Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6796

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
C/05/272427 / KZ ZA 14-273
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:8469, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rechter verbiedt publicatie boek “de Ros tapes”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/272427 / KZ ZA 14-273

Vonnis in kort geding van 21 oktober 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

eiser,

advocaten mrs. M. Dijkstra en mr. R.W. Veldhuis, beiden te ‘s-Gravenhage,

en

1 [naam 1],
thans gedetineerd,
2. [naam 2],

wonende in [land],
aan de zijde van de Staat gevoegde partijen,

advocaat: mr. C.W. Flokstra te Amsterdam,

tegen

1 [naam 3],

wonende te [plaats], [gemeente],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUST PUBLISHERS B.V.,

gevestigd te Hilversum, kantoorhoudende te Meppel,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VELTMAN DISTRIBUTIE B.V.,

gevestigd te Maarssen, kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. Y. Moszkowicz te Utrecht.

Partijen zullen hierna de Staat, [naam 1], [naam 2] en [naam 3], Just Publishers en Veltman Distributie genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging of tussenkomst in een aanhangig (kort) geding van [naam 1] en [naam 2]

  • -

    de mondelinge behandeling op 21 oktober 2014

  • -

    de pleitnota van [naam 1] en [naam 2]

  • -

    de pleitnota van [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie.

  • -

    het proces-verbaal van de zitting, gehouden op 21 oktober 2014, houdende mondeling vonnis.

2 De feiten

2.1.

Bij het gerechtshof te Amsterdam (hierna : het hof) is aanhangig de strafzaak, bekend onder codenaam “Passage”. Deze strafzaak (in hoger beroep) heeft betrekking op zeven liquidaties en vijf pogingen dan wel voorbereidingshandelingen daartoe.

2.2.

[naam 4] (hierna: [naam 4]) is één van de in eerste instantie veroordeelde verdachten in deze strafzaak. [naam 4] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaar. In deze strafzaak zal [naam 4] in hoger beroep tevens optreden als “kroongetuige”, dit naar aanleiding van een daartoe door [naam 4] met het openbaar ministerie gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. [naam 4] heeft bij de politie en bij het openbaar ministerie omvangrijke en gedetailleerde verklaringen afgelegd. De processen-verbaal daarvan beslaan enkele honderden pagina’s. Deze processen-verbaal zijn ter zitting van het hof van 12 september 2014 door het openbaar ministerie ter beschikking gesteld van het hof en van de verdediging. Deze processen-verbaal zijn door het hof toegelaten en maken derhalve deel uit van het strafdossier.

2.3.

[naam 3] heeft bedoelde verklaringen van [naam 4] in zijn bezit gekregen en heeft deze verklaringen, voorzien van commentaar, verwerkt in een boek met als titel ‘Moordmakelaar. De biecht van [naam 4]’ (hierna: het boek). Het boek (circa 450 bladzijden) wordt uitgegeven door Just Publishers en gedistribueerd door Veldman Distributie.

2.4.

Op de website van bol.com. staat vermeld dat het boek op 22 oktober 2014 beschikbaar komt. De eerste oplage bestaat uit 3500 boeken, waarvan er 1700 zijn besteld.

3 Het geschil

3.1.

De Staat vordert na vermeerdering van eis samengevat - [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie te bevelen om de beoogde publicatie van voormeld boek achterwege te laten totdat het hof in hoger beroep heeft beslist in de aanhangige strafzaak alsmede om alle reeds aan de boekhandel uitgeleverde exemplaren van het boek terug te halen.

3.2.

[naam 1] en [naam 2] verzoeken hen toe te staan om zich in dit kort geding aan de zijde van de Staat te mogen voegen en concluderen tot toewijzing van de vorderingen van de Staat.

3.3.

[naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

het voegingsincident

4.1.

De Staat heeft zich niet verzet tegen het verzoek van [naam 1] en [naam 2] om zich in dit kort geding aan zijn zijde te mogen voegen.
[naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben zich tegen de verzochte voeging verzet, waartoe zij hebben aangevoerd dat zij zich daarop - gelet op de korte termijn die is gelegen tussen het moment waarop zij kennis kregen van dit verzoek en de mondelinge behandeling - niet hebben kunnen voorbereiden.

4.2.

