Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:669

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
05/720211-13 en 05/821734-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man uit Nijmegen is door de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De man heeft geprobeerd zijn broer zwaar te mishandelen. Ook heeft hij twee politie agenten bedreigd én beledigd en een tweetal jongeren mishandeld. De kans op herhaling is groot en vrijwillige hulpverlening heeft geen resultaat gehad. Daarom verplicht de rechtbank hem om zich, na de gevangenisstraf, te laten behandelen in de Piet Roorda kliniek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/720211-13 en 05/821734-13

Datum zitting : 22 januari 2014

Datum uitspraak : 05 februari 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum 1] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

raadsman : mr. B. Pernot, advocaat te Wijchen.

1. De inhoud van de tenlastelegging1

Verdachte wordt verweten:

In de eerste zaak (met het parketnummer 05-720211-13)

- poging zijn broer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in diens borst en buik te steken,

- bedreiging van [slachtoffer 1],

- bedreiging van twee politieagenten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en

- belediging van dezelfde twee politie agenten.

In de tweede zaak (met het parketnummer 05/821734-13)

- mishandeling van [slachtoffer 2] en

- mishandeling van [slachtoffer 3]

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 22 januari 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door de uitdrukkelijk gemachtigd raadsman mr. B. Pernot, advocaat te Wijchen.

Mevrouw [verbalisant 1] en de heren [verbalisant 2] en [slachtoffer 2] hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend.

De officier van justitie, mr. Y. Oosterhof, heeft de veroordeling van verdachte voor alle feiten geëist.

De raadsman van verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

In de eerste zaak (met het parketnummer 05-720211-13)2

De poging zijn broer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 van 05-720211-13)

Het standpunt van de verdediging

Verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken. Er kan niet worden bewezen dat [slachtoffer 4], de broer van verdachte, met het in de woning gevonden mes is gestoken en dat verdachte degene is die heeft gestoken. Op het mes is geen bloed van [slachtoffer 4] aangetroffen. Verdachte was stomdronken en herinnert zich niet meer wat er is gebeurd. De 112-melding en zijn bekennende verklaring zijn niet betrouwbaar. Omdat verdachte dronken was, heeft hij een verkeerde inschatting van de situatie gemaakt. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat verdachte hem per ongeluk heeft gestoken. Deze verklaring is ook niet betrouwbaar omdat [slachtoffer 4] psychiatrisch patiënt is. Daarnaast bevat het dossier de nodige aanwijzingen dat verdachte niet de dader is. Mogelijk heeft een ander [slachtoffer 4] gestoken met een mes, of heeft hij zichzelf verwond.

Als de rechtbank vindt dat wel bewezen kan worden dat verdachte zijn broer heeft gestoken, dan wilde hij hem geen zwaar lichamelijk letsel toebrengen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank twijfelt niet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte en zijn broer [slachtoffer 4]. De verklaringen zijn kort na het incident -spontaan- afgelegd. Verdachte en zijn broer verklaren op belangrijke punten gelijk. Verder worden de verklaringen ondersteund door de 112 melding. De rechtbank zal dus de verklaringen gebruiken voor het bewijs.

De verbalisanten die op 29 april rond 2.00 uur naar de woning aan de [straat 1] te Nijmegen gingen, troffen daar verdachte en zijn broer [slachtoffer 4] aan. [slachtoffer 4] had een grote snee in zijn borst links ter hoogte van zijn hart. Er stroomde bloed vanuit zijn borst over zijn buik. Verbalisant [verbalisant 1] zag in de woonkamer een mes op de grond liggen. In de kamer en in de keuken lag bloed op de grond. Op de vraag wat er was gebeurd, antwoordde verdachte dat hij zijn broer had gestoken. Even later zei verdachte dat hij zijn broer goed in zijn hart had gestoken. Verdachte heeft ook tegen de telefonist van de alarmcentrale gezegd dat hij zijn broer had gestoken en dat de wond heel erg diep was. De verklaring van verdachte wordt bevestigd door [slachtoffer 4]. Op de dag na het incident heeft hij tegenover verbalisanten verklaard dat verdachte hem met het mes (met een bovenhandse beweging) heeft gestoken. De forensisch arts heeft vastgesteld dat [slachtoffer 4] een wond van 2 centimeter in zijn bovenbuik had en een wond van 2 centimeter in zijn linker borstkas had. De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zijn broer met een mes heeft gestoken

De verdediging stelt dat verdachte geen zwaar lichamelijk letsel aan zijn broer wilde toebrengen en dat hij de kans daarop ook niet heeft aanvaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is algemeen bekend dat zich in de borst en de buik vitale organen bevinden. Ook verdachte wist dit, of zou dit moeten weten. Toch heeft hij zijn broer met een mes in het bovenlichaam gestoken. Hieruit blijkt dat verdachte (op zijn minst) zwaar lichamelijk letsel aan zijn broer wilde toebrengen.

