Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7122

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
268527
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Litispendentie (art. 12 Rv). Incidentele vordering tot aanhouding van de hoofdzaak totdat in de tussen partijen eerder in Turkije aanhangige procedure is beslist. Beroep op artikel 12 Rv slaagt niet, omdat een Turks vonnis niet krachtens een exequatur in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. Eiser in het incident mag zich nog uitlaten over het voorstel van de wederpartij om de zaak drie maanden aan te houden in afwachting van de beslissing van de Turkse rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/268527 / HA ZA 14-433

Vonnis in incident van 12 november 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. H. Killi te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. W.K. Cheng te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie tot litispendentie c.q. onbevoegdverklaring ex artikel 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

  • -

    de incidentele antwoordconclusie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

In het kader van het incident gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2.2.

[eiser] is bestuurder van een Turkse onderneming die hierna wordt aangeduid als Tuana. Tuana is gevestigd in [plaats].

2.3.

Op 6 december 2013 hebben [eiser] en [gedaagde] in [plaats] een overeenkomst gesloten, in het kader waarvan [gedaagde] 50% van de aandelen in Tuana heeft gekocht van [eiser] tegen een bedrag van € 1.500.000,00. Een vertaling van deze overeenkomst is overgelegd als productie 6 bij dagvaarding en luidt onder meer als volgt:

€ 400.000 zal bij vooruitbetaling worden betaald, verder zal er maandelijks € 10.000 worden betaald, dus € 100.000 in 10 maanden, terwijl [gedaagde] de resterende € 1.000.000,00 zal geven nadat hij zijn vorderingen met betrekking tot zijn hotel heeft ontvangen.

[…]

Zolang de formaliteiten ten aanzien van de aandelenoverdracht voortduren, zal er een schuldbekentenis worden verstrekt ter zekerheid van de ontvangen € 400.000. Bij afronding van de aandelenoverdracht zal de schuldbekentenis worden teruggegeven.

Indien [gedaagde] om enigerlei reden afziet van een en ander, kan hij het door hem gegeven geld terugkrijgen (waarbij hij een redelijke termijn dient toe te kennen).

2.4.

De aandelen zijn overgedragen aan [gedaagde] na een daartoe strekkend besluit van de Raad van Bestuur van Tuana van 5 december 2013 te [plaats]. Van de overdracht is mededeling gedaan in het aandeelhoudersregister te [plaats]. Verder is het herziene aandeelhoudersoverzicht ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Industrie te [plaats] en heeft publicatie van de aandelenoverdracht plaatsgevonden in de Handelsregistercourant Turkije.

2.5.

Volgens de dagvaarding heeft [gedaagde] – tegen ontvangst van de overeengekomen schuldbekentenis – slechts € 400.000,00 van de totale koopprijs aan [eiser] betaald. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van [eiser] om teruggave van de schuldbekentenis.

2.6.

Productie 18 bij dagvaarding omvat een vertaling van een brief van de Turkse advocaat van [gedaagde] aan ‘het 5e Notariaat te Antalya’ van 16 juni 2014, waarin namens [gedaagde] wordt meegedeeld dat hij uit de vennootschap wil uittreden en het door hem betaalde bedrag binnen zeven dagen teruggestort wil hebben omdat Tuana haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt.

2.7.

Bij brief van 9 juli 2014 heeft de raadsman van [eiser] [gedaagde] verzocht en voor zover nodig gesommeerd om de achterstallige termijnbetalingen over de maanden januari tot en met juli 2014 oftewel € 70.000,00 en het uiterlijk in juni 2014 verschuldigde bedrag van € 1.000.000,00, samen € 1.070.000,00, alsnog te voldoen en de nog resterende deelbetalingen tijdig te voldoen. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.8.

Na daartoe op 14 juli 2014 verkregen verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft [eiser] op 18 en 21 juli 2014 ten laste van [gedaagde] conservatoire beslagen gelegd onder ING Bank, op onroerende zaken van [gedaagde] in [plaats], op een aantal personenauto’s die zich bevonden bij Careca Cars B.V. te Berg en Dal en op de certificaten van aandelen van [gedaagde] in de Stichting Beheer Aandelen Jasca Holding te Nijmegen.

