Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:7001

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-10-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
270451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebruiksovereenkomst om niet ten aanzien van een gedeelte van een perceel. Wijziging van omstandigheden, namelijk dat de overeengekomen datum van levering van het perceel niet wordt gehaald. Uit de redelijkheid en billijkheid vloeit daarom voort dat de overeenkomst door partijen moet worden voortgezet tot aan de feitelijke levering van het perceel aan die derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/270451 / KG ZA 14-477

Vonnis in kort geding van 20 oktober 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. W.J.M. van Ophuizen te Lienden, gemeente Buren,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. W. van de Velde te Rhenen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

[eiser] heeft betoogd dat de door de advocaat van [gedaagde] toegezonden producties 4 t/m 15 buiten beschouwing dienen te worden gelaten, nu deze niet 24 uur voorafgaand aan de datum en het tijdstip van de zitting zijn ingediend. [gedaagde] heeft zich hiertegen verzet en aangegeven dat bij brief van 3 oktober 2014 reeds is vermeld dat nadere stukken, die nog niet in het bezit waren van de advocaat van [gedaagde], zouden worden toegezonden/gefaxt, hetgeen vervolgens op 5 oktober 2014, om 13:33 uur, is gebeurd.

1.4.

Vooropgesteld wordt dat in artikel 6.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken civiel/familie is bepaald dat stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de terechtzitting worden ingediend in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. De voorzieningenrechter overweegt dat het ter zitting overleggen van foto’s (die zijn aangekondigd als productie 15) wordt toegestaan, nu het foto’s betreffen van de situatie ter plekke, namelijk van het perceel aan [adres], welke partijen bekend is.

Wat de overige producties betreft geldt dat de advocaat van [eiser] bekend is met de producties 8, 12 en 13 (zonder aantekeningen) en dat zij geen bezwaar heeft tegen het overleggen van deze stukken (op zondagmiddag 5 oktober 2014 voorafgaand aan de zitting op maandag 6 oktober 2014 om 15:30 uur). De voorzieningenrechter zal het overleggen van die producties dan ook toestaan. De overige, eveneens op zondag 5 oktober 2014 gefaxte producties (4 t/m 7, 9 t/m 11 en 14) zullen, indachtig de meerdere procedures die partijen al hebben gevoerd en zoals de voorzieningenrechter reeds ter zitting heeft besloten, evenwel buiten beschouwing worden gelaten, nu deze niet tijdig zijn ingediend.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn broers van elkaar. Zij zijn de vennoten geweest van [naam 1] (hierna: de v.o.f.), een tuincentrum met een hoveniersbedrijf, gevestigd aan [adres]. Partijen zijn in 2004 als vennoten uiteen gegaan.

2.2.

In het kader van de beëindiging van de samenwerking heeft in 2007 een verdeling van de onroerende zaak aan [adres] aan [gedaagde] plaatsgevonden tegen een waarde waarbij geen rekening is gehouden met de door de gemeente voorgenomen (woningbouw)ontwikkeling. Mondeling is overeengekomen dat beide partijen voor hun bedrijf het gebruik van het terrein aan [adres] behielden tot aan de onteigening daarvan in verband met mogelijke nieuwbouwplannen van de gemeente [plaats]. [eiser] gebruikt ongeveer 600 m2 van de totaal overdekte oppervlakte van 2.300 m2 en [gedaagde] heeft de gehele buitenruimte van 6.600 m2 in gebruik.

[gedaagde] heeft [eiser] toegezegd een stuk grond op het door [gedaagde] nieuw te verwerven perceel aan [eiser] te zullen aanbieden.

2.3.

Eind 2011, begin 2012 is de onteigening van [adres] aan de orde gekomen. Als vervangend perceel doet de mogelijkheid zich voor van een terrein aan de [adres].

2.4.

Partijen hebben ermee ingestemd om twee onafhankelijke personen in te schakelen om de financiële afwikkeling van de v.o.f. te beoordelen en tot een bindend advies te komen. De heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] traden hiertoe op en hebben op 12 oktober 2012 hun definitieve verslag aan partijen aangeboden, waarin onder meer is vermeld:

- A ([eiser], de voorzieningenrechter) betaalt € 50.000 voor 4.000 m2 grond aan de [adres].

Daarnaast betaalt A de kosten die uitsluitend op zijn deel van het perceel betrekking hebben. Op basis van overlegde facturen is dit een bedrag van € 15.000.

2.5.