De rechtbank verwerpt de stelling dat een ander persoon de messteken aan [slachtoffer 4] zou kunnen hebben toegebracht of dat hij zichzelf heeft verwond. Deze stelling is niet onderbouwd en wordt weerlegd door de hierboven genoemde bewijsmiddelen.

Conclusie:

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte:

op 29 april 2013 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn broer [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met een mes die [slachtoffer 4] in diens borst (ter hoogte van de hartstreek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bedreiging van [slachtoffer 1] (feit 2 van 05-720211-13).

Het standpunt van de verdediging

De enige die hierover verklaart is de aangeefster zelf. De verklaring van haar partner is mogelijk door haar beïnvloed en hij heeft niet precies gehoord wat er is gezegd. Daarom mag de verklaring van de partner niet als bewijs worden gebruikt en moet verdachte worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 1] woont in de [straat 1] te Nijmegen en is de buurvrouw van de broer van verdachte. Zij heeft in de ochtend van 29 april 2013 de politie heeft gebeld in verband met geluidsoverlast. Zij stond met politieagenten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] te praten toen verdachte zijn woning uit kwam lopen. Zij hoorde verdachte zeggen: “Wat ben jij toch laf en als deze twee er niet waren, brak ik nu je nek". Verbalisant [verbalisant 2] zag dat verdachte in de richting van aangeefster liep en hoorde dat hij haar met dreigende taal aansprak. Het maakt niet uit dat verbalisant [verbalisant 2] zich de letterlijke bewoordingen van de bedreiging niet meer herinnerde.

Dat aangeefster deze bedreiging serieus nam, is begrijpelijk omdat verdachte later die nacht zijn broer heeft neergestoken. De rechtbank vindt bewezen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd met de dood.

De rechtbank gebruikt de verklaring van de partner van de aangeefster niet voor het bewijs. Daarom gaat zij niet in op het betrouwbaarheidsverweer.

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 29 april 2013 te Nijmegen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend op voornoemde [slachtoffer 1] toegelopen en heeft aan deze vervolgens de woorden toegevoegd :"Wat ben jij toch laf en als deze twee er niet waren, brak ik nu je nek”.

De bedreiging en de belediging van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (feit 3 en 4, 05-720211-13)

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van deze feiten. Beide feiten zijn bewezen door de processen-verbaal van de agenten [verbalisant 2] en [verbalisant 1].

Conclusie

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte:

op 29 april 2013 te Nijmegen agent van politie Gelderland-Zuid [verbalisant 2] en hoofdagent van politie Gelderland-Zuid [verbalisant 1] heeft bedreigd met zware mishandeling en/of met verkrachting immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [verbalisant 2] dreigend (onder meer) de woorden toegevoegd : " Ik neuk jou in je kont" en "Als ik je op straat tegenkom, zal ik je helemaal in elkaar slaan" en "Als mijn handboeien loskomen, dan gaan we vechten" en "Ik sla je kapot als ik vrij ben." en voornoemde [verbalisant 1] dreigend (onder meer) de woorden toegevoegd: "Als de boeien af zijn, dan ga ik jou verkrachten" en "Ik ga je verkrachten en in je kont neuken" en "Ik ga je tussen je tieten neuken" en "Ja agentje, ik ga jou verkrachten en hard neuken" en "Wacht maar, straks als mijn boeien af zijn, dan verkracht ik je en neuk ik je in je kont" en "Doe de boeien maar af, dan verkracht ik je."

en dat

hij op 29 april 2013 te Nijmegen opzettelijk beledigend twee ambtenaren, te weten: agent van politie Gelderland-Zuid [verbalisant 2] en hoofdagent van politie Gelderland-Zuid [verbalisant 1] gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd (onder meer) de woorden (tegen die [verbalisant 2]): "Je bent een vieze Turk, he?" en "Je moeder is een hoer" en "Jij vieze kankerhoeren Turk" en "Je moeder is een kankerhoer" en "Jij bent een flikker" en "Een vieze Turkse flikker" en (tegen die [verbalisant 1]): "Jij vrouwtje agent bent een kuthoer" en "Jij bent een dikke kuthoer" en "Jouw moeder is ook een kuthoer.