Het verweer van [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie wordt gepasseerd, omdat het in het kader van de beoordeling van het verzoek van een derde om zich te mogen voegen in een aanhangig rechtsgeding niet relevant is.

4.3.

Voldoende voor toewijzing van het verzoek is dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden (Hoge Raad 14 maart 2008 (NJ 2008,168). [naam 1] en [naam 2] hebben in dit verband aangevoerd dat zij in eerste aanleg door de rechtbank zijn vrijgesproken van de ernstige feiten waarvan zij werden verdacht, maar dat het risico bestaat dat zij in hoger beroep alsnog zullen worden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. De verklaringen van [naam 4], die door hen worden betwist, hebben een voor hen belastende inhoud. Zij hebben er het grootste belang bij dat het proces van waarheidsvinding aan de zijde van de verdediging correct verloopt. [naam 1] en [naam 2] vrezen dat het proces van waarheidsvinding ernstig wordt bemoeilijkt indien de getuigen die de rechter zal gaan horen op voorhand in het boek kennis hebben kunnen nemen van hetgeen [naam 4] heeft verklaard. Dit is als zodanig niet tegengesproken door [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie.
In het door [naam 1] en [naam 2] gestelde ligt besloten dat zij voldoende belang hebben om zich ter ondersteuning van de Staat aan zijn zijde te voegen in de onderhavige procedure. Dit betekent dat het verzoek om voeging wordt toegestaan.


het verzoek om aanhouding

4.4.

[naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben verzocht om aanhouding van het kort geding. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd. Zij worden vanwege verkorte dagvaardingstermijn, minder dan drie uren voor de zitting, ernstig in hun verdediging geschaad. Zij hebben niet tijdig een advocaat kunnen inschakelen en hebben hun zaak niet adequaat kunnen voorbereiden. Bovendien is al langere tijd bekend, althans had dat voor het openbaar ministerie (de Staat) bekend kunnen zijn, dat het boek zou worden gepubliceerd. Dit is in verschillende media aan de orde geweest en daarnaast is de verschijning van het boek ook aangekondigd op de website van bol.com. Het tijdstip waarop de Staat de dagvaarding heeft uitgebracht wekt de suggestie dat de Staat [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie opzettelijk heeft willen belemmeren in hun mogelijkheid om zich adequaat te verdedigen.

4.5.

De stelling van [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie dat de Staat opzettelijk lang heeft gewacht met het uitbrengen van de dagvaarding teneinde hen te belemmeren in hun verweer, wordt verworpen. [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben tegenover de gemotiveerde betwisting van de Staat niet aannemelijk gemaakt dat in de media al enige tijd bekend was dat het boek op 22 oktober 2014 in de winkels zou liggen. Het mag zo zijn dat volgens [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie veertien dagen geleden op de website van bol.com. melding werd gemaakt van de verschijning van het boek, maar het gaat te ver om van het openbaar ministerie te verlangen dat het (iedere dag) de website van bol.com. raadpleegt met het oog op een mogelijke verschijning van een publicatie die in de ogen van het openbaar ministerie schadelijk is voor de waarheidsvinding in een lopend, groot en geruchtmakend strafproces als het onderhavige.
Daaraan doet niet af de stelling van [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie dat de website van bol.com. de grootste website is op het gebied van boeken, omdat dat gestelde feit niet tot de conclusie kan leiden dat om die reden op het openbaar ministerie een onderzoeksplicht zou komen te rusten om in het kader van de onderhavige strafzaak voormelde website (dagelijks) te raadplegen.

4.6.

Inherent aan een procedure in kort geding, waarbij in spoedeisende gevallen om een voorziening wordt verzocht, is dat de voorbereidingstijd voor alle betrokken partijen korter is dan gewoonlijk. Overigens zijn [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie tijdens de mondelinge behandeling bijgestaan door een advocaat, die - ondanks de korte voorbereidingstijd - een gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Van een onaanvaardbare beperking van de mogelijkheid om verweer te voeren is geen sprake.

Het verzoek van [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie om aanhouding wordt afgewezen.

de eisvermeerdering

4.7.

