Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6877

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 267
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3639, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de door gemachtigde overgelegde volmacht onvoldoende specifiek is en de hierop geplaatste handtekening van eiser niet overeenkomt met de handtekening op het Wob-verzoek. Ook nadat de rechtbank [gemachtigde] hierop schriftelijk heeft gewezen, heeft hij dit gebrek niet hersteld. Evenmin is eiser ter zitting verschenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/267

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum te Oosterbeek, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 26 april 2013 heeft eiser een verzoek om informatie ingediend met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op het verzoek van eiser beslist.

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar van eiser beslist.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd op 11 maart 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Poorten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – voor zover

hier van belang – kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan

aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep.

2. Op grond van artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich laten bijstaan

of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. In het tweede lid is bepaald dat de

rechtbank van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen.

3. [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) heeft bij het door hem ingediende

beroepschrift als bijlage een kopie van een machtiging overgelegd, gedateerd op 7 oktober

2013, waaruit volgt dat hij gemachtigd is eiser te vertegenwoordigen in het kader

van bezwaar en beroep bij juridische geschillen, daaronder begrepen ook het met een besluit

gelijk te stellen niet tijdig nemen van een of meerdere besluiten, zowel buitengerechtelijk als

gerechtelijk, en al hetgeen te doen dat door de gemachtigde noodzakelijk wordt geacht.

Hieronder dient in ieder geval te worden begrepen het zo nodig aanwenden en intrekken van

beschikbare rechtsmiddelen, alsook het aannemen van bedragen zoals vergoedingen voor

proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin van het woord, aldus de

bedoelde machtiging.

4. Bij brief van 11 juli 2014 heeft de griffier van de rechtbank [gemachtigde] bericht dat

geconstateerd is dat de handtekening op de overgelegde machtiging van 7 oktober 2013 niet

overeenkomt met de handtekening op eisers Wob-verzoek van 26 april 2013. Gelet hierop is

[gemachtigde] in voornoemde brief verzocht om binnen een termijn van tien dagen, te rekenen

vanaf de dag van verzending, een nieuwe volmacht te overleggen, voorzien van een originele

handtekening van zijn cliënt, waarin hij specifiek wordt gemachtigd om namens hem beroep

in te stellen in de onderhavige zaak. Tevens is er in de brief op gewezen dat, indien niet aan

dit verzoek wordt voldaan, de mogelijkheid bestaat dat het beroep om die reden niet-

ontvankelijk zal worden verklaard.

5. De rechtbank stelt vast dat zij binnen de hierboven genoemde termijn geen nieuwe

machtiging heeft ontvangen van [gemachtigde] . Evenmin heeft [gemachtigde] feiten en

omstandigheden naar voren gebracht, waaruit zou moeten worden opgemaakt dat hij niet in

staat was tijdig de gevraagde machtiging te overleggen. De rechtbank kan aan de hand van

de door [gemachtigde] overgelegde machtiging van 7 oktober 2013 niet vaststellen dat [gemachtigde]

in beroep namens eiser optreedt en dat het de bedoeling van eiser is dat de

onderhavige procedure op zijn naam wordt gevoerd. Voornoemde machtiging is derhalve

niet toereikend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser niet ter zitting is

verschenen, zodat ook ter zitting niet te verifiëren viel of [gemachtigde] gemachtigd was om

namens eiser het beroepschrift in te dienen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat

[gemachtigde] niet gemachtigd is om in beroep op te treden namens eiser. Dat [gemachtigde]

ter zitting alsnog een nieuwe volmacht heeft overgelegd, gedateerd op 15 juli 2014, waarin

gelezen kan worden dat hij in de onderhavige beroepsprocedure bevoegd is eiser te

vertegenwoordigen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu de hierop door eiser

geplaatste handtekening niet overeenkomt met de handtekening op de daarbij gevoegde

kopie van eisers paspoort, noch met de handtekening op eisers Wob-verzoek.

De verklaring van [gemachtigde] ter zitting dat eiser meerdere handtekeningen hanteert,

waaronder een vereenvoudigde digitale variant, biedt geen soelaas, nu de rechtbank, bij

gebreke aan onderbouwing van deze stelling, deze toelichting niet heeft kunnen toetsen,

hetgeen voor rekening en risico van [gemachtigde] komt. Ook het beroep op de door hem ter

zitting aangehaalde jurisprudentie slaagt niet, nu de desbetreffende zaken niet zien op een

discrepantie tussen de handtekening op de machtiging en de handtekening op het

overgelegde paspoort.

6. Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S.M. Bak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.