Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7010

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
C/05/248393 / ES RK 13-640 en C/05/253272 / FA RK 13-25032
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is sprake van een onderwaarde van de woning. De vrouw zou in beginsel de helft hiervan aan de man moeten vergoeden. De rechtbank acht het gelet op de omstandigheden van dit geval en gelet op art 3:185 lid 1 BW in strijd met de billijkheid om de helft van de onderwaarde in zijn geheel bij de vrouw neer te leggen en zij zal de door de vrouw aan de man te betalen overbedelingsvergoeding in redelijkheid bepalen op de helft hiervan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0340
FJR 2015/23.2

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/248393 / ES RK 13-640

C/05/253272 / FA RK 13-25032

Datum uitspraak: 10 november 2014

beschikking

in de zaak van

[de man] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. C.J.A. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt te Veenendaal,

tegen

[de vrouw] (nader te noemen: de vrouw),

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. N. Menouar te Arnhem.

1 Het verdere verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    de beschikking van deze rechtbank van 04 juli 2014;

  • -

    de brief met bijlage namens de man, ingekomen op 25 juli 2014;

  • -

    het faxbericht namens de vrouw, ingekomen op 30 juli 2014;

  • -

    het faxbericht namens de man, ingekomen op 14 oktober 2014;

  • -

    het faxbericht namens de vrouw, ingekomen op 04 november 2014.

Gehoord ter terechtzitting met gesloten deuren van 16 september 2014:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt voornoemd;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Menouar voornoemd.

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de beschikking van deze rechtbank van 04 juli 2014.

2 De verdere motivering van de beslissing

2.1.

Bij beschikking van 04 juli 2014 heeft de rechtbank de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap pro forma aangehouden tot 01 augustus 2014, aangezien het belangrijkste element binnen de bestaande gemeenschap van goederen de voormalige echtelijke woning van partijen betreft en er nog onduidelijkheid bestond over het recht op de kwijtscheldingsregeling van de Nationale Hypotheek Garantie (hierna: NHG). Voorts is een raadsonderzoek gelast en is de definitieve beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek.

2.2.

Bij brief van 24 juli 2014, ingekomen op 25 juli 2014, is namens de man bericht dat de man in beginsel in staat is de hypotheek over te nemen, ervan uitgaande dat de man geen partneralimentatie hoeft te voldoen, zodat de restschuld in principe niet wordt kwijtgescholden.

2.3.

Namens de vrouw is op 30 juli 2014 bericht dat de vrouw niet bekend is met de gegevens zoals die door de man aan de bank zijn overgelegd, zodat zij niet kan verifiëren of de gemaakte toetsing juist is.

2.4.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van de zorgregeling

2.5.

De rechtbank heeft bij beschikking van 04 juli 2014 een voorlopige zorgregeling vastgesteld en een raadsonderzoek gelast. Namens de man wordt in het faxbericht van 14 oktober 2014 het verzoek tot uitbreiding van de zorgregeling ingetrokken. De man verzoekt opname in de beschikking van de in het de ouderschapsplan opgenomen zorgregeling. Bij faxbericht van 04 november 2014 verzoekt de vrouw om de huidige zorgregeling te bekrachtigen bij beschikking. De vrouw ziet af van haar verzoek tot beperking van deze regeling.

2.6.

Uit de berichtgeving van partijen volgt dat partijen overeenstemming hebben, in die zin dat zij voortzetting en (definitieve) vastlegging van de huidige zorgregeling wensen. Gelet op de bereikte overeenstemming van partijen en de intrekkingen van hun eerdere verzoeken tot uitbreiding dan wel inperking van de zorgregeling, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding meer voor de verdere uitvoering van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank zal conform de wens van partijen beslissen nu zij dit in het belang van de minderjarigen acht.

Ten aanzien van de verdeling

De woning, de hypotheekschuld en de spaarpolis

2.7.

Tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoort de echtelijke woning van partijen aan de [adres] te [woonplaats]. Thans verblijft de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning. Partijen hadden aanvankelijk deze woning gehuurd van [de stichting] te [woonplaats] (verder: de Stichting). In december 2009 hebben zij deze woning van de Stichting gekocht onder voortdurend recht van erfpacht voor € 154.000,--. Blijkens de verkoopvoorwaarden kunnen partijen deze woning niet aan derden verkopen, maar hebben zij een terugverkoopverplichting aan de Stichting, waarbij volgens een bepaalde vastgelegde formule de terugkoopwaarde wordt berekend.

In opdracht van partijen is de woning per waardepeildatum 8 mei 2013 getaxeerd op

€ 161.500,--. De terugkoopprijs die de Stichting zal betalen is op basis daarvan berekend op € 125.500,--. De hypotheekschuld bedraagt € 168.000,--. Verder is er nog een spaarpolis/verzekering (de Rabo Opbouwspaarrekening) die een waarde van € 5.102,73 heeft. Op basis van deze gegevens zal er bij terugverkoop aan de Stichting een restschuld ontstaan van € 37.397,27. Voor deze hoofdelijke gemeenschapsschuld zijn beide partijen in hun onderlinge verhouding voor de helft draagplichtig, terwijl de bank deze schuld op ieder van hen kan verhalen.