In de tweede zaak (met het parketnummer 05/821734-13)3

De mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 1) en van [slachtoffer 3] (feit 2).

De verdediging vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat hij heeft mishandeld. De aangiftes spreken elkaar tegen en het uiterlijk van verdachte voldoet niet aan de gegeven omschrijving.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] verklaren dat zij op 5 september 2013 in Nijmegen met een aantal vrienden op een plein zaten. Er kwam een man op [slachtoffer 2] aflopen. Nadat hij en de man een woordenwisseling hadden, voelde [slachtoffer 2] dat de man hem met een hand bij de keel pakte. Daarna duwde de man hem weg en gaf hem een klap in zijn gezicht. [slachtoffer 2] viel en voelde pijn aan zijn rechteroog en zijn gezicht. Daarna liep de man op [slachtoffer 3] af. Hij haalde met zijn hand naar [slachtoffer 3] uit. [slachtoffer 3] stond op, en terwijl hij dat deed, trapte de man met de hak van zijn schoen [slachtoffer 3] met kracht tegen zijn bovenbeen. Hij voelde direct pijn.

In de processen-verbaal lijkt verwarring te ontstaan doordat verdachte en zijn broer beide tijdens de mishandeling aanwezig waren. De vraag is of verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld.

[slachtoffer 2] verklaart dat de man die hem mishandelde [verdachte] heet. De omschrijving van de man door [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en de getuige [getuige] komt op belangrijke punten overeen. Zij beschrijven allen de dader als de man in een zwarte joggingbroek, met een breed postuur. [slachtoffer 3] en [getuige] hebben bovendien gezien dat hij een grijs of bruin T-shirt droeg. Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat de broer van de dader in het blauw gekleed was. Dit was [slachtoffer 4]. Daarom vindt de rechtbank bewezen dat de man in de donkere kleding verdachte is en dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld.

Conclusie:

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte:

1.

hij op 05 september 2013 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) bij diens keel heeft vastgepakt en deze heeft geduwd en deze (met kracht) in diens gezicht heeft geslagen, waardoor deze is gevallen en pijn heeft ondervonden;

en dat

2.

hij op 05 september 2013 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), met kracht op diens (rechter boven)been heeft getrapt waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

In de eerste zaak met het parketnummer 05-720211-13

1 Poging tot zware mishandeling.

2 Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3 Bedreiging met zware mishandeling en verkrachting

en

Bedreiging met verkrachting

4. Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

In de zaak met het parketnummer 05/821734-13:

1 Mishandeling

2 Mishandeling

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

De poging om zijn broer zwaar te mishandelen (feit 1 van 05-720211-13)

De verdediging vindt dat verdachte niet mag worden gestraft en heeft daarom drie verweren gevoerd. Om deze verweren te onderbouwen heeft de verdediging een brief van de broer van verdachte overgelegd. De rechtbank hecht geen waarde aan de deze brief omdat de inhoud niet wordt ondersteund door eerdere verklaringen van verdachte, zijn broer, of de 112-melding.

1. Noodweer:

Als de rechtbank bewezen vindt dat verdachte zijn broer met het mes heeft gestoken, dan vindt de verdediging dat hij hem stak uit zelfverdediging. De situatie waarin verdachte zich bevond was dreigend en hij voelde zich weerloos.

Bij een beroep op noodweer stelt de dader niet strafbaar is omdat hij zich moest verdedigen tegen een aanval of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanval.

Kort na het steekincident hebben verdachte en zijn broer verklaringen afgelegd. Geen van tweeën meldt dat verdachte werd aangevallen door zijn broer. Het beroep op noodweer wordt verworpen omdat de rechtbank niet aannemelijk vindt dat [slachtoffer 4] verdachte aanviel.

2. Noodweerexces:

Als de rechtbank vindt dat verdachte zich te heftig heeft verdedigd, dan voert de verdediging aan dat dit komt door de hevige emoties die de verhouding tussen beide broers bij verdachte oproepen.

Hier gaat de rechtbank niet op in. Het is namelijk niet aannemelijk geworden dat verdachte zich moest verdedigen tegen een aanval van zijn broer.

3. Psychische overmacht

De verdediging voert ook nog het volgende aan. De problematische verhouding tussen de beide broers, waarbij verdachte de zwakkere partij is, vormt een van buiten komende dwang waaraan verdachte geen weerstand kon bieden.

