Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6697

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
13/7479
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceshouding eiseres. Misbruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/7479

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: V. Quacken),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2013 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres bericht dat het door eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedane verzoek om informatie is doorgezonden aan het CVOM.

Bij besluit van 14 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is aan de orde geweest ter zitting van de rechtbank van 11 juni 2014. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Hoefnagels.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen alsnog de gronden van beroep in te dienen.

Eiseres heeft bij schrijven van 26 juni 2014 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Partijen hebben bij brieven van 9 juli 2014 en 24 juli 2014 toestemming gegeven tot het achterwege late van een (nadere) behandeling van het beroep op zitting. In verband daarmee heeft de rechtbank op 29 juli 2014 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de brief van 3 mei 2013 geen besluit inhoudt. Dit standpunt is onjuist. In de brief van 3 mei 2013 is vermeld: “Wij hebben hier geen documentatie van.” Dit betekent dat de brief een afwijzing inhoudt om de in het verzoek van 12 april 2013 genoemde documenten openbaar te maken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 oktober 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE8289).

In de brief van de Commissie voor de Bezwaarschriften aan eiseres van 17 juli 2013 is eiseres in de gelegenheid gesteld om te reageren op het in die brief opgenomen standpunt dat de brief van 3 mei 2013 geen besluit is. Eiseres heeft niet op de brief van 17 juli 2013 gereageerd.

In de beroepsgronden van 26 juni 2014 heeft eiseres, onder verwijzing naar de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling, het – terechte – standpunt ingenomen dat de brief van 3 mei 2013 een besluit inhoudt. De rechtbank heeft geen inzicht in de reden waarom eiseres niet heeft gereageerd op de brief van 17 juli 2013, maar stelt wel vast dat eiseres het standpunt dat zij in beroep heeft ingenomen ook al naar voren had kunnen brengen in reactie op de brief van 17 juli 2013.

De rechtbank merkt op dat eiseres ook bij de behandeling van het beroep blijk heeft gegeven van een dergelijke passieve proceshouding. Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van 11 juni 2014, waarin uitdrukkelijk is vermeld dat ter zitting alleen de vraag aan de orde zal komen waarom er geen gronden van beroep zijn ingediend, heeft eiseres ervoor gekozen om niet direct contact op te nemen met de rechtbank, maar pas ter zitting aan te voeren dat zij de zogenoemde herstel verzuim-brief niet heeft ontvangen. Op de vraag aan de gemachtigde van eiseres waarom niet vóór de zitting is gereageerd, zodat voorkomen had kunnen worden dat een zinloze zitting werd gehouden, heeft de gemachtigde meegedeeld dat hij een tijdje ziek is geweest, dat hij het druk had en dat hij niet op heel korte termijn een reactie wilde geven.

De rechtbank is van oordeel dat met een minder passieve proceshouding van eiseres wellicht voorkomen had kunnen worden dat verweerder een onjuist besluit op bezwaar had genomen, en zeker voorkomen had kunnen worden dat op 11 juni 2014 een zinloze zitting is gehouden. De rechtbank ziet echter op dit moment geen reden om hier consequenties aan te verbinden, ook niet in de sfeer van de proceskostenveroordeling. Er bestond voor eiseres immers geen verplichting om te reageren op de brief van verweerder van 17 juli 2013 en de uitnodiging voor de zitting, terwijl ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat duidelijk sprake is van misbruik van procesrecht.

De rechtbank maant eiseres en haar gemachtigde echter nadrukkelijk om een actieve proceshouding aan te nemen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres ten onrechte niet gehoord is. De vraag of de brief van 3 mei 2013 een besluit is raakt aan de grondslagen van het bestuursrecht, zodat niet snel sprake zal zijn van kennelijkheid als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Ook in het onderhavige geval was daarvan geen sprake. Dat eiseres niet heeft gereageerd op de brief van 17 juli 2013 doet daar niet aan af.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal eiseres moeten horen en een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

In dat kader ziet de rechtbank aanleiding om nog het volgende te overwegen.

In het verzoek van 12 april 2013 is onder meer verzocht om de akte van aanstelling van de betreffende bijzonder opsporingsambtenaar (boa). Er van uitgaande dat de betreffende boa is aangesteld als gemeenteambtenaar vermag de rechtbank voorshands niet in te zien dat verweerder niet zou beschikken over een akte van aanstelling.

Verweerder heeft het verzoek van eiseres doorgezonden naar het CVOM. Het is derhalve niet uitgesloten dat eiseres langs die weg reeds alle of een aantal van de door haar gevraagde documenten heeft ontvangen. Het ligt in de rede dat eiseres aan verweerder bericht welke stukken zij van het CVOM heeft ontvangen en op welke stukken het verzoek thans nog betrekking heeft, zodat het vervolg van deze procedure efficiënt kan verlopen, en dat eiseres ook overigens een adequate proceshouding aanneemt. Indien de onderhavige zaak na een nieuw besluit op bezwaar bij de rechtbank terugkomt, is niet uitgesloten dat consequenties zullen worden verbonden aan een niet-adequate proceshouding van eiseres.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten in beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot € 974 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting , € 487 per punt).

Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 974 te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 160 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Gaastra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.