2.8.

De vrouw wenste aanvankelijk de woning aan de Stichting terug te verkopen, omdat zij daarna de woning wederom van de Stichting kon terughuren. Zij heeft echter verklaard dat zij geen middelen heeft om bij te dragen in de alsdan resterende restschuld. De man wil niet dat de woning aan de Stichting wordt terugverkocht, omdat hij vreest dat de bank bij hem de schuld gaat verhalen en hij dan in de schuldsanering terecht zal komen. De man wenst dat de woning aan hem wordt toegedeeld. Hij heeft bij brief, ingekomen op 25 juli 2014, verklaard dat hij in beginsel in staat is de woning over te nemen. Wel is hij van mening dat de vrouw aan hem de helft van de onderwaarde moet betalen. De vrouw kan op zichzelf instemmen met toedeling van de woning aan de man, echter onder de voorwaarde dat zij niet gehouden is aan de man de helft van de onderwaarde te vergoeden. Afgezien van het feit dat zij daarvoor geen middelen heeft, zou zij in dat geval de woning liever aan de Stichting willen terugverkopen, omdat zij dan de woning kan huren en dus niet hoeft te verhuizen met de kinderen.

2.9.

De rechtbank oordeelt als volgt. Nu de man in staat moet worden geacht de woning over te nemen, wordt deze, samen met de Rabo Opbouwspaarrekening, aan de man toegedeeld. Tevens zal de man de hypotheekschuld geheel voor zijn rekening moeten nemen onder vrijwaring van de vrouw en moeten bevorderen dat de vrouw uit de hoofdelijke verbondenheid wordt ontslagen. Ter uitvoering van deze verdeling is voor de overgang van de voormalige echtelijke woning aan de man nog een inschrijving van een notariële akte in de openbare registers nodig. De rechtbank zal bepalen dat partijen dienen over te gaan tot uitvoering van de verdeling ten overstaan van een notaris.

2.10.

Nu er sprake is van een onderwaarde van de woning, wordt de vrouw overbedeeld en zal zij de man uit overbedeling een vergoeding moeten betalen.
Voor de berekening van de overbedeling gaat de rechtbank uit van de thans beschikbare gegevens, nu partijen recentelijk geen actuele taxatie of andere actuele gegevens meer hebben overgelegd.

2.11.

Op basis van de aanwezige gegevens is de restschuld € 37.397,27 en zou de vrouw in beginsel de helft daarvan, derhalve € 18.698,64 aan de man moeten vergoeden. De rechtbank ziet echter in de bijzondere omstandigheden van dit geval redenen om deze vergoeding te matigen.

In de eerste plaats is van belang dat de vrouw tijdens het huwelijk fulltime huismoeder was. Onbetwist is gebleven dat deze keus tijdens het huwelijk door partijen is gemaakt vanuit een gezamenlijke (geloofs)overtuiging. De vrouw heeft haar opleiding stopgezet en is zich volledig gaan wijden aan de zorg voor de kinderen. Haar verdiencapaciteit is als gevolg van het huwelijk derhalve zeer beperkt. Mede daardoor zit de vrouw nu in de bijstand, kan zij moeilijk een baan vinden, en heeft zij geen liquide middelen. Eveneens is onbetwist gebleven dat de vrouw een dergelijk bedrag niet kan betalen en ook niet kan lenen. Bovendien komt zij voor verhuiskosten te staan, nu de woning wordt toegedeeld aan de man.

In de tweede plaats is gebleken dat de man voornemens is om langdurig in de echtelijke woning te gaan wonen. Er is geen concrete aanleiding om aan te nemen dat de man binnen afzienbare termijn door omstandigheden gedwongen zou kunnen zijn om de echtelijke woning terug te verkopen aan de Stichting, waardoor hij daadwerkelijk met genoemde restschuld geconfronteerd zou worden. De man loopt weliswaar mogelijk een risico in de verdere toekomst, maar de omvang van dat risico is afhankelijk van toekomstige fluctuaties op de woningmarkt en laat zich derhalve thans moeilijk inschatten.

De rechtbank acht het gelet op bovengenoemde omstandigheden en gelet op art. 3:185 lid 1 BW in strijd met de billijkheid om thans de rekening van € 18.698,64 in zijn geheel bij de vrouw neer te leggen en zij zal de door de vrouw aan de man te betalen overbedelingsvergoeding in redelijkheid bepalen op de helft hiervan, derhalve op € 9.349,32. Ter zitting heeft de man erkend dat de vrouw de restschuld niet kan betalen, zeker nu zij in de bijstand zit, en dat hij wil afspreken dat zij betaalt wanneer zij in de toekomst wel geld beschikbaar heeft. Gelet hierop en gelet op de moeilijke financiële omstandigheden van de vrouw, zal de rechtbank op grond van art. 3:185 lid 3 BW bepalen dat genoemd bedrag pas opeisbaar is vanaf het moment dat de vrouw niet langer in aanmerking komt voor een (aanvullende) bijstandsuitkering en dat zij vanaf dat moment genoemd bedrag in termijnen van € 100,-- per maand mag voldoen.