Psychische overmacht is een zo sterke van buiten komende dwang, dat niet verwacht kan worden dat de dader daaraan weerstand biedt.

Ook hiervan heeft verdachte geen melding gemaakt in zijn eerste verklaringen. Het is de rechtbank bekend dat er eerder conflicten tussen de broers zijn geweest. Vaak zoeken de broers elkaar ook weer op. Zo gaat verdachte op 29 april 2013 op bezoek bij zijn broer. De rechtbank wil wel aannemen dat sprake is van een haat liefde verhouding tussen de beide broers. Maar de rechtbank vindt het niet aannemelijk dat verdachte zijn broer heeft gestoken omdat de verhouding met zijn broer een zo sterke psychische dwang veroorzaakte dat hij daaraan geen weerstand kon bieden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Tijdens de proeftijd van drie jaar moet verdachte een jaar worden opgenomen in de Piet Roorda Kliniek. De officier van justitie eist dat verdachte direct gedetineerd wordt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging vindt dat verdachte van de feiten moet worden vrijgesproken en vindt daarom een forse gevangenisstraf niet op zijn plaats. Verdachte moet bovendien behandeld worden.

Bij de beslissing over de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 24 december 2013;

 een psychologisch rapport van drs. [psycholoog], klinisch psycholoog, gedateerd 1 augustus 2013;

 een voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland, gedateerd 3 september 2013, betreffende verdachte;

 een voorlichtingsrapportage van IrisZorg ten behoeve van de wijziging van de schorsingsvoorwaarden, gedateerd 21 november 2013, betreffende verdachte;

 een voortgangsverslag toezicht van IrisZorg, gedateerd 4 december 2013, betreffende verdachte;

 een beknopt advies van de Reclassering Nederland, gedateerd 9 januari 2014, betreffende verdachte en

 een voortgangsverslag toezicht van IrisZorg, gedateerd 10 januari 2014, betreffende verdachte.

Uit genoemde rapportages komt -kort samengevat- het volgende beeld naar voren.

De relatie tussen verdachte en zijn broer kenmerkt zich onder meer door geweld. Beiden zijn alcoholist en hebben psychische problemen. Contact tussen hen, leidt tot crimineel gedrag. Verdachte drinkt al tien jaar dagelijks forse hoeveelheden alcohol, blowt al twaalf jaar en gebruikt sinds kortere tijd ook XTC, LSD en cocaïne. Zijn gevoelsleven is daardoor afgevlakt en hij is passief. Verdachte lijdt aan persoonlijkheidsproblematiek NAO met antisociale en afhankelijke trekken. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van de feiten. Het recidiverisico wordt hoog geschat.

Verdachte ziet het belang van een klinische behandeling in, maar wil pas na een veroordeling daaraan mee werken. In het verleden is gebleken dat hij zich niet aan afspraken hield en zich onttrok aan de begeleiding en controle. Geadviseerd wordt om aan het voorwaardelijk strafdeel meldplicht, klinische en ambulante behandeling te verbinden.

De rechtbank volgt de strafeis van de officier. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet recht aan de bewezenverklaarde feiten. De voorwaardelijke straf is noodzakelijk om het recidivegevaar te verkleinen. Verdachte moet worden gedwongen mee te werken aan zijn behandeling en aan andere voorwaarden.

In verband met het grote herhalingsgevaar vindt de rechtbank dat verdachte weer moet worden gedetineerd. Daarom wordt de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.

6a. De beoordeling van de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade

[verbalisant 1] en [verbalisant 2] vorderen een bedrag van € 150,- euro als smartengeld.

[slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 455,89 bestaande uit € 250,- smartengeld en

€ 105,90 voor de reparatie van zijn fiets en € 99,99 voor reparatie van zijn telefoon.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Wel tegen de vordering van [slachtoffer 2]. Zijn vordering zou niet ontvankelijk verklaard moeten worden omdat hij van de mishandeling moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vorderingen van de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kunnen worden toegewezen. De vordering van [slachtoffer 2] kan ook worden toegewezen, met uitzondering van de schade aan de telefoon. Uit niets blijkt blijkt dat de schade aan de telefoon door de mishandeling is ontstaan. De officier van justitie heeft verzocht dat verdachte de bedragen, als zekerstelling naar de benadeelden, moet betalen aan de staat. Als hij dat niet doet moet hij daarbij ook hechtenis.

Beoordeling door de rechtbank

De vorderingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zullen worden toegewezen. Er is namelijk geen bezwaar tegen gemaakt door de verdediging.