De Staat heeft ter zitting zijn eis mondeling vermeerderd met onder meer een terughaal gebod, waarbij [naam 1] en [naam 2] zich hebben aangesloten.
[naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben ten eerste aangevoerd dat nu deze eisvermeerdering niet bij akte is geschied, de voorzieningenrechter de eisvermeerdering buiten beschouwing moet laten.
Dit verweer wordt verworpen. Mede gelet op het feit dat de vermeerdering van eis werd ingegeven door tijdens de mondelinge behandeling verkregen nieuwe informatie van de zijde van [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie, inhoudend dat de boeken al onderweg waren naar de boekhandel, zou het stellen dan wel handhaven van de eis dat een eisvermeerdering bij akte moet geschieden een te formalistische benadering zijn die zich niet verdraagt bij een procedure in kort geding. Overigens heeft de Staat zijn vermeerdering van eis gedurende de mondelinge behandeling op schrift gezet, zodat [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie goede nota hebben kunnen nemen van hetgeen de Staat heeft gevorderd en vervolgens alle gelegenheid hebben gehad en genomen om daarop te reageren.


4.8. [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hadden door ter zitting te verklaren dat de boeken al onderweg waren naar de boekhandel, rekening kunnen houden met het feit dat de Staat zijn vordering daarop zou aanpassen. Niet gezegd kan worden dat [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie door de eisvermeerdering onredelijk zijn bemoeilijkt in hun verdediging. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is niet geschonden. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake. Het verzet tegen de vermeerdering van eis wordt verworpen. Dit betekent dat op basis van de gewijzigde eis recht zal worden gedaan.

ten principale

4.9.

[naam 3] heeft aangevoerd dat bedoelde publicatie voortkomt uit de wens om het grote publiek in kennis te stellen van het feit dat het openbaar ministerie deals sluit met criminelen, die in ruil voor strafvermindering (beter gezegd: het instellen van een lagere strafeis dan gebruikelijk) belastende verklaringen afleggen over personen die het openbaar ministerie verdenkt van zware misdrijven alsmede van het feit dat aan dergelijke deals ook kosten verbonden zijn, die met belastinggeld worden gefinancierd. [naam 3] heeft het recht om de door [naam 4] afgelegde verklaringen openbaar in twijfel te trekken en eventueel de onbetrouwbaarheid van zijn persoon aan te tonen. Daarnaast heeft [naam 3] gesteld dat hij meer dan € 20.000,-- heeft geïnvesteerd teneinde het boek te kunnen realiseren en publiceren alsmede dat een publicatieverbod voor hem tot een persoonlijk faillissement zal leiden.

4.10.

[naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben tegenover het gevorderde publicatieverbod met recht een beroep gedaan op het in de grondwet in artikel
7 en in artikel 10 EVRM neergelegde grondrecht van vrijheid van meningsuiting.
Zoals ieder grondrecht is ook dit grondrecht echter niet absoluut. Op grond van artikel 10 lid 2 EVRM kan de vrijheid van meningsuiting worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

4.11.

Aan de door de rechtspraak van het Europese hof voor de rechten van de mens gestelde eis dat het recht waarop de beperking berust voor de burger voldoende kenbaar is en dat de desbetreffende norm zodanig precies is geformuleerd dat de burger zijn gedrag erop kan afstemmen, is bij de toepassing van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek
(BW), waarop de Staat zijn vordering baseert, voldaan (Hoge Raad 2 mei 2003,
NJ 2004,80).

4.12.

