Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6752

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
05/720150-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, ontoerekeningsvatbaar, ovar, tbs met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/720150-14

Datum zitting : 14 oktober 2014

Datum uitspraak : 28 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

thans gedetineerd in [verblijfadres].

raadsvrouw : mr. J. Steenbrink, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 juli 2014 te Nijmegen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te

beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op het

lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 02 juli 2014 te Nijmegen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] (hoofdagent van

politie) en/of [slachtoffer 3] (hoofdagent van politie) van het leven te beroven,

met dat opzet met een vuurwapen in de richting van het lichaam van die[slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 14 oktober 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J. Steenbrink, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

De officier van justitie, mr. T. Klooster, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van dit feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen verweer gevoerd met betrekking tot (de bewezenverklaring van) dit feit. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het niet klopt. Het was een nepwapen en de munitie was nep. Als hij heeft geschoten, dan kan het niet zo zijn dat hij de man heeft geraakt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende vast.

Op 2 juli 2014 in Nijmegen is er drie keer met een vuurwapen op het lichaam van [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 1] is daarbij geraakt in zijn arm en borst en heeft daarbij onder meer een klaplong, een fractuur van de onderarm en een zenuwbeschadiging opgelopen en heeft uitval van enkele handspieren en een dropping hand.2

Verdachte liep daar op dat moment met een wapen.3 Dat wapen betreft een omgebouwd gaspistool waarmee munitie kan worden verschoten.4 Op de plaats delict zijn 3 hulzen aangetroffen met de uiterlijke kenmerken van een knalpatroon. Echter, bij deze patronen was het groene dopje dat op de plaats van de kogel in de huls zit niet opengespleten (zoals gebruikelijk bij een knalpatroon), maar deze groene dopjes waren uitgeboord, zodat er een projectiel op de huls geplaatst kon worden en kon worden verschoten als ‘scherpe’ munitie.5

De rechtbank overweegt verder het volgende.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij op de man heeft geschoten.6

Nu niet is gebleken dat er iemand anders in de nabijheid was, verdachte ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij op de man heeft geschoten en verdachte een werkend vuurwapen bij zich had, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte drie maal op [slachtoffer 1] heeft geschoten en hem heeft geraakt in zijn arm en borst.

Verdachte heeft bewust drie maal van korte afstand gericht op [slachtoffer 1] gevuurd en hem onder meer in de borst geraakt. Dit handelen van verdachte is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op een bepaald gevolg, namelijk de dood van [slachtoffer 1], dat de rechtbank daaruit afleidt dat verdachte het opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van dit feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij eigenlijk niet weet of hij geschoten heeft en dat hij is weggerend. Door de verdediging is geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen maar wel de vraag opgeworpen of er sprake is van opzet. Het handelen van verdachte was een reactie op het schieten door de politieagenten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende vast.

Op 2 juli 2014 in Nijmegen naderden verbalisanten[slachtoffer 2]en [slachtoffer 3] verdachte met het dienstvoertuig. Ze hebben de auto gestopt.[slachtoffer 2]stapte aan de bestuurderszijde uit en [slachtoffer 3] aan de bijrijderszijde. Daarna stonden ze ter hoogte van de deuropeningen aan de buitenzijde van het dienstvoertuig.7

Nadat hij zich had omgedraaid heeft verdachte een schot gelost in de richting waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (beiden hoofdagent van politie) zich bevonden.8 De afstand tussen verdachte en[slachtoffer 2]en [slachtoffer 3] bedroeg op dat moment ongeveer 30 tot 40 meter.

De rechtbank leidt hieruit af dat er – op het moment dat verdachte het schot loste – tussen[slachtoffer 2]en [slachtoffer 3] een afstand was van tenminste een (politie)auto en dat de afstand tot verdachte ongeveer 30 meter bedroeg.

Nu verdachte slechts één schot heeft gelost is de rechtbank – gelet op de afstand tussen[slachtoffer 2]en [slachtoffer 3] – van oordeel dat hij door deze handeling niet beide agenten dodelijk had kunnen verwonden. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd zowel[slachtoffer 2]als [slachtoffer 3] van het leven te beroven, maar slechts een van hen, welke kan de rechtbank niet identificeren.

