Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6979

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-10-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
260290 / FZ RK 14-516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel: 1: 401 BW en artikel 1: 400 BW

Verzoek van de man om de kinderalimentatie voor zijn zoon uit zijn tweede huwelijk te verlagen (naar € 200,-- per maand) en de destijds overeengekomen partneralimentatie op nihil te stellen. De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat hij voor de derde maal is gehuwd en uit dit huwelijk een tweeling is geboren. De man heeft tevens een onderhoudsverplichting ten behoeve van zijn jongmeerderjarige dochter uit zijn eerste huwelijk. De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om de alimentatie (volledig) te voldoen en dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan partneralimentatie. De vrouw betwist het vorenstaande. De behoefte van alle kinderen is in geschil en wordt door de rechtbank bepaald. Bij het bepalen van de behoefte van de tweeling brengt de rechtbank op het besteedbaar inkomen van de man en zijn echtgenote in mindering de door de man maandelijks aan de vrouw te betalen partneralimentatie (na aftrek fiscaal voordeel) en de ten behoeve van de zoon en jongmeerderjarige dochter maandelijks te betalen kinderalimentatie. De vrouw kan bijdragen in de behoefte van de zoon. De rechtbank rekent bij de beoordeling van de draagkracht van de man in twee periodes omdat de man een periode onbetaald ouderschapsverlof heeft gehad. De rechtbank berekent voor beide periodes een tekort aan draagkracht bij de man zodat rekening houdend met de behoefte van alle kinderen, de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen wordt verdeeld. De rechtbank wijst het verzoek van de man voor wat betreft de kinderalimentatie voor de periode waarin de man onbetaald ouderschapsverlof heeft gehad toe. De rechtbank berekent de kinderalimentatie voor de zoon voor wat betreft de periode waarin de man geen onbetaald ouderschapsverlof meer heeft, op enkele euro’s hoger dan de berekende kinderalimentatie voor periode 1. De rechtbank acht de stelling van de man inhoudende dat de vrouw geen behoefte meer heeft, onvoldoende onderbouwd. Voor wat betreft de periode waarin de man onbetaald ouderschapsverlof heeft gehad, is volgens de rechtbank duidelijk dat de man geen draagkracht meer heeft voor partneralimentatie gelet op de hoogte van de tekorten bij de man en de hoogte van de kinderalimentatie voor de zoon. Volgens de rechtbank heeft de man voor wat betreft de periode waarin hij geen onbetaald ouderschapsverlof meer heeft, wel draagkracht om de overeengekomen partneralimentatie te voldoen. De rechtbank heeft daarbij het gehele tekort aan draagkracht bij de man voor de tweeling als last meegenomen bij het beoordelen van zijn draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 260290 / FZ RK 14-516

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 20 oktober 2014

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker, verder te noemen de man,

advocaat: mr. B.A.T. Brouwer te Apeldoorn,

tegen

[verweerster],

wonende te [plaats], [gemeente],

verweerster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 4 maart 2014;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 21 mei 2014;

  • -

    het journaalbericht met bijlagen van mr. Brouwer van 14 augustus 2014;

  • -

    het journaalbericht met bijlagen van mr. Buijsrogge van 15 augustus 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 25 augustus 2014;

  • -

    het journaalbericht met bijlagen van mr. Brouwer van 28 augustus 2014;

  • -

    het journaalbericht met bijlage van mr. Buijsrogge van 30 augustus 2014;

  • -

    het journaalbericht van mr. Brouwer van 4 september 2014;

  • -

    het journaalbericht met bijlage van mr. Buijsrogge van 5 september 2014.

De feiten

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

[kind A] , geboren op [2002] te [plaats].

Tussen partijen is de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2007. Deze beschikking is op 3 juli 2007 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde beschikking is tevens bepaald dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan die beschikking gehechte convenant, als aldaar herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van die beschikking.

Op grond van artikel 2.1 van het door partijen op 9 mei 2007 ondertekende echtscheidingsconvenant verstrekt de man aan de vrouw een kinderalimentatie van € 350,-- per maand voor het kind. In dit convenant is opgenomen dat de kinderalimentatie is vastgesteld op basis van het netto gezinsinkomen afgezet tegen de draagkracht van de ouders. In artikel 2.6 van het echtscheidingsconvenant zijn partijen omtrent de partneralimentatie overeengekomen dat zij een alimentatieverplichting vaststellen voor de periode dat de vrouw (nog) niet in staat is om de echtelijke woning in volledige eigendom te verkrijgen, dan wel andere woonruimte heeft gevonden. Partijen zijn overeengekomen dat deze periode zal duren tot 1 augustus 2008. Nadien zal een herberekening gemaakt worden op basis van de nieuw ontstane situatie. De man verstrekt daarom aan de vrouw een partneralimentatie van € 532,75 bruto per maand.