2.9.

Op 24 juli 2014 (volgens [gedaagde]) of 1 augustus 2014 (volgens [eiser]) heeft [gedaagde] een procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt bij de Turkse rechter. In die procedure vordert [gedaagde] onder meer terugbetaling van de door hem betaalde € 400.000,00.

2.10.

De dagvaarding in de onderhavige hoofdzaak is uitgebracht op 30 juli 2014.

2.11.

[gedaagde] heeft [eiser] gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank en in kort geding, kort gezegd, opheffing gevorderd van de onder 2.8 bedoelde beslagen. Bij vonnis van 1 september 2014 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [gedaagde] afgewezen.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert in de hoofdzaak, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan hem van:

  1. de hoofdsom van € 1.070.000,00;

  2. € 41.253,27 aan wettelijke handelsrente;

  3. € 6.102,61 wegens kosten conservatoir beslag;

  4. € 6.775,00 wegens buitengerechtelijke kosten;

  5. € 6.422,00 wegens salaris advocaat;

  6. € 1.519,00 aan griffierecht;

één en ander vermeerderd met wettelijke rente en nakosten, en ten slotte:

veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de onder 2.3 bedoelde overeenkomst. De vordering strekt tot nakoming en tot vergoeding van de schade die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde].

3.3.

[gedaagde] heeft in de hoofdzaak nog niet geantwoord.

4 Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan

4.1.

De incidentele vordering van [gedaagde] strekt ertoe, samengevat, dat de rechtbank de behandeling van de hoofdzaak aanhoudt totdat is beslist in de procedure die tussen [gedaagde] en [eiser] aanhangig is bij de Turkse rechter, waarna de rechtbank zich op grond van artikel 12 Rv onbevoegd kan verklaren om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. [gedaagde] voert in dit kader aan dat hij een zaak over hetzelfde onderwerp en met dezelfde inhoud eerder tegen [eiser] aanhangig heeft gemaakt bij de rechter in Turkije, welke zaak nog aanhangig is. [gedaagde] voert aan dat, door de behandeling van de zaak in Nederland aan te houden, wordt voorkomen dat de Turkse en de Nederlandse rechter over hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen tegengestelde beslissingen geven.

4.2.

[eiser] voert verweer in het incident.

4.3.

De rechtbank gaat hierna nader in op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

4.4.

Artikel 12 Rv bepaalt dat, indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling kan aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd.

4.5.

[eiser] voert als verweer ten eerste aan dat artikel 12 Rv niet van toepassing is, omdat de procedure in Nederland eerder is gestart dan de procedure in Turkije. Volgens [eiser] is de procedure in Turkije niet – zoals [gedaagde] stelt – op 24 juli 2014, maar op 1 augustus 2014 aanhangig gemaakt. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar productie 5 bij de incidentele conclusie van [gedaagde] en productie 22 bij de incidentele conclusie van antwoord. Het betreft een Turks document, waarvan [gedaagde] de Nederlandse vertaling heeft bijgevoegd. Het opschrift luidt: “Handelskamer van de 3e arrondissementsrechtbank in Antalya”. Als eiser staat onder meer [gedaagde] vermeld en als gedaagden onder meer Tuana en [eiser]. Op het stuk staat verder onder meer vermeld: “Rolnummer: 2014/304” en “Zittingsdatum: 01-08-2014”. [eiser] maakt hieruit op dat de Turkse procedure op 1 augustus 2014 aanhangig is gemaakt. Dat is volgens hem later dan het moment waarop de procedure in Nederland aanhangig is gemaakt. [eiser] wijst er daarbij op dat zijn verzoekschrift tot beslaglegging al op 11 juli 2014 aan de rechtbank is verzonden en dat de voorzieningenrechter op 14 juli 2014 verlof heeft verleend tot het leggen van beslag.

4.6.