De volgende vraag is of de door de Staat, die daarin wordt gesteund door [naam 1] en [naam 2], bepleite beperking van het recht op vrije meningsuiting noodzakelijk is.
De Staat heeft in dit verband onder meer het volgende aangevoerd.
De verklaringen van [naam 4] zijn dringend noodzakelijk voor zowel de waarheidsvinding en de bewijsvoering in het Passage-onderzoek als in de onderzoeken naar de betrokkenheid van [naam 5] en anderen bij verschillende (pogingen tot) moorden en deelname aan een criminele organisatie met (onder meer) dat oogmerk.
Het openbaar ministerie acht het noodzakelijk om in de komende maanden uitgebreid onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de door [naam 4] afgelegde verklaringen, nu er volgens het openbaar ministerie verschillen bestaan tussen de verklaringen van [naam 4] en andere personen, onder wie de andere in eerste aanleg opgetreden “kroongetuige”.
In het kader van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep is het van belang om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de “kroongetuige” [naam 4] te onderzoeken. Dat kan door de personen waarover [naam 4] heeft verklaard als getuige te horen over (onderdelen en details) van hetgeen [naam 4] over die getuigen heeft verklaard, waarbij die getuigen die (onderdelen en details van de) verklaringen van [naam 4] kunnen bevestigen of weerspreken.
Het boek bevat relevante onderdelen en details over de door [naam 4] aan het openbaar ministerie afgelegde verklaringen. De door [naam 4] genoemde getuigen (deels medeverdachten) zullen zeer geïnteresseerd zijn in kennisname van de verklaringen van [naam 4] en zullen het boek zeker kopen. Publicatie van de door [naam 4] afgelegde verklaringen zal ertoe kunnen leiden dat bedoelde getuigen op de hoogte kunnen raken van alle relevante onderdelen en details van de verklaringen van [naam 4]. Hierdoor kan niet meer goed worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de getuigen uit eigen wetenschap verklaren. De beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 4] kan hierdoor ernstig worden bemoeilijkt. Hetzelfde geldt bovendien voor het vaststellen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van die andere getuigen. Niet valt uit te sluiten dat sommige getuigen uit vrees voor represailles uit het criminele circuit tegenover de rechter anders zullen verklaren dan in eerste aanleg, dan wel dat deze getuigen worden bewogen om geen verklaring af te leggen. Het proces van waarheidsvinding in de strafzaak “Passage” zal door publicatie van het boek voor het openbaar ministerie ernstig worden bemoeilijkt. Het openbaar ministerie doet, naast de thans lopende strafzaak, op basis van de verklaringen van [naam 4] ook nog opsporingsonderzoek in de zaken met de codenaam “Viool” en “Warande”. Daarnaast loopt er een opsporingsonderzoek naar [naam 5]. Deze opsporingsonderzoeken worden ernstig bemoeilijkt wanneer iedereen - met name potentiële verdachten - de verklaringen van [naam 4] kan gaan lezen en zich tot in detail een voorstelling kan gaan maken over de “routing” van het onderzoek.
Met openbaarmaking van de verklaringen van [naam 4] is ook een veiligheidsbelang gemoeid. [naam 4] spreekt over tal van personen. Uit het boek valt te herleiden wie wat aan wie heeft verteld. Niet kan worden uitgesloten dat sommige onderdelen van de verklaringen van [naam 4] vanuit het criminele circuit serieuze risico’s zullen meebrengen voor deze personen (onder wie ook een andere kroongetuige die in eerste aanleg is gehoord). Deze personen zullen in het hoger beroep een belangrijke rol gaan spelen.

4.13.

[naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben op zichzelf - met recht - niet weersproken dat voorafgaande kennis van de verklaringen van [naam 4] bij de nog door het hof te horen getuigen, het proces van waarheidsvinding, zowel aan de zijde van het openbaar ministerie als aan de zijde van de verdediging, ernstig bemoeilijkt.

4.14.

