Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7052

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 515
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3:41 Awb. Artikel 6:11 Awb.

Na woningontruiming in oktober 2012 heeft eiser geen vaste woon- en verblijfplaats meer. Hij heeft verweerder niet van een adreswijziging op de hoogte gesteld. Met toezending aan het laatst bekende adres is het besluit van 10 december 2012 op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt.

Het bezwaar is buiten de termijn gemaakt.

De rechtbank acht de termijnoverschrijding verschoonbaar. Weliswaar had eiser actiever kunnen zijn, maar dat neemt niet weg dat verweerder zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser met een medewerker van verweerder die op de hoogte was van het besluit en van de door eiser gestelde omstandigheden, regelmatig via e-mail contact had maar dat eiser er in die contacten niet op is gewezen dat een besluit was genomen dat hij dat kon afhalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/515

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser][eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.E.L.Th. Balkema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 december 2013, verzonden op 18 december 2013.

2 Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 december 2013, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 10 december 2012 wegens niet tijdige indiening ervan niet-ontvankelijk is verklaard.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 september 2014. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Balkema. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door L.M.P. Servais.

3 Overwegingen

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken, welke termijn ingevolge artikel 6:8 van de Awb aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt ingevolge artikel 3:41 van de Awb, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

In artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen en bij verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de hiervoor genoemde termijn ingediend bezwaarschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Uit de gedingstukken blijkt dat het besluit van 10 december 2012 op 10 december 2012 aan eiser is verzonden.

Gelet hierop was de laatste dag van de bezwaartermijn 21 januari 2013.

Het bezwaarschrift van 27 augustus 2013 is bij verweerder ingekomen op 30 augustus 2013, derhalve na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn.

Bij schrijven van 2 september 2013 heeft verweerder eiser verzocht mee te delen wat de reden is dat het bezwaarschrift niet binnen de bezwaartermijn is ingediend.

Eiser heeft als reden voor het te laat indienen van het bezwaar – samengevat – aangevoerd dat hij sinds 15 oktober 2012 geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat hij verweerder daarvan op de hoogte heeft gesteld. Eisers woning is per oktober 2012 ontruimd. In deze periode heeft eiser via de e-mail diverse malen contact gehad met verweerder. Eiser heeft direct nadat hij de indruk kreeg dat er sprake was van besluitvorming een bezwaarschrift ingediend. Volgens eiser is er op dit moment alleen sprake van een intern besluit. Het interne besluit is ook niet aan mr. drs. A.A.P.M. Theunen, advocaat te Deurne toegezonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1582, en van 8 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9034, heeft het bestuursorgaan aan zijn bekendmakingsverplichting, als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb voldaan, als, voor zover thans van belang, het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, ook al woont betrokkene niet meer op dit adres, indien betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van een adreswijziging op de hoogte te stellen. Verweerder heeft het besluit van 10 december 2012 terecht naar de [adres] gezonden. Dat was het laatst bekende adres van eiser. Met de verzending van het besluit aan het laatst bekende adres is het besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. De termijn waarbinnen bezwaar had moeten worden gemaakt is aldus aangevangen de dag na de toezending op 10 december 2012 en was ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift reeds (ruim) verstreken.
Het bezwaar is daarom buiten de termijn gemaakt.

Dat het besluit niet aan mr.drs. Theunen te Deurne is gezonden kan niet tot een ander oordeel leiden omdat niet is gebleken dat eiser zich in de bezwaarfase door mr. Theunen heeft bij laten staan. In zijn bezwaarschrift van 27 augustus 2014 heeft eiser dit bevestigd door te stellen dat er nooit een advocaat op de zaak heeft gezeten.

De rechtbank komt naar aanleiding van hetgeen door eiser is aangevoerd tot de conclusie dat de termijnoverschrijding van het bezwaar verschoonbaar is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser regelmatig via de mail contact heeft gehad met een ambtenaar van verweerders gemeente die op de hoogte was van het besluit van 10 december 2012 en van de door eiser gestelde omstandigheden. Verweerder had zich dienen te realiseren dat, gelet op die omstandigheden, dat besluit hem waarschijnlijk niet zou bereiken. Derhalve had het op de weg van verweerder gelegen om eiser via de mail er op te wijzen dat er een besluit genomen was en dat hij het af kon halen bij de gemeente Arnhem. Dat heeft verweerder niet gedaan. Weliswaar had eiser zelf ook actiever kunnen zijn, dat neemt echter niet weg dat verweerder zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

Verweerder heeft het bezwaar, gelet op het voorgaande, ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is mitsdien gegrond.

De rechtbank heeft de kosten in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 974
(1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt
€ 487).

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

  • -

    gelast verweerder het betaalde griffierecht van € 44,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van A.A. Hommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.