Dit betoog gaat niet op. Artikel 125 Rv bepaalt dat het geding aanhangig is vanaf de dag van dagvaarding. De dagvaarding in de onderhavige zaak dateert van 30 juli 2014. Dat daarvóór al verlof tot beslaglegging was gevraagd en verleend, doet in dit verband niet ter zake. Anders dan [eiser] meent, kan er niet van worden uitgegaan dat de procedure in Turkije aanhangig is gemaakt op 1 augustus 2014. Als productie 6 bij incidentele conclusie heeft [gedaagde] immers een uit het Turks vertaalde brief overgelegd van zijn advocaat aan hem, waarin deze meedeelt dat conform opdracht van [gedaagde] een procedure aanhangig is gemaakt tegen onder meer Tuana en [eiser] bij de Handelskamer van de 3e arrondissementsrechtbank van Antalya, onder dossiernummer 2014/304. De brief dateert van 24 juli 2014. Dat is een aanwijzing dat de procedure in Turkije eerder dan 30 juli 2014, namelijk al op 24 juli 2014 aanhangig was. De datum 1 augustus 2014 die staat genoemd op productie 5 van [gedaagde] (zie hierboven 4.5) is een zittingsdatum in diezelfde procedure.

4.7.

Maar ook als de procedure in Turkije later dan de Nederlandse procedure – namelijk op 1 augustus 2013 – aanhangig zou zijn gemaakt, dan heeft te gelden dat het beroep van [gedaagde] op artikel 12 Rv niet kan slagen, omdat een Turks vonnis niet krachtens een exequatur in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, zoals [eiser] terecht heeft aangevoerd. Op grond van artikel 431 lid 1 Rv in verbinding met artikel 985 Rv kan, zonder wet of verdrag, een buitenlands veroordelend vonnis, ook al is het vatbaar voor erkenning, hier te lande niet ten uitvoer worden gelegd. De erkenning dan wel tenuitvoerlegging in Nederland van Turkse rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken is niet bij wet en/of verdrag geregeld. Dit betekent dat de weg van artikel 431 lid 1 Rv in verbinding met artikel 985-994 Rv – de exequaturprocedure – niet kan worden gevolgd.

4.8.

Gezien het voorgaande is de incidentele vordering van [gedaagde] om de zaak aan te houden op grond van artikel 12 Rv niet toewijsbaar. [eiser] verklaart echter in zijn incidentele antwoordconclusie dat hij akkoord kan gaan met een aanhouding van de zaak door deze rechtbank voor drie maanden, zodat de rechtbank de eventuele beslissing van de Turkse rechter kan betrekken bij de beoordeling van het geschil zoals dat in de onderhavige procedure voorligt. Aanhouding van de onderhavige procedure in afwachting van de uitkomst van de Turkse procedure komt ook de rechtbank geraden voor, aangezien op deze wijze tegenstrijdige beslissingen kunnen worden voorkomen. [gedaagde] heeft echter nog niet op dit standpunt van [eiser] kunnen reageren. De rechtbank zal de zaak daarom naar de rol verwijzen om [gedaagde] daartoe in de gelegenheid te stellen. Omdat de rechtbank niet goed kan inschatten of de door [eiser] voorgestelde termijn van drie maanden voldoende is om daarbinnen een uitspraak van de Turkse rechter te kunnen verwachten, wordt [gedaagde] verzocht zich – na daarover met [eiser] in overleg te zijn getreden – in zijn akte ook hierover uit te laten. Voor het overige moet de door [gedaagde] te nemen akte zich beperken tot een reactie op het hier in 4.8 bedoelde standpunt van [eiser].

4.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

In afwachting van de verdere beslissing in het incident zal in de hoofdzaak iedere beslissing worden aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 november 2014 voor akte aan de zijde van [gedaagde] waarin hij zich kan uitlaten over hetgeen is vermeld onder 4.8, waarna het schriftelijk debat in het incident tussen partijen in beginsel zal zijn beëindigd,

in het incident en in de hoofdzaak

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.

Coll.: JC