De auto

2.12.

De vrouw heeft de Seat Cordoba uit 2001 in gebruik om de kinderen te kunnen halen en brengen van en naar school in [plaats]. De auto heeft meer dan 2 ton op de teller en de dagwaarde is € 1.050,--, aldus de vrouw. De man is ter zitting akkoord gegaan met toedeling van de auto aan de vrouw tegen genoemde waarde, waarbij de man recht heeft op de helft van genoemd bedrag. De rechtbank zal daarom de auto aan de vrouw toedelen onder gehoudenheid om de man uit overbedeling € 525,-- te betalen. Gelet op wat hierboven is overwogen omtrent de financiële positie van de vrouw, zal de rechtbank ook ten aanzien van het verschuldigde bedrag van € 525,-- bepalen dat dit bedrag pas opeisbaar is vanaf het moment dat de vrouw niet langer in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering en dat zij dit bedrag in termijnen van € 100,-- per maand mag voldoen.

De bankrekeningen

2.13.

Partijen zijn het er over eens dat de bankrekeningen van partijen na de peildatum gezamenlijk nog zijn gebruikt om de kosten van de huishouding van te betalen. Gelet hierop zijn partijen het er over eens dat ieder zijn eigen bankrekening(en) houdt zonder nadere verrekening.

Ten aanzien van belastingschulden

2.14.

Ter zitting heeft de man verklaard nog voor circa € 2.000,-- aan belastingschulden te moeten aflossen. De vrouw heeft aangegeven zelf nog geen aangifte inkomstenbelasting gedaan te hebben, maar zij sluit niet uit dat zij ook nog met aanslagen van de belastingdienst geconfronteerd zal worden. De rechtbank gaat er van uit dat partijen hierover nader met elkaar in overleg treden en elkaar helderheid verschaffen over de schulden aan de belastingdienst. De rechtbank is van oordeel dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de belastingschulden die voortvloeien uit de huwelijkse periode van partijen.

Ten aanzien van de inboedel

2.15.

Partijen zijn het eens over de verdeling van de inboedelspullen zoals aangegeven op de lijst van de man, bijgevoegd bij diens aanvullend verzoekschrift van 22 april 2014.

Ter zitting hebben partijen afgesproken dat de man de spullen kan komen ophalen die volgens genoemde lijst aan hem toekomen, met uitzondering van de koelkast. De vrouw wenst die te behouden omdat zij die dringend nodig heeft. De rechtbank deelt de koelkast zonder nadere verrekening toe aan de vrouw, nu zij die ook nodig heeft voor de kinderen en beslist dat voor het overige de toedeling aan partijen zal zijn conform de lijst van de man.

De proceskosten

2.16.

Nu dit geschil voortvloeit uit de huwelijkse relatie tussen partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd

3 De beslissing

3.1.

stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders dat de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

bij de man verblijven:

  • -

    één weekend in de veertien dagen van vrijdag na het avondeten tot maandagmorgen;

  • -

    en één extra zaterdag in de vier weken van 9.00 uur tot 19.00 uur;

  • -

    de helft van de vakanties en feestdagen zoals opgenomen in bijlage A van het ouderschapsplan;

3.2.

deelt toe aan de man de echtelijke woning van partijen aan de [adres] te [woonplaats] evenals de Rabo Opbouwspaarrekening en bepaalt dat de man de in rechtsoverweging 2.7. genoemde hypotheekschuld geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen onder vrijwaring van de vrouw en onder de verplichting zich ervoor in te spannen de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke verbondenheid voor deze schuld;

3.3.

deelt de auto van partijen (de Seat Cordoba uit 2001) toe aan de vrouw;

3.4.

bepaalt dat de vrouw uit overbedeling aan de man dient te voldoen voor de echtelijke woning een bedrag van € 9.349,32 en voor de auto een bedrag van € 525,-- en bepaalt dat de hiervoor genoemde bedragen pas opeisbaar zijn door de man vanaf het
moment dat de vrouw niet langer in aanmerking komt voor een (aanvullende) bijstandsuitkering en dat zij vanaf dat moment genoemde bedragen in termijnen van

€ 100,-- per maand mag voldoen;

3.5.

deelt de koelkast zonder nadere verrekening toe aan de vrouw;

3.6.

deelt de overige inboedelzaken toe aan de man respectievelijk de vrouw conform de inboedellijst van de man, bijgevoegd bij diens aanvullend verzoekschrift van 22 april 2014;

3.7.

verklaart de onder 3.1 tot en met 3.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.8.

bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd;

3.9.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Knipping-Verbeek als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2014.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.