Verdachte heeft bewust gericht op de agenten geschoten. Dit handelen van verdachte is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op een bepaald gevolg, namelijk de dood van één van de twee eerdergenoemde agenten, dat de rechtbank daaruit afleidt dat verdachte het opzet op de dood van één van die agenten heeft gehad.

Dat de agenten voorafgaand aan het schieten door verdachte zelf al schoten hebben gelost op verdachte doet daar niet aan af. Dat verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 02 juli 2014 te Nijmegen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te

beroven, met dat opzet meermalen, met een vuurwapen op het

lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 02 juli 2014 te Nijmegen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] (hoofdagent van

politie) of [slachtoffer 3] (hoofdagent van politie) van het leven te beroven,

met dat opzet met een vuurwapen in de richting van het lichaam van die[slachtoffer 2]

of [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 2 telkens:

Poging tot doodslag.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Putatief noodweer

Door de raadsvrouw is een beroep gedaan op putatief noodweer. Daartoe is aangevoerd dat verdachte [slachtoffer 1] zag bewegen en dacht dat hij een pistool had. Daarop heeft verdachte geschoten omdat hij dacht dat hij zich moest verdedigen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende. Niet aannemelijk is geworden dat er een omstandigheid was die de verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. [slachtoffer 1] had bij het station op de grond liggen slapen, was net wakker geworden en stond op toen verdachte kwam aan gerend. Verdachte frummelde met zijn kleding, hield een wapen op [slachtoffer 1] gericht en schoot.

Toerekeningsvatbaarheid

Over verdachte is een multidisciplinaire rapportage opgemaakt door drs. [psycholoog], psycholoog, gedateerd 8 september 2014 en van dr. [psychiater], psychiater, gedateerd 12 september 2014. Beide deskundigen zijn tevens ter zitting gehoord.

Samenvattend concluderen zij dat bij verdachte sprake is een ernstige ziekelijke stoornis in de vorm van een paranoïde schizofrenie. Er is waarschijnlijk een verband tussen de psychotische toestand en het tenlastegelegde. Er zijn sterke aanwijzingen dat hij psychotisch was en handelde vanuit psychotische angsten. Ook tijdens de terechtzitting zien beide deskundigen dat de psychotische component nog steeds aanwezig is.

[psychiater] concludeert dat er met grote mate van waarschijnlijkheid sprake is van paranoïde schizofrenie zodat het te adviseren is om het tenlastegelegde niet aan verdachte toe te rekenen. [psycholoog] concludeert dat vast staat dat de stoornis van verdachte zijn handelen bepaald heeft, maar niet vast staat in welke mate. Naar haar oordeel is verdachte op zijn minst genomen sterk verminderd ontoerekeningsvatbaar, maar mogelijk zelfs volledig ontoerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt de conclusies van [psychiater] over en komt op basis hiervan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde verdachte wegens een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend. Verdachte is dus niet strafbaar en dient ter zake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en hem ter zake van het onder 1 en 2 de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

Hoewel door de verdediging geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen begrijpt de rechtbank dat de verdediging verzoekt conform artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het adolescentenstrafrecht toe te passen en een PIJ-maatregel op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 16 september 2014;

 een multidisciplinair rapport van drs. [psycholoog], psycholoog, gedateerd 8 september 2014 en van dr. [psychiater], psychiater, gedateerd 12 september 2014; en

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 8 oktober 2014, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft, in een psychose, twee zeer ernstige feiten gepleegd. Hij heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en een politieagent van het leven te beroven. Bij het station heeft hij drie maal gericht op [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 1] heeft daarbij onder meer een klaplong en ernstig letsel aan zijn arm opgelopen. Toen twee gealarmeerde politieagenten probeerden verdachte aan te houden heeft hij ook op hen geschoten. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1]. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] niet dodelijk is geraakt, is te danken aan een gelukkig toeval en niet aan verdachtes handelen. De gebeurtenissen hebben grote gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en de betrokken agenten. Te verwachten is dat zowel de slachtoffers als de personen die ter plaatse aanwezig waren nog lange tijd gevoelens van onveiligheid zullen ervaren ten gevolge van deze gebeurtenissen.

Verdachte wordt het feit niet toegerekend omdat hij verkeerde onder invloed van een ernstige psychiatrische stoornis. Er kan hem geen straf worden opgelegd; wel kan de rechtbank bepalen dat er een maatregel zal worden toegepast.