Bij brief van 26 oktober 2012 heeft de heer drs. [naam 4], die op verzoek van partijen het perceel aan [adres] heeft gewaardeerd, [eiser] laten weten dat [gedaagde] hem het perceel van 4.000 m2 aan de [adres] te koop aanbiedt voor € 130.000,00, met de toevoeging ‘Eveneens is het mogelijk een kleiner perceel te kopen op basis van € 80.000,- plus € 12,50/m2’.

2.6.

Bij dagvaarding heeft [gedaagde], onder de voorwaarde dat op 12 oktober 2012 een bindend advies is uitgebracht, ex artikel 7:904 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het bindend advies van 12 oktober 2012 vernietigd. Daarop heeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] jegens [eiser] gehouden is de verplichtingen uit hoofde van het bindend advies na te komen. Bij vonnis van deze rechtbank van 23 oktober 2013 is onder meer voor recht verklaard dat [gedaagde] jegens [eiser] gehouden is de verplichtingen uit hoofde van het bindend advies van 12 oktober 2012 na te komen. De vorderingen in reconventie van [gedaagde] zijn afgewezen.

2.7.

Eind 2012 is aangekondigd dat het perceel aan [adres] omstreeks 10 oktober 2014 diende te worden opgeleverd.

2.8.

Beide partijen zijn in hoger beroep gegaan van het vonnis van 23 oktober 2013, waarna op 8 mei 2014 een comparitie bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft plaatsgevonden. Tijdens die comparitie hebben partijen overeenstemming bereikt. In het proces-verbaal van die comparitie is onder meer het volgende vermeld:

1. [eiser], de voorzieningenrechter) koopt van [gedaagde], de voorzieningenrechter) 4.000m2 grond van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [perceel] voor een bedrag van € 65.000,00. De 4.000m2 betreft een zodanig deel van het gehele perceel dat daarop door [eiser] een, voor leveranciers bereikbaar bedrijfsgebouw, van in ieder geval 15 bij 25 meter kan worden gebouwd.

(…)

6. Partijen verklaren reeds nu dat zij, na voldoening van voormelde schuld, over en weer niets meer

van elkaar te vorderen zullen hebben ter zake van de in het geding zijnde kwestie en zij verlenen

elkaar reeds nu en voor alsdan over en weer finale kwijting.

2.9.

Vervolgens is tussen partijen een geschil ontstaan over de vorm en de locatie van het door [eiser] van [gedaagde] te kopen stuk grond op het perceel aan de [adres]. [eiser] heeft in kort geding gevorderd dat de voorzieningenrechter zou bepalen dat [gedaagde] aan [eiser] een stuk grond zou leveren conform een door Huibers B.V. in oktober 2009 gemaakte schets. In reconventie heeft [gedaagde] gevorderd dat [eiser] zijn medewerking diende te verlenen aan afname van het stuk grond conform de door [gedaagde] overgelegde tekening. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 30 juni 2014 beide vorderingen afgewezen en daartoe overwogen dat in kort geding geen plaats is voor nadere bewijslevering, zodat niet kon worden vastgesteld welke tekening ten grondslag heeft gelegen aan de ter comparitiezitting van 8 mei 2014 gemaakte afspraken.

2.10.

[eiser] heeft [gedaagde] op 12 augustus 2014 gedagvaard en (onder meer) gevorderd dat de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, voor recht verklaart dat [eiser] gerechtigd is tot levering van het perceel grond zoals door hem aangegeven op een bijgevoegde tekening en dat [gedaagde] uit hoofde van de tussen partijen op 8 mei 2014 getroffen regeling gehouden is dit perceel te leveren aan [eiser]. [gedaagde] dient nog te concluderen voor antwoord.

2.11.

Op 20 augustus 2014 heeft [naam 4] namens [gedaagde] de advocaat van [eiser] bericht dat [eiser] het perceel aan [adres] uiterlijk 5 oktober 2014 dient te verlaten en ontruimd te hebben en dat [eiser] vanaf 1 september 2014 aldaar geen klanten meer kan ontvangen.

2.12.

Aanvankelijk zou het perceel aan [adres] door [gedaagde], althans zijn besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, Kuus beheer B.V., op 10 oktober 2014 aan de gemeente Neder-Betuwe, althans haar rechtsopvolger Grond Exploitatie Maatschappij Kesteren-Zuid C.V. (hierna GEM Casterhoven), worden geleverd. Het ziet er naar uit dat deze datum niet gehaald is.

2.13.