Partijen hebben in juni 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze vaststellingsovereenkomst hebben zij het navolgende vastgelegd:

‘(…) De inkomens van beide partijen zijn gewijzigd, hetgeen aanleiding is geweest voor nader overleg. Partijen zijn thans uitgegaan van een inkomen aan de zijde van de vrouw ad € 1.644,47 bruto per maand exclusief vakantiegeld en aan de zijde van de man een inkomen van € 3.762,= bruto per maand exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.

KINDERALIMENTATIE.

1.1

Partijen zijn overeengekomen dat artikel 2.1 van voornoemd echtscheidingsconvenant wordt gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 1 januari 2013 zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] met een bedrag ad € 380,= per maand telkens te voldoen voor de eerste van de maand door bijschrijving op een door de vrouw aan te wijzen rekening.

(…)

2.1

Partijen zijn overeengekomen dat artikel 2.6 van het echtscheidingsconvenant inzake partneralimentatie wordt gewijzigd, in die zin dat de man zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag ad € 350,-- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw. (…)’

[kind A] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

De man heeft uit een eerder huwelijk een thans jongmeerderjarig kind, [kind B], geboren op [1995] te [plaats].

Het verzoek van de man

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2007 te wijzigen (naar de rechtbank begrijpt beoogt de man tevens wijziging van de vaststellingsovereenkomst van juni 2013) en opnieuw rechtdoende:

te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wordt gesteld op nihil met ingang van 1 januari 2014;

te bepalen dat de door de man te betalen alimentatie voor [kind A] wordt gesteld op een bedrag van € 200,-- per maand, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie rechtdoende goeddunkt, met ingang van 1 januari 2014.

De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de partneralimentatie en de kinderalimentatie niet meer voldoen aan de wettelijke maatstaven. De man is opnieuw gehuwd met [naam]. Zij is op [2013] bevallen van een tweeling, [kind C] en [kind D]. De kinderen zijn na een zwangerschap van 26 weken geboren. Zij hebben volgens de man maandenlang in het ziekenhuis verbleven en het ziet ernaar uit dat er nog lang medische zorg nodig is, voor met name [kind C]. De man heeft tevens een onderhoudsverplichting ten behoeve van [kind B]. Hij betaalt haar een bijdrage van € 207,-- per maand. De man stelt dat hij niet meer in staat is partneralimentatie te voldoen. Bovendien heeft de vrouw volgens de man geen behoefte meer aan partneralimentatie, althans zij is in staat voldoende inkomsten te verwerven om in eigen levensonderhoud te voorzien. Zij heeft volgens de man inkomen uit dienstbetrekking, inkomsten uit haar schoonheidssalon en rendement uit vermogen. Voorts stelt de man dat de vrouw deel uitmaakt van het professionele begeleidingsteam van het [kartingteam] van haar nieuwe partner. De man kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hier een vergoeding tegenover staat. Hij is in staat en bereid als bijdrage in de kosten van [kind A] een bedrag van € 200,-- per maand te betalen.

Het verweer van de vrouw

De vrouw verzoekt de rechtbank het verzoek van de man af te wijzen.

De vrouw betwist dat de man onvoldoende draagkracht zou hebben om de destijds vastgestelde partner- en kinderalimentatie te kunnen voldoen. Zij maakt tevens bezwaar tegen de door de man verzochte ingangsdatum.

De beoordeling

de ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1). Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4). Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5).

Gebleken is dat de man op [2013] met zijn echtgenote ouder is geworden van een tweeling, [kind C] en [kind D]. Dit is een relevante wijziging van omstandigheden die een onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt.

de ingangsdatum

De rechtbank ziet in hetgeen de man gesteld heeft geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel en een andere ingangsdatum te bepalen dan de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, in dit geval 1 april 2014. De geboorte van [kind C] en [kind D] vond reeds op [2013] plaats. Het komt voor rekening van de man dat hij niet eerder onderhavige procedure is gestart. De vrouw heeft eerst met ingang van 1 april 2014 rekening kunnen en moeten houden met een eventuele wijziging van de kinder- en partneralimentatie.

kinderalimentatie

de draagkracht van de man

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man.