De rechtbank acht het jeugdsanctierecht niet van toepassing op verdachte en overweegt daartoe het navolgende. De deskundigen hebben met gebruikmaking van de wegingslijst adolescentenstrafrecht geadviseerd verdachte volgens het meerderjarigenstrafrecht te berechten. Verdachte woont al jaren niet meer thuis en volgt geen opleiding en heeft geen baan die bij voorkeur gecontinueerd dient te worden. Het effect van pedagogische beïnvloeding wordt dan ook gering geacht. Daar komt bij dat de deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard dat de psychotische stoornis van verdachte het best kan worden behandeld in een instelling voor volwassenen. De rechtbank zal, nu zij geen aanleiding ziet om het adolescentenstrafrecht toe te passen, het meerderjarigenstrafrecht toepassen.

In voormeld deskundigenrapport is het volgende opgenomen.

De psychotische stoornis is dusdanig dat het al het denken, plannen en handelen van verdachte beïnvloedt en daarmee de kans op herhaling hoog maakt. Het wordt onmogelijk geacht om de kans op herhaling te verkleinen in een voorwaardelijk kader. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of FPK ex art. 37 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt ontoereikend geacht omdat de gedwongen behandelduur dan slechts één jaar duurt. Gezien het chronische en zijn totale functioneren beïnvloedende beeld bij verdachte en het voortbestaan ervan ondanks anti psychotische medicatie is er een langer durende klinische behandeling nodig.

De deskundigen adviseren derhalve verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is voorts van oordeel dat, mede gezien de ernst van de begane feiten, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eisen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De onder 1 en 2 bewezenverklaarde delicten zijn misdrijven die een gevaar opleveren voor de lichamelijke integriteit van een of meer personen.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: wapen met munitie, met behulp waarvan het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde zijn begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, voor zover deze nog niet zijn teruggegeven, toebehoren aan de verdachte en aan verdachte zullen moeten worden teruggegeven.

6A. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd.

[slachtoffer 1]

vordert een bedrag van € 492,54 ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] volledig wordt toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu enkel proceskosten worden gevorderd.

Beoordeling door de rechtbank

De proceskosten zijn niet als rechtstreekse schade door een strafbaar feit aan te merken. De rechtbank zal [slachtoffer 1] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat de gestelde schade niet rechtstreeks is toegebracht door enig bewezenverklaard feit.

Visch

[slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 2.000,- ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 2]volledig wordt toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is verzocht de schade te matigen, nu de psychische schade onvoldoende is onderbouwd. Voorts is verzocht geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, of de vervangende hechtenis vast te stellen op één dag omdat verdachte geen inkomen kan genereren zolang hij in gedetineerd is of is opgenomen in een kliniek.

Beoordeling door de rechtbank

Aan de benadeelde partij is door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op na te melden bedrag.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal 1 dag hechtenis zal worden toegepast.

[slachtoffer 3]

vordert een bedrag van € 2.000,- ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] volledig wordt toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is verzocht de schade te matigen, nu de psychische schade onvoldoende is onderbouwd. Voorts is verzocht geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, of de vervangende hechtenis vast te stellen op één dag omdat verdachte geen inkomen kan genereren zolang hij in gedetineerd is of is opgenomen in een kliniek.

Beoordeling door de rechtbank

Aan de benadeelde partij is door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op na te melden bedrag.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank bepaalt – mede gelet op de draagkracht van verdachte – dat bij gebreke van betaling of verhaal 1 dag hechtenis zal worden toegepast.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde van alle rechtsvervolging.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: wapen met munitie.

Beveelt de teruggave van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van feit 2:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 2], te betalen € 2.000,- (tweeduizend euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen € 2.000,- (tweeduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 2:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 3], te betalen € 2.000,- (tweeduizend euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], te betalen € 2.000,- (tweeduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. C. van Linschoten (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. S. Brinkhoff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch en mr. H.J.M. Fransen, griffiers

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 oktober 2014.

Zijnde mr. Fransen buiten staat om

dit vonnis mede te ondertekenen.

Zijnde mr. Brinkhoff buiten staat om

dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2014063732, gesloten op 26 augustus 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], p. 50 en 51, medische verklaring p. 54 en proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 160.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 120 en 121.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 80.

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 160.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 23 en 25.

8 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2], p. 60 en 61.