Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6758

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 6678
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres eigenaresse is van de grond waar de te onderhouden sloten zich bevinden. Uit artikel 1.2 van de Keur volgt dat de verplichtingen ingevolge de Keur derhalve op eiseres rusten. Eiseres voert echter aan dat er meerdere beperkt zakelijk gerechtigden zijn, onder wie erfpachters en pachters, op wie de onderhoudsplicht eveneens rust. Eiseres betoogt dat het meer voor de hand ligt dat verweerder de beperkt zakelijk gerechtigden aanschrijft en aan hen een last onder bestuursdwang dan wel dwangsom oplegt, nu zij de grond feitelijk in gebruik hebben en derhalve beter in staat zijn aan de onderhoudsplicht te voldoen.

Dit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 1.2 van de Keur, en de toelichting daarop, volgt dat eiseres en de beperkt zakelijk gerechtigden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het onderhouden van de sloten die zich op de grond van eiseres bevinden. Uit die hoofdelijke aansprakelijkheid volgt dat verweerder zowel eiseres als de beperkt zakelijk gerechtigden kan aanspreken op deze onderhoudsplicht. Dit impliceert dat verweerder de mogelijkheid heeft om slechts één van de hoofdelijk aansprakelijken te benaderen, zoals verweerder in casu heeft gedaan.

Verweerder heeft overigens ter toelichting van deze keuze uitgelegd dat hij geen volledig inzicht heeft in wie de beperkt zakelijk gerechtigden zijn. Bovendien, zo vult verweerder aan, nu de onderhoudsplicht is verbonden aan het eigendom van een perceel, zal in het geval er ook beperkt zakelijk gerechtigden zijn, er altijd voor gekozen worden om tevens de eigenaar aan te schrijven, en zal de last onder dwangsom uiteindelijk alsnog aan de eigenaar worden opgelegd, hetgeen ook volgt uit artikel 5:24, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/6678

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[Stichting], eiseres

(gemachtigde: ir. T.J. Korevaar),

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland te Tiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een preventieve last onder dwangsom opgelegd in het kader van de onderhoudsplicht van de keur Waterschap Rivierenland 2009 (hierna: de Keur).

Bij besluit van 3 september 2013 (het bestreden besluit), verzonden op 6 september 2013, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2014. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.P.M. van de Mortel en R. Drost.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is eigenaresse van 414 hectare landbouwgrond die middels (erf)pacht in gebruik is gegeven aan 16 landpachters en erfpachters. Diverse aan deze percelen grenzende sloten waren in de jaren 2011 en 2012 ten tijde van de op 1 november van de betreffende jaren uitgevoerde schouw, nog niet onderhouden. Zowel in de jaren 2011 als 2012 is aan eiseres, als eigenaar van de bedoelde percelen, hiertoe een last onder dwangsom opgelegd.

2. Verweerder heeft aan het opleggen van de preventieve last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat in 2011 is besloten om een nieuwe sanctiemaatregel in te voeren voor de zogenaamde maaischouw. Hiermee wordt beoogd de bewustwording ten aanzien van de onderhoudsplicht te vergroten met als doel het veiligstellen van de berging en de aan- en afvoer van water voor het natte winterseizoen begint. Normaal gesproken wordt, als bij de schouw van 1 november wordt geconstateerd dat het onderhoud nog niet is gepleegd, een last onder bestuursdwang opgelegd. De nieuwe sanctiemaatregel houdt in dat indien een onderhoudsplichtige twee achtereenvolgende jaren niet vóór 1 november aan zijn onderhoudsplicht heeft voldaan, een dwangsom wordt opgelegd voor het derde jaar, inhoudende dat een dwangsom wordt verbeurd als in het derde jaar niet vóór de schouwdatum aan de onderhoudsplicht is voldaan.

Nu in 2011 en 2012 aan eiseres een last onder bestuursdwang is opgelegd omdat niet tijdig aan de onderhoudsplicht was voldaan, heeft verweerder aan eiseres voor 2013 een last onder dwangsom opgelegd. Daar op grond van artikel 1.2 van de Keur de in de Keur opgenomen verplichtingen berusten op zowel de eigenaar als de beperkt gerechtigden en beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn, is eiseres terecht aangemerkt als overtreder, aldus verweerder. Tot slot heeft eiseres geen belangen aangevoerd die nopen tot het achterwege laten van toepassing van de sanctie.