De vordering van [slachtoffer 2] zal de rechtbank ook toewijzen. Er is geen verweer tegen gevoerd. En wat betreft de telefoon is het verband tussen de mishandeling en de schade voldoende aannemelijk.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 57, 266, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. Meldplicht

De veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, huisbezoeken kunnen deel uit maken van het toezicht.

5. Opname in zorginstelling - klinische behandeling voor de duur van een jaar.

De veroordeelde wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven

indicatiestelling zich te laten opnemen in de forensische verslavingskliniek Piet Roorda, of een soortgelijke intramurale instelling, en het daarbij behorende resocialisatietraject, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem/haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven.

6. Behandelverplichting- Ambulante behandeling

De veroordeelde wordt verplicht om zich in aansluiting op zijn klinische behandeling

ambulant te laten behandelen voor zijn verslaving en zijn gedragsproblematiek. De

ambulante behandeling kan plaats vinden bij lrisZorg of soortgelijke ambulante

forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Het zorgaanbod zal starten in aansluiting op de klinische behandeling.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht in geval van de tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van datum van uitspraak van dit vonnis.

De beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [verbalisant 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1] toe.

- Veroordeelt de veroordeelde te betalen € 150,- (honderd vijftig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde te betalen de overige, nu nog onbekende, kosten die [verbalisant 1] gemaakt heeft en de kosten die zij in verband met de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt veroordeelde daarnaast de verplichting op om dit bedrag te betalen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 1]. Als veroordeelde dit niet doet, dient hij 3 dagen in hechtenis te verblijven. Als veroordeelde deze vervangende hechtenis ondergaat, vervalt zijn verplichting tot betaling niet.

- Als veroordeelde dit bedrag aan het slachtoffer betaalt, hoeft hij dit niet meer aan de Staat te betalen. Andersom geldt hetzelfde.

De benadeelde partij [verbalisant 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2] toe.

- Veroordeelt de veroordeelde te betalen € 150,- (honderd vijftig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde te betalen de overige, nu nog onbekende, kosten die [verbalisant 2] gemaakt heeft en de kosten die hij in verband met de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt veroordeelde daarnaast de verplichting op om dit bedrag te betalen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 2]. Als veroordeelde dit niet doet, dient hij 3 dagen in hechtenis te verblijven. Als veroordeelde deze vervangende hechtenis ondergaat, vervalt zijn verplichting tot betaling niet.

- Als veroordeelde dit bedrag aan het slachtoffer betaalt, hoeft hij dit niet meer aan de Staat te betalen. Andersom geldt hetzelfde.

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe.

- Veroordeelt de veroordeelde te betalen € 455,89 (vierhonderd vijfenvijftig euro en negenentachtig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde te betalen de overige, nu nog onbekende, kosten die [slachtoffer 2] gemaakt heeft en de kosten die hij in verband met de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt veroordeelde daarnaast de verplichting op om dit bedrag te betalen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 2]. Als veroordeelde dit niet doet, dient hij 9 dagen in hechtenis te verblijven. Als veroordeelde deze vervangende hechtenis ondergaat, vervalt zijn verplichting tot betaling niet.

- Als veroordeelde dit bedrag aan het slachtoffer betaalt, hoeft hij dit niet meer aan de Staat te betalen. Andersom geldt hetzelfde.

Aldus gewezen door:

mr. W.L.J.M. Duijst (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik, mr. J.J.H. van Laethem, rechtersin tegenwoordigheid van mr. M.E. Cosijn, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2014.

Bijlage I

Aan verdachte is tenlastegelegd:

In de zaak met het parketnummer 05/720211-13

1.

Primair

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Nijmegen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn broer [slachtoffer 4] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans met een scherp/puntig voorwerp die [slachtoffer 4] in diens borst(ter hoogte van de hartstreek) en/of in diens buik(streek), althans in diens bovenlichaam

heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Nijmegen opzettelijk mishandelend zijn broer [slachtoffer 4], meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een

mes, althans met een scherp/puntig voorwerp in diens borst(ter hoogte van de

hartstreek) en/of in diens buik(streek), althans in diens bovenlichaam heeft

gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Nijmegen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft/is verdachte opzettelijk dreigend op voornoemde [slachtoffer 1] toegelopen en aan

deze vervolgens de woorden toegevoegd :"Wat ben jij toch laf en als deze twee

er niet waren, brak ik nu je nek", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking;

3.