Sinds 3 september 2014 geeft [gedaagde] [eiser] niet langer de vrije toegang tot het perceel aan [adres] en daarmee tot de modeltuinen, kantoor-, spreek-, teken- en opslagruimte (in totaal ruim 600 m2).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bepaalt dat [gedaagde] primair uit hoofde van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst, subsidiair uit hoofde van het aan [eiser] verleende gebruiksrecht gehouden is,

I. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [eiser] en zijn klanten en relaties de vrije toegang te bieden tot en het gebruik van de door [eiser] aangelegde modeltuinen, het door [eiser] gebouwd kantoor, de aangelegde spreek- en tekenruimte alsmede de opslagruimte, welke ruimtes een totale oppervlakte van circa 600m2 bestrijken, staande en gelegen te [plaats] aan [adres] en onderdeel uitmakend van een aldaar geplaatste kas, eventueel tegen een vergoeding van

€ 125,00 per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, tot de datum van oplevering van het betreffende perceel aan de Grond Exploitatie Maatschappij Kesteren-Zuid C.V. (GEM Casterhoven),

II. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom de zaken (gereedschappen en materialen van [eiser]), die [gedaagde] heeft opgeslagen in een schuur, staande en gelegen aan [adres], gemeente [plaats], in dezelfde goede staat terug te plaatsen op het door [eiser] gehuurde, c.q. in gebruik zijnde gedeelte van het perceel aan [adres], gemeente [plaats],

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de vijftiende dag na de dag van dit vonnis.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat partijen in het kader van de afwikkeling van de samenwerking onder meer zijn overeengekomen dat [eiser] van een deel van het perceel aan [adres] gebruik mocht blijven maken tot aan de levering daarvan aan de gemeente, althans GEM Casterhoven. Volgens [eiser] is sprake van een huurovereenkomst dan wel een gebruiksovereenkomst. De levering van het perceel aan [adres] is voor onbepaalde tijd opgeschort, maar [gedaagde] heeft [eiser] de toegang tot het perceel (de modeltuinen, kantoor-, spreek, teken- en opslagruimte) geweigerd. [eiser], die hovenier is, kan niet langer zijn klanten en relaties ontvangen, waardoor hij reeds een aantal afspraken met potentiele opdrachtgevers heeft moeten annuleren. Daarnaast heeft [gedaagde] een deel van de gereedschappen en overige materialen van [eiser] elders gestald. [eiser] wordt door [gedaagde] dan ook gehinderd in de uitoefening van zijn bedrijfsvoering, waardoor hij schade lijdt.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Hij heeft daartoe vier gronden aangevoerd, die hierna ieder afzonderlijk zullen worden besproken.

4.2.

Als eerste grond voor niet-ontvankelijkheid is aangevoerd dat partijen tijdens de comparitiezitting op 8 mei 2014 bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter beëindiging van hun geschil een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarin zij elkaar finale kwijting hebben verleend en is afgesproken dat zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Nu de huidige kwestie voortborduurt op de kwestie waarover partijen een minnelijke regeling hebben bereikt, past het opstarten van een nieuwe procedure niet in deze regeling, aldus [gedaagde]. De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen partijen zijn overeengekomen en ten aanzien waarvan zij elkaar finale kwijting hebben verleend, ziet op de toestand na de ontruiming van het perceel aan [adres] en niet op de overgangssituatie waarin zij zich thans bevinden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om om voornoemde reden [eiser] niet in zijn onderhavige vordering te ontvangen.

4.3.

Ten tweede heeft [gedaagde] gesteld dat vanaf 1 oktober 2014 een rechtsverhouding bestaat tussen GEM Casterhoven en zijn vennootschap Kuus Beheer B.V., waarbij laatstgenoemde door middel van een huurovereenkomst met GEM Casterhoven het gebruik van het perceel aan [adres] mag voortzetten. [eiser] heeft dan ook de verkeerde partij gedagvaard volgens [gedaagde]. Overwogen wordt dat het in dit kort geding in feite gaat om een vordering tot nakoming van gestelde afspraken tussen [eiser] en [gedaagde]. Indien in deze procedure voldoende aannemelijk wordt dat de beweerdelijke afspraak is gemaakt en moet worden voortgezet, dient [gedaagde] (via zijn vennootschap) deze na te komen. Niet valt dan ook in te zien dat [gedaagde] niet de juiste partij zou zijn. Ook dit verweer treft dus geen doel.

4.4.

Dat het gevorderde constitutief van aard zou zijn, zoals [gedaagde] heeft betoogd, kan de voorzieningenrechter evenmin volgen. [eiser] heeft geen verklaring voor recht gevorderd, maar de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen die past bij een bepaalde rechtstoestand zonder dat als zodanig in het dictum vast te leggen. Het ten aanzien van dit punt gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer zal eveneens worden afgewezen.

4.5.