Bij de beoordeling van de draagkracht van de man acht de rechtbank het aangewezen in twee periodes te rekenen, nu de man van mei tot oktober 2014 onbetaald ouderschapsverlof heeft gehad, in verband waarmee een korting van € 965,57 per maand is toegepast op zijn bruto reguliere salaris. De eerste periode loopt vanaf april 2014 tot oktober 2014, de tweede periode loopt vanaf oktober 2014.

De vrouw heeft gesteld dat de man tevens inkomsten geniet als personal trainer en zweminstructeur bij [sportschool] en dat hiermee rekening gehouden dient te worden bij de berekening van de draagkracht. De man heeft betwist dat hij als personal trainer inkomsten geniet. Hij heeft aangegeven wel twee uur per week op maandag zwemlessen te geven, maar niet meer sinds de geboorte van de tweeling. Nu zijn echtgenote op de maandagen thuis zal zijn, kan hij binnenkort weer starten met het geven van zwemlessen. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat de man met ingang van 24 augustus 2014 in loondienst treedt van [sportschool] als zweminstructeur voor twee uren per week en dat hij daarvoor een brutosalaris van € 130,-- per maand exclusief 8% vakantiegeld ontvangt. De rechtbank zal voor de beoordeling van de draagkracht van de man rekening houden met deze inkomsten in periode 2. Van andere neveninkomsten is niet gebleken.

periode 1

De rechtbank berekent de draagkracht van de man op grond van de overgelegde salarisspecificaties over de maanden mei tot en met juli 2014, waaruit blijkt dat het salaris dat de man verdient € 3.862,28 bruto per maand bedraagt, te verminderen met de ‘korting ouderschapsverlof’ ad € 965,57 bruto per maand, en te vermeerderen met 8% vakantiegeld en de eindejaarsuitkering ad € 4.059,--. Daarbij ontvangt de man maandelijks de ‘BT Afkooptoelage’ ad € 265,--, de ‘BT Toelage DSI/DSRT’ ad € 365,90 en de ‘LL toelage algemeen’ ad € 38,69 per maand. De totale bruto inkomsten van de man bedragen daarmee omgerekend € 49.635,-- op jaarbasis.

De rechtbank houdt alles op jaarbasis - rekening met de pensioenpremie ad € 4.224,--, de algemene heffingskorting ad € 1.758,--, de arbeidskorting ad € 1.909,-- en de inkomensheffing. Voor de berekening van de hoogte van de algemene heffingskorting is tevens rekening gehouden met een eigenwoningforfait ad € 1.127,-- en een hypotheekrente ad € 9.666,-- zijnde de helft van de totaalbedragen. Op basis van deze bedragen berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de man ten behoeve van kinderalimentatie, exclusief fiscaal voordeel eigen woning, op € 2.595,-- per maand.

Op grond van de draagkrachttabel en bijbehorende formule, jaarlijks gepubliceerd in de bijlage bij het rapport van de Expertgroep alimentatienormen, heeft de man aldus gerekend en rekening houdend met de persoonsgebonden lastenaftrek wegens te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [kind A] van € 40,-- per maand, draagkracht voor betaling van een bijdrage van € 709,-- per maand (€ 669,-- + € 40,--) voor vier kinderen.

periode 2

De rechtbank berekent de draagkracht van de man op grond van voornoemde salarisspecificaties over de maanden mei tot en met juli 2014, waaruit blijkt dat het salaris dat de man verdient € 3.862,28 bruto per maand bedraagt, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Voorts ontvangt de man € 130,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, wegens zijn werkzaamheden als zweminstructeur bij [sportschool], zoals hiervoor is overwogen. Daarnaast ontvangt de man de eindejaarsuitkering ad € 4.059,-- en maandelijks de ‘BT Afkooptoelage’ ad € 265,--, de ‘BT Toelage DSI/DSRT’ ad € 365,90 en de ‘LL toelage algemeen’ ad € 38,69 per maand. De totale bruto inkomsten van de man bedragen € 63.834,-- op jaarbasis.