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Nijmegen agent van politie Gelderland-Zuid [verbalisant 2] en/of hoofdagent van politie Gelderland-Zuid [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met verkrachting en/of met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [verbalisant 2] dreigend (onder meer) de woorden toegevoegd : " Ik neuk jou in je kont" en/of "Als ik je op straat tegenkom, zal ik je helemaal in elkaar slaan" en/of "Als mijn handboeien loskomen, dan gaan we vechten" en/of "Ik sla je kapot als ik vrij ben.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of voornoemde [verbalisant 1] dreigend (onder meer) de woorden toegevoegd: "Als de boeien af zijn, dan ga ik jou verkrachten" en/of "Ik ga je verkrachten en in je kont neuken" en/of "Ik ga je tussen je tieten neuken" en/of "Ja agentje, ik ga jou verkrachten en hard neuken" en/of "Wacht maar, straks als mijn boeien af zijn, dan verkracht ik je en neuk ik je in je kont" en/of "Doe de boeien maar af, dan verkracht ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Nijmegen opzettelijk beledigend twee/een)

ambtena(a)r(en), te weten : agent van politie Gelderland-Zuid [verbalisant 2] en/of hoofdagent van politie Gelderland-Zuid [verbalisant 1] gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd(onder meer) de woorden (tegen die [verbalisant 2]): "Je bent een vieze Turk, he?" en/of "Je moeder is een hoer" en/of "Jij vieze kankerhoeren Turk" en/of "Je moeder is een kankerhoer" en/of "Jij bent een flikker" en/of "Een vieze Turkse flikker" , althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of (tegen die [verbalisant 1]): " Jij vrouwtje agent bent een kuthoer" en/of "Jij bent een dikke kuthoer" en/of "Jouw moeder is ook een kuthoer ", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

In de zaak met het parketnummer 05/812734-13

1.

hij op of omstreeks 05 september 2013 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) bij diens keel heeft vastgepakt en/of deze heeft geduwd en/of deze (met

kracht) in diens gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze is gevallen en/of letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 05 september 2013 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), met kracht op/tegen diens (rechter boven)been heeft getrapt waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bijlage II

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

In de eerste zaak met het parketnummer 05-720211-13

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Zuid, District Stad Nijmegen, Flexrecherche Nijmegen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2013044348, gesloten op 1 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Feit 1 primair

Proces-verbaal van aanhouding, p.15:

Op maandag 29 april 2013 te 2:10 uur, (.…), op de locatie [straat 1] te Nijmegen, (….)”Wij zagen dat [slachtoffer 4] onder het bloed zat ter hoogte van zijn linker borst. Wij, verbalisanten zagen dat het bloed vanuit zijn linker borst naar beneden stroomde over zijn buik. Wij, verbalisanten, zagen een snee op zijn linker borstnet boven de linker tepel ter hoogte van zijn hart. Wij, verbalisanten, zagen dat de snee diagonaal liep en ongeveer een centimeter breed en ongeveer drie centimeter lang was. (….) Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat er in de keuken bloed op de grond lag(….) ik zag dat er in de gang bloed op de grond lag. Wij zagen een andere man, naar later bleek, zijn broer [verdachte], op een stoel in de woonkamer.(….) Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag in de woonkamer een mes op de grond liggen (…) Ik, (….), heb(….) [verdachte] gevraagd: “wat is er gebeurd?” Hierop hoorde ik (….) dat [verdachte] zei: “Dat heb ik gedaan. Ik heb hem gestoken.”(….) Toen verdachte [verdachte] door verbalisant [verbalisant 2] in het voertuig werd geplaatst en hem de autogordel werd omgedaan, hoorde ik, verbalisant [verbalisant 1], dat [verdachte] zei: “Ik heb hem in zijn hart gestoken hè. Ik heb hem goed gestoken in zijn hart.”(….)

Proces-verbaal van bevindingen, p. 46:

(…)”Hij (Rechtbank: [slachtoffer 4]) verklaarde (…) dat hij en zijn broertje [verdachte] in de woning zaten aan de [straat 1] te Nijmegen. (….)en dat zijn broertje het mes pakte en met bovenhandse beweging hem neerstak. Het mes waarmee [verdachte] (…) neerstak was een Zwitsers mes, type EKA. (….) Hiermee werd betrokkene twee keer geraakt. Een keer boven zijn hart en een keer in zijn buik.”(….)

Proces-verbaal van bevindingen, p. 64:

“(…)

M: Wat voor een wond is het? (….)