Tot slot heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat de zaak te complex zou zijn om in kort geding te worden behandeld en dat ook om die reden [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen zou moeten worden verklaard. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit verweer evenmin doel treft. Het gaat in dit kort geding om het treffen van een voorlopige voorziening die – kort gezegd – inhoudt dat [eiser] de toegang wordt verleend tot het door hem tot voor kort gebruikte deel van het perceel aan [adres], alsook tot het terugplaatsen van het gereedschap van [eiser]. Deze vordering is overzichtelijk en hetgeen daar aan ten grondslag wordt gelegd, is (ondanks dat partijen reeds meerdere procedures hebben gevoerd) niet zo complex dat deze vordering niet in kort geding zou kunnen worden behandeld. Het voorgaande leidt er aldus toe dat de vorderingen hierna inhoudelijk zullen worden behandeld.

4.6.

Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gegeven.

4.7.

[gedaagde] heeft niet weersproken dat sprake is van een gebruiksovereenkomst om niet tussen partijen ten aanzien van een deel van het perceel aan [adres] (te weten circa 600 a 700 m2) waarvan [gedaagde] (althans de gemeente, althans GEM Casterhoven) eigenaar is, zodat dit voldoende is komen vast te staan. Eveneens is in confesso dat deze overeenkomst zou gelden tot 10 oktober 2014, de beoogde datum van levering van het perceel aan [adres] aan de gemeente dan wel GEM Casterhoven. Thans zijn er evenwel sterke aanwijzingen (waaronder het e-mailbericht van 26 augustus 2014 van [naam 5] namens GEM Casterhoven gericht aan [naam 6] Makelaardij) dat de levering op die datum niet zal plaatsvinden en dat Kuus Beheer B.V. het perceel voorlopig (er wordt zelfs gesproken over ‘onbepaalde tijd’) zal blijven gebruiken, hetgeen een wijziging van omstandigheden oplevert. GEM Casterhoven heeft reeds aangegeven dat zij geen bezwaar heeft als [gedaagde] anderen toelaat op het perceel aan [adres]. Onder die omstandigheden vloeit uit de redelijkheid en de billijkheid voort dat de gebruiksovereenkomst door partijen dient te worden voortgezet tot aan het moment waarop de feitelijke levering van het perceel aan [adres] aan GEM Casterhoven plaatsvindt.

4.8.

Dat [eiser] eerder had toegezegd dat hij op 1 september 2014 het perceel zou verlaten, kan zo zijn, maar toen ging hij er nog vanuit dat het betreffende perceel op 10 oktober 2014 zou worden ontruimd teneinde te worden geleverd aan GEM Casterhoven, hetgeen thans naar alle waarschijnlijkheid niet langer het geval is. Bovendien ging [eiser] er toen tevens van uit dat hij – conform de gemaakte afspraak tussen partijen – een deel van het door [gedaagde] te verwerven perceel zou kopen en aldaar aansluitend zijn hoveniersbedrijf zou kunnen voortzetten.

4.9.

Het voorgaande leidt er toe dat de vorderingen van [eiser] (tot het verlenen van vrije toegang alsook het terugplaatsen van de gereedschappen en andere materialen van [eiser]) voor toewijzing gereed liggen. Dat [gedaagde] op de locatie aan [adres] sinds de zomer van 2014 doende is om bomen te enten, waarvoor hij de gehele bedrijfsruimte die bij [eiser] in gebruik was, nodig heeft, maakt het voorgaande niet anders. Nu hiervoor geoordeeld is dat sprake is van een gebruiksovereenkomst tussen partijen (en geen huurovereenkomst) zal geen vergoeding worden toegewezen.

4.10.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.11.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat [gedaagde] uit hoofde van het aan [eiser] verleende gebruiksrecht gehouden is om direct na betekening van dit vonnis aan [eiser] en zijn klanten en relaties de vrije toegang te bieden tot en het gebruik van de modeltuinen, het kantoor, de spreek- en tekenruimte alsmede de opslagruimte, welke ruimtes een totale oppervlakte van circa 600m2 bestrijken, staande en gelegen te [plaats] aan [adres] en onderdeel uitmakend van een aldaar geplaatste kas, tot de datum van levering van het betreffende perceel aan de Grond Exploitatie Maatschappij Kesteren-Zuid C.V. (GEM Casterhoven),

5.2.

bepaalt dat [gedaagde] gehouden is om direct na betekening van dit vonnis aan [eiser] de zaken (gereedschappen en materialen van [eiser]), die [gedaagde] heeft opgeslagen in een schuur, staande en gelegen aan [adres], gemeente [plaats], in dezelfde goede staat terug te plaatsen op het door [eiser] in gebruik zijnde gedeelte van het perceel aan [adres], gemeente [plaats],

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1. en/of 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 20 oktober 2014.