Anders dan [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben betoogd, kan aan de hand van hetgeen over en weer is gesteld over de inhoud van het (niet in het geding gebrachte) boek, een verantwoorde afweging worden gemaakt tussen de in deze tegenstrijdige belangen van de Staat en met name van de auteur [naam 3]. De Staat heeft ter zitting uit het boek geciteerd en [naam 3] heeft ter zitting verklaard dat hij de verklaringen van [naam 4] grotendeels (voor zover deze naar de mening van [naam 3] interessante stukken bevatten) heeft overgenomen, maar dat hij doublures in de verklaringen van [naam 4] heeft weggelaten. Voorts heeft [naam 3] verklaard dat hij zijns inziens belangrijke details uit de verklaringen van [naam 4] heeft weergegeven en andere in zijn ogen onbelangrijke details heeft weggelaten. Met dit alles is voldoende aannemelijk gemaakt dat het boek naar de kern genomen een getrouwe en (deels) gedetailleerde weergave is van hetgeen [naam 4] tegenover de politie en het openbaar ministerie heeft verklaard en dat het boek met name voldoende relevante details bevat, waarover de getuigen bevraagd kunnen worden.
4.15. Met de regel dat in een strafproces getuigen buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord, zodat zij elkaar niet kunnen beïnvloeden, wordt uitdrukking gegeven aan het beginsel van de waarheidsvinding. Hiermee is een “fair trial” als bedoelde in artikel 6 EVRM gewaarborgd. Mede om die reden zijn de processtukken niet openbaar.
In dit licht bezien komt de vrees van de Staat en [naam 1] en [naam 2] dat kennisname van de inhoud van het boek (dat uiterst gevoelig materiaal bevat) de waarheidsvinding ernstig bemoeilijkt niet ongegrond voor. Daarmee wordt het recht op een eerlijk strafproces voor de verdachten, onder wie [naam 1] en [naam 2] maar ook [naam 4], welk recht is vastgelegd in artikel
6 EVRM in de kern bedreigd. Het belang van de Staat (en van [naam 1] en [naam 2] en andere verdachten) bij een eerlijk, ordentelijk en effectief strafproces (waarbij het om levensdelicten gaat waarop hoge vrijheidstraffen staan) weegt hier zwaarder dan het belang van [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie om het grote publiek in kennis te stellen van de door het openbaar ministerie met [naam 4] gesloten deal en alles wat daarmee samenhangt alsmede van de kanttekeningen die volgens [naam 3] kunnen worden gemaakt bij de verklaringen van [naam 4]. Ook mag niet uit het oog worden verloren dat het belang van het openbaar ministerie bij het gevorderde publicatieverbod verder reikt dan het belang van waarheidsvinding in het Passage-proces. De Staat heeft immers onweersproken aangevoerd dat de verklaringen van [naam 4] tevens van belang zijn voor het opsporingsonderzoek in andere zaken. De belangenafweging valt niet anders uit doordat [naam 3] - overigens verder niet voldoende onderbouwd - heeft gesteld dat een publicatieverbod tot zijn persoonlijk faillissement zal leiden.

4.16.

Het vorenstaande leidt voorshands tot het oordeel dat publicatie van het boek onrechtmatig is jegens de Staat. De onrechtmatige daad kan aan [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie worden toegerekend. Dat de Staat als gevolg van publicatie van het boek in zijn belangen als vooromschreven zal worden geschaad, is in deze zaak niet voor redelijke betwisting vatbaar. De door [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie geschonden zorgvuldigheidsnorm strekt tot bescherming van de belangen waarvoor de Staat in deze opkomt.

4.17.

Anders dan [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben betoogd, is het gevorderde verbod niet disproportioneel. Niet goed valt in te zien op welke andere minder ingrijpende wijze de Staat het belang van de waarheidsvinding op effectieve wijze zou kunnen waarborgen. Bij dit alles mag niet uit het oog worden verloren dat de Staat geen absoluut verbod op publicatie van het boek heeft gevorderd, maar een publicatieverbod zolang het strafproces in hoger beroep duurt. Aan [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie wordt dus als het aan de Staat ligt niet belet om een aangelegenheid van maatschappelijk belang voorwerp van debat te kunnen laten zijn. Alleen op dit moment dienen [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie daarvan af te zien.

4.18.

Het verweer van [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie dat het publicatieverbod onvoldoende effectief is om het beoogde doel te bereiken en dat om die reden de Staat geen belang heeft bij het publicatieverbod, wordt verworpen.

4.19.

Het argument dat het niet is uitgesloten dat ondanks het gevorderde verbod de verklaringen alsnog deels of in zijn geheel geopenbaard worden is immers onvoldoende om het gevorderde verbod op voorhand al als onvoldoende effectief te beschouwen. Dit wordt niet anders doordat [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben gesteld dat van het boek al tientallen exemplaren zijn verspreid aan journalisten alsmede aan de makers van het TV-programma waaraan [naam 3] meewerkte. Op voorhand is immers niet aannemelijk dat de hier bedoelde personen in publicaties de verklaringen van [naam 4] even uitgebreid (en gedetailleerd en daar gaat het met name in deze zaak om) zullen weergeven als in het boek. Uit het door [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie overgelegde artikel uit De Telegraaf kan in ieder geval niet worden afgeleid dat die dreiging reëel is. Ten aanzien van de aangehaalde publicatie in NRC Handelsblad kan ter zake niets worden gezegd, nu [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie bedoelde publicatie
niet hebben overgelegd. Juist het feit dat - mede in aanmerking genomen de omvang van het boek- aannemelijk is dat de inhoud van het boek, waarin meerdere personen de revue passeren, een veel vollediger (en gedetailleerder) beeld geeft van de verklaringen van [naam 4], maakt dat kennisname van de inhoud van het boek door de (wederom) nog te horen getuigen/verdachten veel bedreigender is voor de waarheidsvinding dan de (komende) publicaties waarop [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie het oog hebben.


