door een getuige in de omgeving van de woning gezien. Er zijn echter geen bewijsmiddelen voorhanden waaruit de betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid, zodat de verdachte vrijgesproken dient te worden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 28 juni 2014 tot en met 29 juni 2014 te Zutphen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 5] heeft weggenomen een tablet (Samsung Galaxy) en laptops (HP en Samsung) en een fotocamera (Sony Cybershot) en een mobiele telefoon (Nokia Lumia), toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, te weten middels het vernielen van een ruit van de achterdeur van voornoemde woning;

3.

hij op 6 juli 2014 te Zutphen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en een geldbedrag van 2600 euro, toebehorende aan [benadeelde 4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming, te weten middels het verbreken/forceren van de tuinpoort behorende bij voornoemde woning en vervolgens het via een bovenlicht de woning binnengaan.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft, uitgaande van bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot:

  • -

    18 maanden gevangenisstraf, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een behandeling dient te ondergaan. Uit de over verdachte opgemaakte rapportage komt naar voren dat behandeling noodzakelijk is, maar door de weigering van verdachte om aan onderzoek mee te werken heeft er geen diagnostiek kunnen plaatsvinden. Dit onderzoek en behandeling kunnen in het kader van ISD gaan plaatsvinden.

De raadsman heeft naast de bepleite vrijspraken aangevoerd dat de gevorderde gevangenisstraf passend zou kunnen zijn indien alle feiten bewezen verklaard kunnen worden. Het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is niet aan de orde nu deze maatregel in recente vergelijkbare situaties niet tegen verdachte is gevorderd. Voor het geval de ISD-maatregel aan verdachte opgelegd gaat worden dient er een lagere gevangenisstraf opgelegd te worden. De motivatie om behandeld te worden zal namelijk afnemen door het vooraf ondergaan van een langdurige vrijheidsstraf en zal in dat geval in feite alleen maar voortzetting van de vrijheidsbeneming betekenen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan twee gekwalificeerde diefstallen. Door het plegen van deze feiten heeft hij schade en overlast voor de benadeelden veroorzaakt. Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking geweest voor het plegen van soortgelijke feiten en is ook veroordeeld tot gevangenisstraffen.

De officier van justitie heeft de strafeis mede gebaseerd op het aantal - in haar visie - bewezen te verklaren feiten. De rechtbank heeft een deel daarvan niet bewezen verklaard. Zij komt daarom tot oplegging van een kortere gevangenisstraf dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden.

De officier van justitie heeft naast een gevangenisstraf de oplegging van de ISD-maatregel gevorderd. In HR 21 maart 2006, NJ 2006, 223, heeft de Hoge Raad echter bevestigd - mede op basis van een uit de wetsgeschiedenis blijkende bewuste keuze van de wetgever - dat in de wet niet is voorzien in de mogelijkheid een ISD-maatregel te combineren met een gevangenisstraf, zodat die combinatie niet mogelijk is.

Nu, zoals de officier van justitie ter terechtzitting heeft laten weten, op dit moment niet bekend is of plaats is voor verdachte op een zogenaamde ISD-plek, bestaat voor de rechtbank ook niet de mogelijkheid om (in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf) enkel een ISD-maatregel aan verdachte op te leggen.

Vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 391,05 ingediend ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu aan de benadeelde partij geen rechtstreekse schade is toegebracht, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.

De benadeelde partij [benadeelde 4] een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.800,-- ingediend ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering. De vordering is ten dele onderbouwd en een deel van de schade blijkt door de verzekering te zijn vergoed. De behandeling van de vordering is derhalve een onevenredige belasting van het strafproces.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering wegens het ontbreken van een onderbouwing niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Nu de hoogte van vordering niet is betwist en deze de rechtbank gegrond voorkomt, kan de vordering op zich toewezen worden. De rechtbank stelt de schade die thans nog wordt geleden op een bedrag van € 1.200,--, nu uit de verklaring van aangeefster/benadeelde blijkt dat zij een deel van de schade, namelijk een bedrag van € 2.600,--, door de verzekering uitgekeerd heeft gekregen. Dat deel van de vordering wordt derhalve afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om aan de verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te noemen som geld ten behoeve van voornoemde benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 4], rekeningnummer NL [nummer], van een bedrag van € 1.200,--, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] voor het overige af;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4], een bedrag te betalen van € 1.200,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis;

 bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Kleinrensink, voorzitter, Gilhuis en Doon, rechters, in tegenwoordigheid van Van Aalst, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 november 2014.

Mr. Doon is buiten staat mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630-2014102698, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gesloten op 21 september 2014.

2 Proces-verbaal van aangifte met goederenbijlage, pag. 284-288

3 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pag. 292-293

4 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 214

5 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 4], pag. 302, 303 en 305

6 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pag. 346-348

7 Rapport Dactyloscopisch Onderzoek, pag. 350-357

8 Rapport aanvraag DNA-onderzoek sporen, pag. 358

9 Rapport DNA-onderzoek van het NFI, pag. 364-366

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 379