De rechtbank houdt rekening met alles op jaarbasis - de pensioenpremie ad € 4.224,--, de algemene heffingskorting ad € 1.475,--, de arbeidskorting ad € 1.342,-- en de verschuldigde inkomensheffing. Voor de berekening van de hoogte van de algemene heffingskorting is tevens rekening gehouden met het eigenwoningforfait ad € 1.127,-- en de hypotheekrente ad € 9.666,--. Op basis van deze bedragen berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de man ten behoeve van kinderalimentatie, exclusief fiscaal voordeel eigen woning, op € 3.184,-- per maand.

Gelet op voornoemde draagkrachttabel en formule heeft de man aldus gerekend en rekening houdend met de persoonsgebonden lastenaftrek wegens te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [kind A] van € 40,-- per maand, draagkracht voor betaling van een bijdrage van € 998, -- per maand (€ 958,-- + € 40,--) voor de vier kinderen.

de behoefte van de kinderen

De rechtbank zal allereerst de behoefte van [kind A] bepalen, nu partijen daarover van mening verschillen. De man stelt dat de behoefte € 490,-- bedraagt en dat de werkelijke kosten € 515,-- per maand belopen. Volgens de vrouw is de behoefte van [kind A] na wettelijke indexatie per 1 januari 2013 € 655,-- per maand. Verminderd met het kindgebonden budget ad € 97,-- resteert een behoefte (het deel waarin de ouders dienen te voorzien) van € 558,-- per maand.

De rechtbank overweegt dat - conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen - het uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de relatie is, dan wel het latere inkomen van een van de onderhoudsplichtige ouders als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen. De rechtbank stelt vast dat partijen geen stukken hebben overgelegd ter onderbouwing van het gezinsinkomen ten tijde van hun relatie in 2007. Gelet op de informatie die wel is verstrekt, en de namens de vrouw ter zitting gegeven toelichting, ziet de rechtbank aanleiding om aan te sluiten bij de door de vrouw gestelde behoefte van € 558,-- per maand.

Omtrent de behoefte van [kind B] overweegt de rechtbank dat de man heeft aangegeven dat [kind B] thuiswonend bij haar moeder is, dat zij een kappersopleiding (MBO) volgt en dat de moeder van [kind B] bijdraagt in haar behoefte. De man heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de behoefte van [kind B]. Nu gebleken is dat hij in juli 2014 voor [kind B] een bedrag van € 161,62 heeft overgemaakt, zal de rechtbank rekening houden met een behoefte van in ieder geval dat bedrag. Aannemelijk is dat de moeder (geheel of gedeeltelijk) in de resterende behoefte voorziet.

Ook de behoefte van de tweeling is tussen partijen in geschil. Bij de berekening van deze behoefte is de rechtbank uitgegaan van het netto besteedbaar inkomen van de man als hiervoor vermeld in periode 2, nu aannemelijk is dat de man voorafgaand aan de periode waarin hij minder werkte een vergelijkbaar inkomen had. Een tijdelijke inkomensdaling doet aan de behoefte van de tweeling niet af. Voor de echtgenote van de man is de rechtbank uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van € 2.370,--. Dit bedrag is berekend aan de hand van haar salaris van € 2.916,48 per maand, de Toeslag Bezwarende Functie ad € 60,06 per maand en de Toelage Levensloop van € 25,02 per maand. Voorts heeft de rechtbank daarbij rekening gehouden met de Onregelmatigheidstoeslag / Variabele Inconveniënten Toeslag van afgerond € 537 als jaarbedrag, nu gelet op de jaartotalen op de salarisstrook van juli 2014 voldoende aannemelijk is geworden dat dit een niet vaak voorkomende toeslag is. Aldus bedraagt het bruto inkomen van de echtgenote op jaarbasis € 39.355,--. Rekening houdend met de ingehouden pensioenpremie, premie AOP en premie verhoogd NP van in totaal € 216,53 per maand bedraagt het verzamelinkomen van de echtgenote € 36.757,--. Gelet op het eigenwoningforfait van € 1.127 en de hypotheekrente van € 9.665,-- bedraagt de algemene heffingskorting € 1.932,-- en de arbeidskorting € 2.097,--. Voorts heeft de echtgenote recht op een inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 2.133,--. Op basis van deze bedragen berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de echtgenote ten behoeve van de kinderen, exclusief fiscaal voordeel eigen woning, op € 2.370,-- per maand

Het voorgaande betekent dat het besteedbare inkomen van de man en zijn echtgenote gezamenlijk € 5.554,-- per maand bedraagt. Op dit bedrag zal de rechtbank voor de bepaling van de behoefte van de tweeling de door de man maandelijks te betalen partneralimentatie van € 203,-- netto (na aftrek fiscaal voordeel) en de ten behoeve van [kind B] en [kind A] maandelijks betaalde kinderalimentatie van respectievelijk afgerond € 162,-- en € 340,-- (€ 380,-- minus € 40,-- fiscaal voordeel) in mindering brengen, omdat deze betalingen rechtstreeks drukken op het inkomen van de man en deze bedragen daardoor niet ter beschikking hebben gestaan van het gezin waarvan de tweeling deel uitmaakt. In totaal gaat het om een bedrag van € 705,-- per maand. Dit betekent dat met een gezinsinkomen wordt gerekend van € 4.849,--. De behoefte van de tweeling wordt op basis daarvan vastgesteld op € 583,-- per kind per maand. De man en zijn echtgenote maken rechtens geen aanspraak op een kindgebonden budget, zodat geen aanleiding is voor een correctie in die zin op deze behoefte.

Ook de kosten van kinderopvang geven de rechtbank geen aanleiding voor een correctie op de behoefte van de tweeling. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat de man en zijn echtgenote maandelijks kosten voor kinderopvang zullen hebben, maar daar staat een kinderopvangtoeslag tegenover. De man heeft niet voldoende onderbouwd wat de netto kosten zullen zijn. Gelet op de hoogte van de te verwachten kinderopvangtoeslag zullen de netto kosten waarschijnlijk zeer beperkt zijn. De man heeft niet aangetoond dat de hiervóór vastgestelde behoefte ontoereikend zal zijn om de eventueel resterende kosten daaruit te voldoen. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de behoefte met enig bedrag te verhogen.

de draagkracht van de vrouw

Ter beoordeling van de draagkracht van de vrouw rekent de rechtbank op grond van de overgelegde salarisspecificaties over de maanden januari tot en met april 2014 met een salaris van € 1.714,77 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Dit betekent dat haar jaarinkomen € 22.223,-- bedraagt.

Rekening houdend met de pensioenpremie ad € 1.357,--, de premie WIA plusverzekering ad € 31,--, de algemene heffingskorting ad € 2.079,--, de arbeidskorting ad € 2.097,--, de alleenstaande ouderkorting ad € 1.843,-- en de inkomensafhankelijke combinatiekorting ad € 1.601,--, berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de vrouw op afgerond € 1.736,-- per maand.

Gelet op de aangifte inkomstenbelasting ziet de rechtbank geen aanleiding bij de vrouw rekening te houden met inkomen uit vermogen. Voorts heeft de man zijn stelling dat de vrouw andere inkomsten heeft tegenover haar gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd.

Aan de hand van de draagkrachttabel en bijbehorende formule, jaarlijks gepubliceerd in de bijlage bij het rapport van de Expertgroep alimentatienormen, heeft de vrouw draagkracht voor een bijdrage voor [kind A] van € 248,-- per maand.

de verdeling van de draagkracht van de man

De totale behoefte van de vier kinderen bedraagt ten minste € 1.896,-- uitgaande van het deel van de behoefte van [kind B] waarin de man thans voorziet en de hiervoor vastgestelde behoefte van [kind A] van € 558,-- per maand en de behoefte van de tweeling van in totaal € 1.166,-- per maand. De vrouw kan in de behoefte van [kind A] voor ten hoogste € 248,-- voorzien en de huidige echtgenote kan in de behoefte van de tweeling, uitgaand van haar netto inkomen van € 2.370,--, voor ten hoogste € 559,-- voorzien. Gelet op de draagkracht van de man is er in beide periodes sprake van een tekort. Rekening houdend met de behoefte van alle kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is, dient de draagkracht van de man daarom naar rato van hun behoefte te worden verdeeld.

Nu met betrekking tot [kind B] niet duidelijk is hoe hoog haar volledige behoefte is en in hoeverre daarin op andere wijze wordt voorzien, acht de rechtbank het - mede gelet op de relatief beperkte hoogte van het bedrag - redelijk aan te nemen dat bij voortzetting van de betaling van het bedrag van afgerond € 162,-- per maand door de man ook zij tekort komt en dat haar werkelijke behoefte aan een bijdrage van de man hoger is. Daarom zal de rechtbank het bedrag van € 162,-- per maand in dit specifieke geval als gegeven aannemen en het restant van de draagkracht evenredig aan de behoefte over [kind A] en de tweeling verdelen (waarmee de rechtbank dus bij wijze van fictie aanneemt dat met het bedrag van € 162,-- in de behoefte van [kind B] in dezelfde verhouding wordt voorzien als met het restantbedrag in de behoefte van de overige kinderen). Dit betekent dat in periode 1 voor [kind A] en de tweeling een bedrag van € 547,-- resteert en in periode 2 € 836,-- en dat daarvan voor [kind A] in beginsel 558/1724 deel beschikbaar is. Deze berekeningswijze levert in periode 1 niet een hoger bedrag op dan de door de man verzochte bijdrage van € 200,-- per maand en in periode 2 een bedrag van € 270,--. Weliswaar wordt aldus niet in de volledige behoefte van [kind A] voorzien, maar nu ook bij de tweeling per saldo (rekening houdend met de draagkracht van de echtgenote) sprake is van een tekort, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor een andere verdeling van de draagkracht.

de zorgkorting

Partijen zijn verdeeld over het toepassen van een zorgkorting. De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 15%. De vrouw heeft dat betwist. Zij stelt dat nu tussen de man en [kind A] geen contact plaatsvindt, er ook geen aanleiding is voor het toepassen van een zorgkorting. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen wordt, vanuit de gedachte dat de andere ouder door zijn zorg een deel van de behoefte van het kind invult, rekening gehouden met een korting ter hoogte van 15% van de behoefte van het kind in verband met de zorgdeling. Deze korting dient alleen achterwege te blijven als tussen kind en onderhoudsplichtige geen omgang is én de onderhoudsplichtige van wie een bijdrage wordt gevraagd:

  • -

    is ontheven of ontzet van het ouderlijk gezag, en (ex. artikel 1:269 BW)

  • -

    de omgang vanwege kennelijke ongeschiktheid is ontzegd (ex artikel 1:377a lid 3 onder b BW).

In dat geval is - vanwege in de persoon van de onderhoudsplichtige gelegen factoren - geen sprake meer van een recht op en een verplichting tot omgang, zodat voor de fictie dat zorgdeling plaatsvindt geen grond bestaat.

Nu geen sprake is van voormelde limitatieve voorwaarden en op grond van de wet sprake is van een recht op omgang van het kind en een plicht tot omgang van de ouder, acht de rechtbank toepassing van een percentage van 15 aangewezen. Gelet op de behoefte van [kind A] van € 558,-- bedraagt de zorgkorting afgerond € 84,-- per maand. Of de zorgkorting kan worden geëffectueerd hangt af van de gezamenlijke draagkracht van partijen.

de totale draagkracht

Nu de man heeft verzocht een bijdrage van € 200,-- op te leggen, behoeft voor periode 1 de verdeling van het tekort en de invloed daarvan op de zorgkorting niet te worden berekend.

In periode 2 bedraagt de gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw voor [kind A] € 518,-- (€ 270,-- + € 248,--). De gezamenlijke draagkracht is daarmee onvoldoende om in de behoefte van [kind A] te voorzien. Dit betekent dat een vergelijking van de draagkracht achterwege kan blijven.

Uitgaand van een behoefte van € 558,-- bedraagt het tekort aan draagkracht in periode 2 € 40,-- per maand. Partijen dienen elk de helft van dit tekort, oftewel € 20,--, te dragen. Dit leidt ertoe dat de hiervoor berekende zorgkorting slechts gedeeltelijk geëffectueerd kan worden, te weten tot een bedrag van € 64,--.

De rechtbank stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] daarom in periode 1 op € 200,-- per maand en in periode 2 op € 206,-- per maand.

Deze bijdragen acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

De rechtbank overweegt volledigheidshalve dat na afschaffing van het fiscaal voordeel voor kinderalimentatie de draagkracht van de man met € 40 daalt. Voor de verhouding van de verdeling van de draagkracht (de breuk 558/1724) heeft dit geen gevolgen, maar de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van [kind A] daalt dan met 558/1724 x € 40 = € 13,-- tot € 257,--. Dit betekent dat ook het tekort met € 13,-- groeit. De man dient de helft van dit tekort te dragen, zodat de bijdrage met € 6,50 dient te worden verlaagd tot € 199,50 per maand (het verzoek van de man heeft nog niet het oog gehad op deze situatie dus hier kan wel tot een lager bedrag dan € 200,-- worden gekomen). Daarbij heeft de rechtbank nog geen rekening gehouden met de wettelijke indexering.

partneralimentatie

Voor de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw wordt van de hiervoor genoemde gegevens uitgegaan. Op voorhand is duidelijk dat in periode 1, gelet op de tekorten en de hoogte van de bijdrage van de man aan [kind A], geen ruimte bestaat voor partneralimentatie.

Voor periode 2 ligt dit anders. Gelet op hetgeen hiervoor bij de draagkracht van de vrouw is overwogen, ziet de rechtbank voor de bepaling van haar behoefte geen aanleiding uit te gaan van meer inkomsten dan zij in haar aangifte inkomstenbelasting heeft vermeld. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat zij nog vermogen heeft en dat zij inkomsten uit andere werkzaamheden heeft. De man heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Niet in discussie is dat de vrouw uitgaand van de overgelegde inkomensgegevens nog immer behoefte heeft aan (ten minste) de overeengekomen bijdrage.

Wat de draagkracht van de man betreft dient in periode 2 voor de berekening van zijn netto besteedbaar inkomen naast de eerder genoemde gegevens rekening te worden gehouden met het eigenwoningforfait ad € 1.127,-- en de hypotheekrente ad € 9.666,--. Omdat deze aftrekpost voor de partneralimentatie wel meetelt, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man aldus € 3.507,-- per maand.

De rechtbank houdt, met inachtneming van de posten die de man heeft opgevoerd en de vrouw niet heeft betwist, rekening met de volgende lasten op maandbasis:

  • -

    de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 948,--;

  • -

    de helft van de bruto hypotheekrente ad € 805,50, verminderd met de gemiddelde basishuur van € 224,--;

  • -

    de helft van het eigenwoningforfait ad € 47,50;

  • -

    de nominale basispremie ZVW ad € 100,-- verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen deel van € 39,--;

  • -

    de netto kosten van de kinderen van in totaal € 958,--;

Voorts acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met het tekort in de zorgkorting van € 20,-- per maand, nu de man bij omgang met [kind A] deze feitelijke kosten wel heeft en dit bedrag daardoor niet beschikbaar is voor partneralimentatie.

Daarnaast zal de rechtbank het gehele tekort aan draagkracht voor de tweeling bij de man als last meenemen. De man heeft voor de tweeling € 567,-- beschikbaar (bestaande uit zijn draagkracht verminderd met de bijdragen voor [kind B] en [kind A] zonder aftrek van een tekort voor zorgkorting) en zijn echtgenote, zoals hiervoor is overwogen, € 559,--. Gelet op hun totale behoefte van € 1.166,-- levert dit een tekort van € 40,-- per maand op. Dit bedrag zal uit de “vrije ruimte” moeten worden voldaan. Gelet op de voorrangsregel van kinderen boven andere onderhoudsgerechtigden, zoals opgenomen in artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek, zal de rechtbank dit gehele bedrag als last bij de man meetellen.

De lasten van de man bedragen aldus in totaal € 2.655,--. Van de draagkrachtruimte ad € 852,-- is 45% beschikbaar voor partneralimentatie. Rekening houdend met het fiscale voordeel ter zake van partneralimentatie, welk fiscaal voordeel de rechtbank aan de vrouw toerekent, is de man met ingang van 1 oktober 2014 weer in staat de overeengekomen partneralimentatie aan de vrouw te voldoen. Het verzoek van de man om de bijdrage ten behoeve van de vrouw op nihil te stellen zal dan ook slechts voor de periode 1 april tot 1 oktober 2014 worden toegewezen.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de vaststellingsovereenkomst van juni 2013 als volgt:

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind:

[kind A] , geboren op [2002] te [plaats],

met ingang van 1 april 2014 een bedrag van € 200,-- (tweehonderd euro) per maand,

en met ingang van 1 oktober 2014 een bedrag van € 206,-- (tweehonderdzes euro) per maand,

voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw dient te voldoen;

bepaalt de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 april 2014 op nihil;

bepaalt dat de man met ingang van 1 oktober 2014 wederom de in artikel 2.1 van de vaststellingsovereenkomst van juni 2013 tussen partijen overeengekomen bijdrage verschuldigd is;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. V. Stroink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2014.