4.20. Dat de Staat niet is opgetreden tegen bedoelde publicaties in voormelde kranten, betekent dan ook niet dat de Staat “daarom” niet mag opkomen tegen de voorgenomen publicatie van het boek.

4.21.

Aan het belang van de Staat bij een publicatieverbod van het boek doet voorts niet af dat de verklaringen van [naam 4] in het bezit zijn van de advocaten van de (vele) betrokkenen bij het strafproces onder de codenaam “Passage”. Die verklaringen zijn immers door het openbaar ministerie onder uiterste geheimhouding aan de advocaten van de verdediging verstrekt. Er zijn geen dan wel onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat bedoelde advocaten zich niet aan bedoelde eis van het openbaar ministerie zullen houden, in die zin dat zij in weerwil daarvan de verklaringen aan derden ter beschikking zullen stellen. Dat bedoelde advocaten de verklaringen aan hun cliënt, indien deze verdachte is in het betreffende strafproces, mogen en zelfs moeten voorhouden, betekent niet dat het openbaar ministerie geen gerechtvaardigd belang meer heeft bij een publicatieverbod van het boek. Niet iedere in dat boek genoemde potentiële getuige is immers tevens verdachte (meer) in het strafproces in kwestie. Dat laatstbedoelde getuigen (tevens potentiële verdachten in andere nog te starten strafzaken) inmiddels al heel goed op de hoogte zouden kunnen zijn van de (gedetailleerde) verklaringen van [naam 4], is niet aannemelijk gemaakt.

4.22.

Het enkele feit dat de media over het strafproces “Passage” zullen (blijven) schrijven, doet onvoldoende afbreuk aan het belang van de Staat om publicatie van het boek te beletten.

4.23.

[naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben nog - onder verwijzing naar het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 16 april 2010 (ECLI:NL: RBAMS: 2010: BM1465) - betoogd dat ten aanzien van hetgeen in andere media bekend is geworden en aldus voor het publiek bekend is, geen publicatieverbod kan worden gevorderd. In de door de voorzieningenrechter te Amsterdam berechte zaak ging het - voor zover van belang - echter om een verbod om portretfoto’s openbaar te maken, welke foto’s voordien al in andere media waren gepubliceerd. Het verschil met de onderhavige zaak is dat de specifieke details in de verklaringen van [naam 4] (waarom het in feite draait) nog niet, althans niet in de mate waarin deze in het boek zijn vermeld door andere media zijn geopenbaard, zodat ten aanzien van het boek wel een publicatieverbod kan worden gevorderd.

4.24.

Tot slot hebben [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie in dit verband nog gesteld dat tijdens de regiezittingen van het hof in de strafzaak “Passage” de verklaringen van [naam 4] al zijn besproken, zodat de getuigen daarvan al kennis hebben kunnen nemen. De vertegenwoordiger van het openbaar ministerie heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit kort geding echter met nadruk verklaard dat het openbaar ministerie op die zittingen niet heeft geciteerd uit de verklaringen van [naam 4] alsmede dat de verdediging dat maar in heel beperkte mate heeft gedaan en het hof nog geen woord heeft gewijd aan de inhoud van de verklaringen van [naam 4]. In reactie daarop hebben [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie niets anders verklaard dan dat het openbaar ministerie in grote lijnen de verklaringen van [naam 4] heeft voorgelezen alsmede dat de advocaten uit die verklaringen globaal hebben geciteerd. Bij deze stand van zaken is niet aannemelijk geworden dat tijdens de zittingen van het hof in deze relevante details uit de verklaringen van [naam 4] zijn geopenbaard. Er is ook in dit geval meer in het bijzonder geen sprake van externe openbaarheid met betrekking tot de verklaringen van [naam 4].

4.25.

[naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie hebben ter zitting nog aangevoerd dat niet duidelijk is hoe het gevraagde verbod vanuit praktisch oogpunt nog zou kunnen worden uitgevoerd, nu de vrachtwagens al zijn ingeladen en deels onderweg naar de boekhandel, welk proces op dit moment niet kan worden gestopt.

4.26.

Ook dit betoog staat niet aan toewijzing van het verbod in de weg. De Staat heeft immers ter zitting zijn eis vermeerderd, met een eis die ertoe strekt om de aan de boekhandel uitgeleverde exemplaren terug te halen.

4.27.

Dat terughalen van de boeken een absoluut onmogelijke opgave is, is door [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie onvoldoende onderbouwd gesteld. Mochten zich hierbij toch onoverkomenlijke problemen voordoen dan wel mocht blijken dat er boekhandelaren zouden zijn die niet willen meewerken aan teruggave van het boek, dan staat het [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie vrij om daarover met de Staat in contact te treden en indien minnelijk overleg niet tot een oplossing leidt en de Staat aanspraak zou maken op na te melden dwangsom, de voorzieningenrechter te benaderen, in diens hoedanigheid van executierechter dan wel als dwangsomrechter. In het laatste geval is dat bij uitsluiting de voorzieningenrechter in deze rechtbank, locatie Zutphen.

4.28.

Het publicatieverbod en het terughaalgebod zullen - in aanmerking genomen dat het spoedeisend belang uit de aard der zaak voortvloeit - worden gegeven. Gelet op het commercieel belang van met name [naam 3] bij verkoop van het boek, zal het publicatieverbod vooralsnog worden beperkt tot een periode van een half jaar. Het staat de Staat vrij om na ommekomst van deze termijn andermaal aan de voorzieningenrechter om een publicatieverbod te vragen indien daarvoor - gelet op de omstandigheden van het geval - aanleiding zou zijn. De voorzieningenrechter vertrouwt er wel op dat het openbaar ministerie het opsporingsonderzoek voortvarend ter hand neemt.

4.29.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als hierna volgend. Aan de te verbeuren dwangsommen zal een maximum worden verbonden. Dit laat uiteraard onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit vonnis oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde prikkelende werking van de dwangsom- oplegging.

4.30. [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie zullen als in het ongelijk gesteld worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op €1.705,40 (dagvaardingen € 281,40, griffierecht € 608,- en salaris advocaten € 816,00).
De kosten aan de zijde van [naam 1] en [naam 2] worden begroot op € 816,00 ter zake van salaris advocaat.

4.31. Het vonnis zal ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Daartoe is de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in artikel 258 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bevoegd.


4.32. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

4.33.

Voor de duidelijkheid wordt nog overwogen dat [naam 1] en [naam 2] geen zelfstandige eis hebben ingediend. Dit brengt met zich dat zij niet buiten de Staat om tot tenuitvoerlegging van dit vonnis kunnen overgaan, behoudens voor zover het hun proceskosten betreft, tot betaling waarvan [naam 3], Just Publishers en Veldman Distributie zullen worden veroordeeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt [naam 3], Just Publishers en Veltman Distributie de beoogde publicatie van het boek ‘Moordmakelaar. De biecht van[naam 4].’ gedurende zes maanden na heden achterwege te laten, geheel of gedeeltelijk en in welke vorm dan ook, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,-- door elk van de veroordeelden,

5.2.

beveelt [naam 3], Just Publishers en Veltman Distributie alle aan de boekhandel uitgeleverde en door de boekhandel op 22 oktober 2014 te 09.00 uur niet aan klanten geleverde exemplaren terug te halen en bewijs daarvan aan de Staat aan te leveren, dat laatste binnen één maand na heden, waarbij onder boekhandel ook worden begrepen het Centraal Boekhuis alsmede internet boekhandels als Bol.Com en Amazone.com, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- per exemplaar, met een maximum van € 50.000,--,

5.3.

veroordeelt [naam 3], Just Publishers en Veltman Distributie in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.705,40, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis,

5.4.

veroordeelt [naam 3], Just Publishers en Veltman Distributie in de proceskosten, aan de zijde van [naam 1] en [naam 2] tot op heden begroot op € 816,--, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

bepaalt dat dit vonnis op alle dagen en uren mag worden betekend en ten uitvoer gelegd, meer in het bijzonder dat de deurwaarder dit vonnis ook vandaag na 20.00 uur mag betekenen,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2014.

Th/Vg