Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6974

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
263182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopstudio-zaak. Incidentele vorderingen tot verwijzing (art. 220 Rv) en voeging (art. 222 Rv). Vorderingen afgewezen. Indien al zou kunnen worden geconcludeerd dat sprake is van verknochtheid voor zover het de handelwijze van een van de gedaagden betreft, geldt dat nog niet zonder meer ook ten aanzien van de overige twee gedaagden. Verwijzing is dan ondoelmatig. In de voegingsincidenten geldt dat deels geen sprake is van zaken die voor dezelfde rechter aanhangig zijn en deels dat connexiteit ontbreekt en voeging ondoelmatig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/263182 / HA ZA 14-238

Vonnis in incidenten van 3 september 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in de incidenten,

advocaat mr. H.W. Dubbeldam te Huis ter Heide,

tegen

1. de maatschap

NOTARISKANTOOR VAN HÖVELL,

gevestigd te Wijchen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot verwijzing,

advocaat mr. M.C.J. Höfelt te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QUARZ VERMOGENSSTRATEGIEËN B.V.,

gevestigd te Beneden-Leeuwen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot voeging,

advocaat mr. M. Jongkind te Rotterdam,

3. de coöperatieve vennootschap met uitgesloten aansprakelijkheid

COÖPERATIEVE RABOBANK VENLO E.O. U.A.,

gevestigd te Venlo,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot voeging,

advocaat mr. E. Jansberg te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en de notaris, Quarz en Rabobank worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen

  • -

    de incidentele conclusie houdende verwijzing wegens connexiteit van de notaris

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van Quarz

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 Rv van Rabobank

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord op incidentele conclusie houdende verwijzing wegens connexiteit

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord op incidentele conclusie (van Quarz) tot voeging ex artikel 222 Rv

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord op incidentele conclusie (van Rabobank) tot voeging ex artikel 222 Rv.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De feiten

2.1.

In het kader van de incidenten gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2.2.

Het zogenoemde Koopstudio-concern (hierna: Koopstudio) kocht sinds 2004 in verschillende Nederlandse grote steden panden op. De panden werden verbouwd tot studio’s, maar niet kadastraal gesplitst. Er werden woonverenigingen opgericht. Kopers konden vervolgens een lidmaatschapsrecht kopen dat recht gaf op het exclusieve gebruik van een studio.

2.3.

Koopstudio bood kopers de mogelijkheid om onder meer zogenoemde lastendempers bij haar af te sluiten. Op grond van deze lastendempers ontvingen de kopers van Koopstudio een maandelijkse tegemoetkoming in de woonlasten.

2.4.

[eiser] is één van de bovenbedoelde kopers. Op 19 februari 2009 heeft hij van Koopstudio een lidmaatschapsrecht gekocht in een woonvereniging in een pand in [plaats].

2.5.

De notaris heeft het transport van het betreffende pand begeleid, de woonvereniging opgericht, het pand aan de woonvereniging geleverd en het lidmaatschapsrecht geleverd.

2.6.

Quarz heeft bemiddeld bij de financieringen die de kopers, waaronder [eiser], voor de aanschaf van de lidmaatschapsrechten zijn aangegaan.

2.7.

Rabobank heeft na aankoop van het pand door de woonvereniging een parapluhypotheek op het pand gevestigd en vervolgens de aankoop van de individuele lidmaatschapsrechten gefinancierd.

2.8.

Op en na 19 oktober 2009 zijn Koopstudio en diverse aan haar gelieerde ondernemingen en entiteiten failliet verklaard. De kopers, waaronder [eiser], ontvangen geen uitkeringen meer uit de lastendempers.

2.9.

Bij brieven van 25 juni 2013 heeft [eiser] aan de notaris, Quarz en Rabobank meegedeeld, kort samengevat, dat zij hun zorg-, informatie-, advies-, waarschuwings- en/of weigeringsplicht jegens hem hebben geschonden. De brieven vermelden verder dat [eiser], indien hij naar behoren zou zijn geïnformeerd over de eigendomssituatie van de woonvereniging en de risico’s van de complexe financiële constructie, niet tot de woonvereniging zou zijn toegetreden en niet zou zijn ingegaan op de geadviseerde financieringsconstructie en dus ook niet de nadelige (financiële) gevolgen daarvan zou hebben ondervonden. De schade bestaat er volgens [eiser] uit dat het lidmaatschapsrecht allereerst onverkoopbaar blijkt en daarnaast nog maar een fractie waard is van hetgeen [eiser] ervoor heeft betaald. [eiser] houdt de notaris, Quarz en Rabobank aansprakelijk voor de gestelde schade.

2.10.

De notaris, Quarz en Rabobank hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.11.

Naast [eiser] zijn er nog meer kopers van lidmaatschapsrechten in woonverenigingen van Koopstudio die (onder meer) hun notaris, Quarz en Rabobank in rechte hebben betrokken in verband met de schade die deze kopers zouden hebben geleden als gevolg van vermeend toerekenbaar tekortschieten van (onder meer) de betreffende notaris, Quarz en Rabobank. Zo is bij deze rechtbank onder zaak-/rolnummer C/05/266876/14-371 aanhangig de procedure van [naam 1] tegen [naam 2], de notaris, Quarz en Rabobank (hierna: de zaak [naam 1]). Bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, zijn de volgende procedures aanhangig:

  • -

    zaak-/rolnummer C/16/350682/13-613: [naam 3] tegen Rabobank, Quarz Insurance Partners B.V., Quarz, notaris [naam 4], Julisaemi B.V. en [naam 5] (hierna: de zaak van [naam 3]);

  • -

    zaak-/rolnummer C/16/369984/14-427: [naam 6] tegen Julisaemi B.V., Quarz en Rabobank (hierna: de zaak [naam 6]);

  • -

    zaak-/rolnummer C/16/371615/14-484: [naam 7] tegen [naam 5], Julisaemi B.V., Quarz en Rabobank (hierna: de zaak [naam 7]).

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert in de hoofdzaak, samengevat:

  1. verklaring voor recht dat de notaris, Quarz en Rabobank toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens [eiser], althans door hun handelen of nalaten onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld;

  2. verklaring voor recht dat de notaris, Quarz en Rabobank jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en eventueel nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en dat de notaris, Quarz en Rabobank die schade aan [eiser] moeten vergoeden;

  3. hoofdelijke veroordeling van de notaris, Quarz en Rabobank in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag, samengevat, dat de notaris, Quarz en Rabobank zijn tekortgeschoten in hun zorgplicht jegens hem, door hem niet althans onvoldoende nadrukkelijk te wijzen op de risico’s van de complexe financiële constructie en op de onderlinge financiële aansprakelijkheid van de leden van de woonvereniging. [eiser] stelt dat hij als gevolg hiervan schade heeft geleden en nog zal lijden, bestaande uit de waardedaling van het lidmaatschapsrecht, betaalde rente, notariskosten, afsluitprovisie en provisies in verband met (niet ontvangen) financieel advies. Indien de notaris, Quarz en Rabobank zouden hebben gehandeld conform hetgeen van een bekwaam, redelijk handelend en onafhankelijk notaris dan wel financieel dienstverlener mag worden verwacht, had [eiser] zich – zo stelt hij – niet in deze positie bevonden. Hij wil zijn schade vergoed zien.

3.3.

De notaris, Quarz en Rabobank hebben in de hoofdzaak nog niet geantwoord.

4 De beoordeling in het incident tot verwijzing

4.1.

De notaris vordert in het incident dat de hoofdzaak op grond van artikel 220 Rv wordt verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident. Daartoe voert de notaris aan dat de vorderingen in de onderhavige en de bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht aanhangige zaken (zie hierboven 2.11) zowel feitelijk als juridisch sterk met elkaar verknocht zijn en achtereenvolgens, willekeurig, bij verschillende gerechten van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt. De zaken gaan bovendien over dezelfde onderwerpen tussen deels dezelfde partijen, aldus de notaris. Door verwijzing van de onderhavige zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, worden volgens de notaris tegenstrijdige beslissingen bij afzonderlijke berechting van de zaken voorkomen.

4.2.

De notaris merkt nog op dat hij zich verzet tegen (rol)voeging van de onderhavige zaak en de zaak [naam 1] met de procedures die aanhangig zijn bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (laatstgenoemde procedures hierna gezamenlijk ook: de Utrechtse zaken). Hij voert daartoe aan dat bij beide zaken verschillende notarissen zijn betrokken, die bij verschillende verzekeraars zijn verzekerd voor hun beroepsaansprakelijkheid. Gelet op deze verschillen is het volgens de notaris niet wenselijk dat bij één en hetzelfde vonnis, op grondslag van processtukken van partijen die in beginsel op beide gevoegde zaken tegelijk betrekking hebben, wordt beslist in de zaken die zien op het handelen van hemzelf als notaris en de zaken die zien op het handelen van de andere notaris.

4.3.

[eiser] voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 220 lid 1 Rv, nu er onvoldoende verknochtheid is. Daarnaast is verwijzing volgens [eiser] ondoelmatig en zou verwijzing leiden tot vertraging van de hoofdzaak en de voortgang van de overige procedures, hetgeen in strijd is met de goede procesorde.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 220 lid 1 Rv bepaalt dat in zaken die al eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, of in geval een zaak verknocht is aan een zaak die al bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter kan worden gevorderd. Van verknochtheid is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de ratio van het artikel de bevordering van de doelmatigheid van procedures en het voorkómen van tegenstrijdige beslissingen.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat de door Quarz in het voegingsincident in het geding gebrachte dagvaardingen in de Utrechtse zaken grote gelijkenis vertonen met de dagvaarding in de onderhavige procedure. In de Utrechtse zaken is echter een andere notaris gedagvaard dan in de onderhavige zaak en de handelingen en/of mededelingen door de afzonderlijke notarissen zijn volgens de dagvaardingen in iedere procedure anders geweest. De notaris beroept zich ook zelf uitdrukkelijk op dit onderscheid, waar hij aanvoert zich te zullen verzetten tegen (rol)voeging van de zaak [eiser] met de Utrechtse zaken. Bovendien gaat het in elk van de zaken onder meer om een andere woonvereniging en andere verkopende partijen. Ook is er een verschil in informatie en voorlichting die de kopers voorafgaand aan de koop hebben ontvangen. De feitencomplexen zoals weergegeven in de dagvaardingen in beide zaken verschillen dus op meerdere punten van elkaar. Weliswaar staan in de verschillende procedures dezelfde juridische thema’s centraal – de informatie-/waarschuwingsplicht van de notaris, wanprestatie, onrechtmatige daad – maar dat wil nog niet zeggen dat er een reëel gevaar bestaat dat beslissingen worden gegeven die niet met elkaar zijn te verenigen. De enkele kans dat rechters in de ene zaak tot een ander oordeel over rechtsvragen zouden komen dan andere rechters in een andere, goeddeels parallelle zaak is op zichzelf onvoldoende klemmend om de onderhavige zaak wegens verknochtheid te verwijzen.

4.6.

Bij het voorgaande komt nog dat de notaris niet heeft gesteld dat zijn medegedaagden, Quarz en Rabobank, eenzelfde werkwijze jegens [eiser] en de eisers in de Utrechtse zaken hebben gehanteerd. Indien al zou kunnen worden vastgesteld dat de onderhavige zaak verknocht is met de Utrechtse zaken voor zover het de handelwijze de notaris betreft, dan wil dat zonder nadere onderbouwing, die de notaris niet heeft gegeven, nog niet zeggen dat hetzelfde geldt ten aanzien van Quarz en Rabobank. Dit maakt verwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, ondoelmatig.

4.7.

De conclusie luidt dat de incidentele vordering van de notaris moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

4.8.

De notaris wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in het incident dragen. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op € 452,00 wegens salaris advocaat (1,0 punt × tarief € 452,00).

5 De beoordeling in de beide incidenten tot voeging

5.1.

Quarz vordert in het incident dat de hoofdzaak op grond van artikel 222 Rv wordt gevoegd met de zaak [naam 1], met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident. Quarz legt aan haar vordering ten grondslag dat de beide zaken met elkaar verknocht zijn, nu zij betrekking hebben op een grotendeels gelijk/vergelijkbaar feitencomplex en de dagvaardingen in beide zaken nagenoeg identiek zijn wat betreft de aan de gedaagde partijen gemaakte verwijten en de aan de orde gestelde rechtsvragen. Quarz vordert voeging om proceseconomische redenen en om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen.

5.2.

Rabobank vordert in het incident eveneens dat de hoofdzaak op grond van artikel 222 Rv wordt gevoegd met de zaak [naam 1] en, voor zover te dien aanzien verwijzingen plaatsvinden, met de zaken [naam 7] en [naam 6], kosten rechtens. Rabobank legt aan haar vordering ten grondslag dat de feitelijke en juridische geschilpunten in deze zaken dusdanig identiek zijn dan wel zodanige samenhang vertonen, dat een gezamenlijke en gecoördineerde behandeling door één en dezelfde rechtbank – de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem – aangewezen is. De consistentie van de uitspraken wordt daarmee bevorderd, aldus Rabobank. Verder is volgens Rabobank een gelijktijdige en gecoördineerde behandeling doelmatiger en komt dit de proceseconomie ten goede, hetgeen in het belang is van alle betrokkenen.

5.3.

[eiser] voert verweer. Hij stelt zich in beide voegingsincidenten op het standpunt dat geen sprake is van verknochtheid van de onderhavige zaak met de zaak [naam 1] en ook niet met de zaken [naam 7] en [naam 6]. Volgens [eiser] verschillen het feitencomplex, de juridische grondslag, de wet- en regelgeving, de gedaagden en de uitgangspunten van gedaagden te veel om voeging op grond van proceseconomische redenen toe te laten. De kans dat er tegenstrijdige uitspraken komen is op zichzelf onvoldoende klemmend om de zaken wegens vermeende verknochtheid te voegen, aldus [eiser].

5.4.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 222 lid 1 Rv, in geval voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging kan worden gevorderd.

5.5.

In het geval van de zaken [naam 7] en [naam 6] wordt niet voldaan aan het vereiste dat de zaken aanhangig zijn voor dezelfde rechter, aangezien die zaken aanhangig zijn bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. Ten aanzien van de zaken [naam 7] en [naam 6] is de incidentele vordering van Rabobank al om die reden niet toewijsbaar.

5.6.

Ten aanzien van de gevorderde voeging met de zaak [naam 1] overweegt de rechtbank het volgende. Verknochtheid kan worden aangenomen zodra de doelmatigheid is gediend met gezamenlijke behandeling en berechting van zaken. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.4 al heeft vermeld, wordt onder verknochtheid verstaan dat in die verschillende zaken feitelijke en/of juridische geschilpunten een rol spelen die hetzij (nagenoeg) identiek zijn, hetzij een zodanige samenhang vertonen dat een gezamenlijke berechting uit een oogpunt van doelmatigheid geboden is. Dat het in de onderhavige procedure en de zaak [naam 1] niet gaat om procedures tussen precies dezelfde partijen – in de zaak [naam 1] is behalve de notaris, Quarz en Rabobank ook nog de bestuurder van de betrokken Koopstudio-vennootschap gedagvaard – hoeft op zichzelf aan het aannemen van verknochtheid in de zin van artikel 222 Rv niet in de weg te staan. Voor de beoordeling of tussen de zaken [eiser] en [naam 1] sprake is van de vereiste connexiteit zijn de volgende omstandigheden van belang.

5.7.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding in de zaak [naam 1] grote gelijkenis vertoont met de dagvaarding in de onderhavige procedure. De werkwijze, informatievoorziening en individuele advisering rond de levering en financiering van de lidmaatschapsrechten zoals omschreven in de respectievelijke dagvaardingen wijken echter van elkaar af. Zo heeft [eiser] vóór het ondertekenen van de overeenkomst een financieel adviesgesprek gehad met Quarz en heeft hij een algemene informatiebijeenkomst bijgewoond, terwijl [naam 1] ná ondertekening van de overeenkomst een dergelijk gesprek met Quarz heeft gehad en geen informatiebijeenkomst heeft bijgewoond. In beide zaken gaat het bovendien om een andere woonvereniging, met andere ledenaantallen. Verder speelt in beide zaken verschillende wetgeving een rol, aangezien [naam 1] begin september 2006 advies heeft ontvangen van Quarz en onder meer de Wet op het Financiële Toezicht toen nog niet was ingevoerd, terwijl die wet wel was ingevoerd toen [eiser] in 2009 advies van Quarz heeft ontvangen. De feitencomplexen zoals weergegeven in de dagvaardingen in beide zaken verschillen dus van elkaar. Weliswaar staan in de verschillende procedures dezelfde juridische thema’s centraal – de zorgplicht van financieel adviseurs en banken, wanprestatie, onrechtmatige daad – maar de rechtbank herhaalt dat dit nog niet wil zeggen dat er een reëel gevaar bestaat dat beslissingen worden gegeven die niet met elkaar zijn te verenigen.

5.8.

Daarbij komt nog dat Quarz noch Rabobank gemotiveerd heeft gesteld dat haar medegedaagden eenzelfde werkwijze jegens [eiser] en [naam 1] hebben gehanteerd. Indien al zou kunnen worden vastgesteld dat de zaak [eiser] verknocht is met de zaak [naam 1] voor zover het de handelwijze van Quarz respectievelijk Rabobank betreft, dan wil dat zonder nadere onderbouwing, die Quarz noch Rabobank heeft gegeven, nog niet zeggen dat hetzelfde geldt ten aanzien van de overige gedaagden. Voeging is dan niet doelmatig.

5.9.

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vorderingen van Quarz en Rabobank moeten worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vorderingen niet kunnen dragen.

5.10.

Quarz en Rabobank worden beide in het ongelijk gesteld en moeten daarom ieder de proceskosten in het door hen opgeworpen incident dragen. Deze kosten worden in elk van beide incidenten aan de zijde van [eiser] begroot op € 452,00 wegens salaris advocaat (1,0 punt × tarief € 452,00).

6 De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor conclusie van antwoord aan de zijde van de notaris, Quarz en Rabobank.

6.2.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7 De beslissing

De rechtbank

in het incident tot verwijzing

7.1.

wijst het gevorderde af,

7.2.

veroordeelt de notaris in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 452,00,

in het incident tot voeging, aanhangig gemaakt door Quarz

7.3.

wijst het gevorderde af,

7.4.

veroordeelt Quarz in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 452,00,

in het incident tot voeging, aanhangig gemaakt door Rabobank

7.5.

wijst het gevorderde af,

7.6.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 452,00,

in alle incidenten

7.7.

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.8.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 oktober 2014 voor conclusie van antwoord,

7.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.

Coll.: JC