3. Bij brief van 3 juli 2014 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank bericht dat in 2013 tijdig is voldaan aan de onderhoudsplicht zodat zij geen dwangsom verschuldigd was. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eiseres niet langer procesbelang heeft bij het ingestelde beroep. Eiseres heeft betoogd procesbelang te hebben behouden, nu de onderhoudsplicht een jaarlijks terugkerende verplichting is, en verweerder het beleid voert om deze verplichting middels bestuursdwang en uiteindelijk een last onder dwangsom af te dwingen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee belang heeft bij de beoordeling van de vraag of zij aan deze verplichting dient te voldoen.

4. Artikel 1.2 van de Keur luidt als volgt:

1. De verplichtingen ingevolge deze keur berusten op de eigenaar van gronden.

2. Wanneer die gronden met een beperkt recht zijn bezwaard, dan wel krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, rusten de in deze keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen ook op de beperkt gerechtigden en in geval er sprake is van een persoonlijk gebruiksrecht op de gebruikers.

3. Voor de nakoming van de in deze keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen is ieder van de in het tweede lid genoemde gerechtigden alsmede de eigenaar hoofdelijk aansprakelijk.

In de bijbehorende toelichting is voorts het volgende opgenomen:

Artikel 1.2 Hoofdelijke aansprakelijkheid

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dit artikel zijn de gebruikers verplicht de ingevolge de keur op de eigenaar rustende verplichtingen na te komen ingeval er sprake is van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht (bijvoorbeeld huur, vruchtgebruik, erfpacht of het in bruikleen hebben).

Ingevolge het bepaalde in artikel 1.2, derde lid, zijn de eigenaren, overige zakelijk gerechtigden tot, en gebruikers van de grond hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen, die ingevolge de keur op de eigenaar van de grond rusten. Veelal is immers niet de eigenaar maar de feitelijke gebruiker van de grond degene die bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die bij de voldoening aan die verplichtingen is gebaat.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres eigenaresse is van de grond waar de te onderhouden sloten zich bevinden. Uit artikel 1.2 van de Keur volgt dat de verplichtingen ingevolge de Keur derhalve op eiseres rusten. Eiseres voert echter aan dat er meerdere beperkt zakelijk gerechtigden zijn, onder wie erfpachters en pachters, op wie de onderhoudsplicht eveneens rust. Eiseres betoogt dat het meer voor de hand ligt dat verweerder de beperkt zakelijk gerechtigden aanschrijft en aan hen een last onder bestuursdwang dan wel dwangsom oplegt, nu zij de grond feitelijk in gebruik hebben en derhalve beter in staat zijn aan de onderhoudsplicht te voldoen.

6. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 1.2 van de Keur, en de toelichting daarop, volgt dat eiseres en de beperkt zakelijk gerechtigden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het onderhouden van de sloten die zich op de grond van eiseres bevinden. Uit die hoofdelijke aansprakelijkheid volgt dat verweerder zowel eiseres als de beperkt zakelijk gerechtigden kan aanspreken op deze onderhoudsplicht. Dit impliceert dat verweerder de mogelijkheid heeft om slechts één van de hoofdelijk aansprakelijken te benaderen, zoals verweerder in casu heeft gedaan.

Verweerder heeft overigens ter toelichting van deze keuze uitgelegd dat hij geen volledig inzicht heeft in wie de beperkt zakelijk gerechtigden zijn. Bovendien, zo vult verweerder aan, nu de onderhoudsplicht is verbonden aan het eigendom van een perceel, zal in het geval er ook beperkt zakelijk gerechtigden zijn, er altijd voor gekozen worden om tevens de eigenaar aan te schrijven, en zal de last onder dwangsom uiteindelijk alsnog aan de eigenaar worden opgelegd, hetgeen ook volgt uit artikel 5:24, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De rechtbank is voorts van oordeel dat de sanctiemaatregel niet onevenredig nadelig is voor eiseres. Het feit dat in haar geval eerder sprake zal zijn van recidive, en dus van een last onder dwangsom, is inherent aan het bezitten van meerdere percelen en is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder af had moeten zien van het aanschrijven van eiseres. Van overige omstandigheden is in dit verband niet gebleken.

Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat het aan eiseres is om over de onderhoudsplicht afspraken te maken met de verschillende beperkt zakelijk gerechtigden. Niet is aannemelijk gemaakt dat eiseres hiertoe geen mogelijkheden heeft.

8. Voor zover eiseres betoogt dat haar in 2012 ten onrechte een last onder dwangsom is opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat hiertegen de geëigende rechtsmiddelen konden worden aangewend. Het besluit uit 2012 kan derhalve niet bij de beoordeling van het onderhavige beroep worden betrokken.

9. Het voorgaande leidt tot het concluderende oordeel dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Vogel, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. H.J.M. Fransen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

..