M: Met een zakmes.

A: Ja maar hij is echt heel diep.(….)

A: Ja maar ik (Rechtbank: [verdachte]) heb hem wel flink geraakt(…)

M: (….)Dus jij hebt hem gestoken?

A: Ja maar ik heb hem niet echt expres gestoken.”

Schriftelijk bescheid in de vorm van een rapportage letselonderzoek, p. 63:

“Op verzoek (….) heeft ondergetekende op 29 april 2013 te Nijmegen op de IC van een lokaal ziekenhuis een medisch onderzoek verricht bij de heer [slachtoffer 4], geboren [geboortedatum 2] en wonende te [straat 1] te Nijmegen.

Bij onderzoek op 29 april wordt het volgende letsel geconstateerd:

  1. Scherp huiddefect ca. 2 cm. midden bovenbuik met 2 hechtingen ( ….)

  2. Scherp huiddefect zijkant linker borstkas ca. 2 cm. met 2 hechtingen (….)”

Feit 2

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], p. 69:

(….) Maandagochtend 29 april 2013 omstreeks 01.30 uur werden wij wakker van een hoop harde muziek. (….) Uiteindelijk besloot ik daar niet heen te gaan en had mijn man de politie gebeld.(….) Ik stond met de agenten te praten toen er voor mij een bekende man uit de woning nummer 4 kwam gelopen. Ik herkende de man als [verdachte] en dat is de broer van mijn buurman.(….) Toen [verdachte] mij zag staan hoorde ik hem tegen mij zeggen: “Wat ben jij toch laf en als die twee er niet geweest waren brak ik nu je nek.” (….) Ik neem de bedreiging serieus, omdat [verdachte] gewelddadig is. Diezelfde nacht had [verdachte] namelijk zijn broer [slachtoffer 4] (….) gestoken.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 72:

Ik, verbalisant [verbalisant 2], agent van politie te Gelderland-Zuid, verklaar het volgende:

Tussen 29 april omstreeks 1:30 uur en (….) 1:45 uur, heb ik een onderzoek ingesteld(….). Ik was met collega [verbalisant 1] op de [straat 1] voor de deur bij perceel [nummer 1] te Nijmegen. (….) Ik zag dat de voordeur van perceel [nummer 2] werd geopend door een vrouwelijke bewoonster. Ik zag dat [verdachte] in de richting van de bewoonster van perceel [nummer 2] liep. Ik zag dat [verdachte] op haar afliep. Ik hoorde dat [verdachte] met een dreigende taal de bewoonster aansprak. (….)

Feiten 3 en 4:

Proces-verbaal van aanhouding, p. 17:

(….) “Op maandag 29 april 2013 waren wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], belast met noodhulp. Wij reden in een opvallend dienstvoertuig en waren gekleed in uniform. Derhalve waren wij, verbalisanten, herkenbaar als zijnde ambtenaren van politie. Omstreeks 2.00 uur kregen wij een melding om te gaan naar de [straat 1] te Nijmegen (.…) Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], de verdachte [verdachte] meegedeeld dat hij was aangehouden. (….) Wij (….) hebben verdachte ter voorgeleiding overgebracht naar het Hoofdbureau van Politie te Nijmegen. (….)

Tijdens het vervoeren van de verdachte [verdachte] hoorde en zag ik, verbalisant [verbalisant 2], dat de woorden die de verdachte sprak en die ik hieronder zal verklaren, kennelijk opzettelijk in mijn richting en voor mij bestemd werden uitgesproken:

“Jij bent een vieze Turk he?”

“Je moeder is een hoer”.

“Ik neuk jou in je kont”.

“Jij vieze kanker hoeren Turk”.

“Je moeder is een kankerhoer”.

“Je bent voor Turkije, naar je vecht voor Nederland jij vieze kanker Turk”.

“Jij bent een flikker”.

“Een vieze Turkse flikker”.

“Als ik je op straat tegen kom zal ik je helemaal in elkaar slaan”.

“Als mijn handboeien loskomen dan gaan we vechten”.

“Ik sla je kapot als ik vrij kom”.

Door de uitspraken gecombineerd met de blik van de verdachte voelde ik mij in mijn eer aangetast. Ik voelde mij bedreigd door de uitspraken van de verdachte. Ik had het idee dat de verdachte zijn uitspraken daadwerkelijk ten uitvoer zou gaan leggen. Ik zag dat de verdachte lachend naar mij keek tijdens deze uitspraken.

Tijdens het vervoeren van de verdachte [verdachte] hoorde ik, verbalisant [verbalisant 1], dat de woorden die de verdachte sprak en die ik hieronder zal verklaren, kennelijk opzettelijk in mijn richting en voor mij bestemd werden uitgesproken:

“Jij vrouwtje agent bent een kuthoer”

“Jij bent een dikke kuthoer

“Jij bent een dikke vuile kuthoer”

“Jouw moeder is ook een kuthoer”

“Als de boeien af zijn ga ik jou verkrachten”

“Ik ga je verkrachten en in je kont neuken”

“Ik ga je tussen je tieten neuken”

“Ja, agentje ik ga jou verkrachten en hard neuken”

“Wacht maar straks als mijn boeien af zijn dan verkracht ik je en neuk ik je in je kont”

Door bovenstaande uitspraken voelde ik, verbalisant [verbalisant 1], mij in mijn eer aangetast. Ik, verbalisant [verbalisant 1], voelde mij beledigd en bedreigd door de uitspraken van de verdachte. Ik had het idee dat de verdachte zijn uitspraken daadwerkelijk ten uitvoer zou brengen. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat de verdachte bij de arrestantenwacht nogmaals zeggen: “Doe de boeien maar af, dan verkracht ik je”. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat de verdachte mij hierbij aan keek. Hierdoor voelde ik, verbalisant [verbalisant 1], mij bedreigd.

Wij, verbalisanten, stonden samen met de verdachte in de lift onderweg naar de arrestantenwacht. In de lift hoorde ik, verbalisant [verbalisant 2], dat de verdachte zei: “Als mijn handboeien straks los gaan we vechten”. Ik, verbalisant [verbalisant 2], had het idee dat de verdachte daadwerkelijk met mij zou gaan vechten zodra zijn handboeien los gemaakt zouden worden.”

In de tweede zaak met het parketnummer 05-821734-13

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Zuid, District Stad Nijmegen, Veel voorkomende criminaliteit Nijmegen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL 081N 2013094413, gesloten op 14 november 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Feiten 1 en 2:

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], p. 5:

(….) “Op donderdag 5 september 2013 omstreeks 20:15 uur was ik met een aantal vrienden

op het plein in de Hobbemastraat te Nijmegen. (….)Op een gegeven moment kwam er een man aanlopen die richting onze groep liep(….)Volgens mij heet de man [verdachte] maar dat weet ik niet zeker. (….) Ik keek de man aan en hij riep naar mij wat kijk je me nou aan. Ik voelde dat de man mij bij de keel pakte met een (1) hand. Daarna gaf hij mij een duw en ik voelde een klap in mijn gezicht. Door de klap kwam ik ten val, mijn fiets viel ook. Daar zat ik op toen ik de klap kreeg. Door de harde klap welke ik voelde op mijn rechteroog kwam ik ten val. Ik voelde direct pijn aan mijn rechteroog en gezicht. Ik heb ook letsel overgehouden aan de klap in mijn gezicht. (….)Ik viel plat op de grond en de fiets viel dus ook. Ik voelde pijn aan mijn rechteroog en probeerde op te staan. (….) Toen ik weer stond zag ik dat de man zijn aandacht begon te richten op een vriend van mij. Ik zag dat de man een trap gaf op het been van een vriend van mij.

Ik kan de man als volgt omschrijven:

blanke man, (….), dik postuur maar wel breed gebouwd,(….), tevens was hij in het donker gekleed.”(….)

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3], p. 8:

(….)“Ik doe aangifte van mishandeling. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte pijn en/of letsel. Ik verklaar u daarover het volgende: (….) Op donderdag 5 september 2013 omstreeks 19.30 uur, zat ik samen met mijn vrienden [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] op een bankje.(….) Omstreeks 20.00 uur zag ik twee mannen richting het pleintje lopen. Ik had deze twee mannen wel eens eerder gezien maar ik ken de mannen niet persoonlijk. Ik kende beide mannen wel uit verhalen. Ik weet dat de moeder van beide mannen tegen het pleintje aan woont.(….) Uit verhalen heb ik gehoord dat de man [slachtoffer 4] heet. Zijn broer(….) heet [verdachte]. (….) Ik zag dat de man naar [naam 1] toe liep. (....) Ik zag dat de man zijn arm uitstak en [naam 1] bij zijn gezicht wilde grijpen. Dit lukte de man niet. Ik zag dat de man zijn hand om de keel van mijn vriend [naam 1] deed.(….) