Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6971

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
05/821472-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een bestuurder van een vrachtauto heeft in Terwolde op 29 mei 2013 een dodelijk ongeval veroorzaakt. Hierbij is een fietser om het leven gekomen. De bestuurder had bij het oprijden van de T-splitsing de fietser helemaal niet waargenomen. Bij de oplegging van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met zijn blanco strafblad en de omstandigheid dat hij de door hem niet gewilde gevolgen zijn verdere leven met zich mee moet dragen. De rechtbank veroordeelt de bestuurder tot een werkstraf van 180 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/821472-13

Datum zitting : 24 oktober 2014

Datum uitspraak : 7 november 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam :[verdachte][verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres :[adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Terwolde, gemeente Voorst,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(vrachtauto, DAF, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg,

de Kuiperstraat, ter hoogte van de kruising van die weg met de (als

voorrangsweg aangeduide) Deventerweg,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden,

hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het uitzicht van verdachte (naar links) op het naderende verkeer over

de Deventerweg (enigzins) werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd

(op sommige momenten onderbroken door de zijspiegels en/of raamstijlen van de

vrachtauto), en/of

terwijl op de Kuiperstraat voor genoemde kruising bord model B6 van de bijlage

1. van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst en op

het wegdek aldaar haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van genoemd

reglement waren aangebracht, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen

weggedeelte van die weg en/of die kruising en/of het overige verkeer heeft

gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) een op de Deventerweg rijdende (voor hem van links naderende)

fietser niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of

(daarbij) die kruising met een aflopende snelheid van 36 km/h tot ongeveer 19

km/h is genaderd en zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate (verder)

heeft verminderd (aangepast aan de plaatselijke omstandigheden), en/of

(vervolgens) vanaf die Kuiperstraat zonder te stoppen die kruising is

opgereden en rechtsaf de Deventerweg is opgereden,

zonder daarbij voorrang te verlenen aan een op de Deventerweg rijdende fietser

en/of

daarbij niet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

fietser, tengevolge waarvan deze ten val is gekomen en door de vrachtauto

werd overreden,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd

gedood,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend aan die fietser;

artikel 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Terwolde, gemeente Voorst,

als bestuurder van een voertuig (vrachtauto, DAF, kenteken [kenteken]), daarmede

rijdende over de weg, de Kuiperstraat, ter hoogte van de kruising van die weg

met de (als voorrangsweg aangeduide) Deventerweg,

terwijl het uitzicht van verdachte (naar links) op het naderende verkeer over

de Deventerweg (enigzins) werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd (op

sommige momenten onderbroken door de zijspiegels en/of raamstijlen van de

vrachtauto), en/of

terwijl op de Kuiperstraat voor genoemde kruising bord model B6 van de bijlage

1. van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst en op

het wegdek aldaar haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van genoemd

reglement waren aangebracht, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen

weggedeelte van die weg en/of die kruising en/of het overige verkeer heeft

gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) een op de Deventerweg rijdende (voor hem van links naderende)

fietser niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of

(daarbij) die kruising met een aflopende snelheid van 36 km/h tot ongeveer 19

km/h is genaderd en zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate (verder)

heeft verminderd (aangepast aan de plaatselijke omstandigheden), en/of

(vervolgens) vanaf die Kuiperstraat zonder te stoppen die kruising is

opgereden en rechtsaf de Deventerweg is opgereden,

zonder daarbij voorrang te verlenen aan een op de Deventerweg rijdende fietser

en/of daarbij niet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

fietser, tengevolge waarvan deze ten val is gekomen en door de vrachtauto

werd overreden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 24 oktober 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder primair tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 mei 2013 omstreeks 14.26 uur reed verdachte in een vrachtauto van het merk DAF met kenteken [kenteken] en oplegger, over de Kuiperstraat te Terwolde, gaande in de richting van de Deventerweg. De Deventerweg is een voorrangsweg. Verkeersdeelnemers op de Kuiperstraat die de Deventerweg naderen worden middels een bord (B6 van de bijlage 1 van het RVV1990) en haaientanden kenbaar gemaakt dat zij aan het verkeer op de Deventerweg voorrang moeten verlenen.2 Verdachte reed op de Kuipersweg met een aflopende snelheid van 36 kilometer per uur tot ongeveer 19 kilometer per uur, waarmee hij rechtsaf sloeg de Deventerweg op. Vervolgens is verdachte in aanrijding gekomen met de fietser, ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen en door de vrachtauto is overreden. Daarbij of kort daarna is de fietser overleden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, met dien verstande dat hij – kort weergegeven – bewezen acht dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte had voorrang moeten verlenen, aldus de raadsman, maar heeft het slachtoffer niet gezien. De raadsman heeft aangevoerd dat aan de hand van de vele jurisprudentie de conclusie kan worden getrokken dat het enkele ‘niet gezien hebben’ niet leidt tot schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. De raadsman heeft op basis hiervan vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde. De raadsman heeft zich met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Achter de vrachtwagen van verdachte bevond zich op het moment van afslaan een personenauto. De bestuurster, [getuige], heeft verklaard dat zij en de bestuurder van de vrachtwagen afremden om rechtsaf te slaan op de T-splitsing Kuiperstraat-Deventerweg. [getuige] zag links een fietser over de Deventerweg fietsen. De fietser naderde eveneens de T-splitsing. [getuige] zag dat de vrachtauto een scherpe bocht naar rechts maakte. Op dat moment bevond de fietser, die voor de vrachtautobestuurder van links kwam, zich net rechts voorbij de T-splitsing. [getuige] zag dat de vrachtauto de fietser raakte. De fietser kwam onder de wielen van de trailer terecht. [getuige] zag dat de vrachtauto tot stilstand kwam toen de trailer helemaal over het slachtoffer was heen gereden.3 Het slachtoffer overleed ter plaatse. Zij werd door familie en een kennis van de familie herkend als [slachtoffer].4

Door de politie is onderzoek gedaan naar het uitzicht vanaf de bestuurderszitplaats. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat op een aantal momenten mogelijk geen zicht is geweest voor de bestuurder van de DAF trekker met oplegger op de naderende fietser. Het zicht werd op een bepaald weggedeelte van de Deventerweg op momenten ontnomen door de aanwezige spiegels of raamstijl.5 Dit wordt aan de hand vanaf de bestuurderszitplaats van de DAF trekker genomen foto’s geïllustreerd waarop te zien is dat de fietser op verschillende momenten wel en niet was te zien.6

Verdachte heeft links en rechts gekeken om rechtsaf op de Deventerweg af te slaan. Verdachte heeft goed rechts gekeken. Hij is hierbij uit zijn stoel gegaan om over het stuur te hangen om beter de straat van rechts te kunnen inkijken. Terwijl hij dit deed liet hij de vrachtwagen ‘doorrollen’ en is hij vervolgens rechts afgeslagen. Verdachte was zich bewust van de omstandigheid dat met betrekking tot het uitzicht vanaf de bestuurderszitplaats hij met meer spiegels en dikke stijlen te maken had dan met een gewone personenauto. Tijdens het afslaan van verdachte was zijn aandacht met name gericht op het van rechts komende verkeer.7 Dat had te maken met het verkeer dat soms met grote snelheid vanaf de Bandijk richting de Deventerweg reed. Verdachte was bekend met de omstandigheid dat hij een voorrangsweg naderde. Hij heeft niemand zien aankomen en is daarom zonder te stoppen doorgereden. Verdachte kwam daar twee maal per dag. ‘Als er niets aankomt, dan stop je niet’, aldus verdachte.8

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van roekeloos dan wel zeer onoplettend (grove verkeersfout) verkeersgedrag van verdachte en dat die mate van schuld niet bewezen kan worden verklaard. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daartoe is het volgende van belang.

De rechtbank stelt vast dat verdachte handelend als hiervoor omschreven een verkeersovertreding heeft begaan doordat hij als bestuurder van een vrachtwagen geen voorrang heeft verleend aan de voor hem van links komende fietser en vervolgens zonder te stoppen is afgeslagen. In dit kader rijst de vraag of verdachte, nu het zicht op het voor hem van links komend verkeer enigszins werd beperkt door spiegels en raamstijlen, voornoemde manoeuvre heeft mogen uitvoeren op de wijze zoals hiervoor verwoord. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Een bestuurder van een motorvoertuig heeft de (zorg)plicht om goed op te letten op het overige verkeer. Dit geldt temeer voor een professioneel bestuurder van een groot en gevaarlijk voertuig waarmee extra oplettendheid geboden is. Verdachte was ter plaatse bekend en hij was zich bewust van de omstandigheid dat het een gevaarlijke T-splitsing betrof waar, naar het oordeel van verdachte, met name het gevaar van de rechterkant kwam. Verdachte heeft gemeend zich al rijdend te kunnen vergewissen dat de weg vrij was om naar rechts af te slaan. Daarbij heeft hij weliswaar naar rechts én links gekeken, maar hij heeft vooral zijn aandacht gehad op het van rechts komend verkeer. Aannemelijk is dat daardoor zijn aandacht op het van links komend verkeer is verslapt. Doch reeds bij het naderen van de voorrangsweg heeft verdachte de fietser in het geheel niet waargenomen, terwijl deze voor hem langere tijd op bepaalde momenten zichtbaar moet zijn geweest. Verdachte had voor de haaientanden kunnen stoppen om zodoende alle tijd te kunnen nemen om zich ervan te vergewissen dat de rijstroken van beide kanten vrij waren om vervolgens naar rechts af te kunnen slaan. Verdachte heeft dit nagelaten. Gelet op deze verkeersfouten, het geheel van gedragingen van verdachte en de aard en de ernst daarvan is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich hiermee in een situatie heeft gebracht waarin een ongeval, zoals dat heeft plaatsgevonden, voorzienbaar was. Het gedrag van verdachte is ook verwijtbaar omdat de verkeersfouten vermijdbaar waren. Verdachte had ervoor kunnen kiezen om de trekker met oplegger geheel tot stilstand te brengen alvorens rechtsaf te slaan.

Het verkeersongeval en het overlijden van [slachtoffer] ten gevolge daarvan, zijn niet alleen door het handelen van verdachte veroorzaakt, maar ook aan zijn schuld te wijten in de zin van artikel 6 WVW. Dit levert aldus een verwijtbare onvoorzichtigheid in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 op.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 29 mei 2013 te Terwolde, gemeente Voorst,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto, DAF, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Kuiperstraat, ter hoogte van de kruising van die weg met de als voorrangsweg aangeduide Deventerweg,

aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gereden,

hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het uitzicht van verdachte naar links op het naderende verkeer over de Deventerweg enigszins werd beperkt (op sommige momenten onderbroken door de zijspiegels en raamstijlen van de vrachtauto) en

terwijl op de Kuiperstraat voor genoemde kruising bord model B6 van de bijlage

1. van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst en op

het wegdek aldaar haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van genoemd

reglement waren aangebracht, en

daarbij in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en die kruising en het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten, en

daarbij een op de Deventerweg rijdende (voor hem van links naderende) fietser niet heeft waargenomen, en

daarbij die kruising met een aflopende snelheid van 36 km/h tot ongeveer 19 km/h is genaderd en zijn snelheid niet verder heeft aangepast aan de plaatselijke omstandigheden, en

vervolgens vanaf die Kuiperstraat zonder te stoppen die kruising is opgereden en rechtsaf de Deventerweg is opgereden, zonder daarbij voorrang te verlenen aan een op de Deventerweg rijdende fietser en

vervolgens in aanrijding is gekomen met die fietser, ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen en door de vrachtauto werd overreden,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] werd gedood,

terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend aan die fietser;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt door dat de schuldige geen voorrang heeft verleend

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 240 uren werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis en tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 1 mei 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft op 29 mei 2013 een ongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer], een meisje van 17 jaar, om het leven is gekomen. Het leed dat aan de nabestaanden is toegebracht, is ernstig en onherstelbaar en indringend verwoord in de slachtofferverklaring die door een van de nabestaanden ter terechtzitting is afgelegd.

Bij de oplegging van een straf bij een aantal vaak voorkomende delicten kan de rechtbank voor de strafmaat oriëntatiepunten als uitgangspunt nemen. Deze oriëntatiepunten zijn ontwikkeld door de door het Landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) ingestelde commissie Rechtseenheid. Het oriëntatiepunt voor hetgeen de rechtbank in deze strafzaak wettig en overtuigend bewezen heeft geacht is 240 uur werkstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar. Gelet op het blanco strafblad en de omstandigheid dat verdachte de door hem niet gewilde gevolgen zijn verdere leven met zich moet dragen, ziet de rechtbank aanleiding om in dit geval af te wijken van dit oriëntatiepunt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een werkstraf van na te noemen duur passend en geboden is, al is de rechtbank zich bewust van het feit dat geen enkele straf de fatale gevolgen van verdachtes verkeersfout ongedaan kan maken. Naast deze taakstraf zal de rechtbank tevens een deels voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen aan verdachte opleggen, enerzijds om de ernst van het door verdachte gepleegde feit tot uitdrukking brengen en anderzijds om invloed uit te oefenen op het (verkeers)gedrag van de verdachte in de toekomst.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert


primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot wegens het bewezenverklaarde tot het verrichten van een werkstraf gedurende 180 (honderdentachtig) uren;

- bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid;

- bepaalt dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is;

- beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

- stelt deze vervangende hechtenis vast op 90 (negentig) dagen;

- bepaalt de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 12 maanden (twaalf) maanden;

- bepaalt dat van deze ontzegging 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. Kropman, voorzitter en mr. Noordraven en mr. Driessen, rechters

in tegenwoordigheid van mr. Koster, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2014.

Mr. Noordraven is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland, district IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2013069753, gesloten op 28 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte PL0632 2013069753-6 en proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse p. 7 en 8 van 66

3 Proces-verbaal verhoor getuige, PL0631 2013069753-4

4 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, PL0632 2013069753-1

5 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 45 van 66

6 Idem, p. 9 en p. 14 tot en met p. 26 van 66

7 Proces-verbaal verhoor verdachte PL0632 2013069753-6 en zijn verklaring ter terechtzitting van 24 oktober 2014

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 24 oktober 2014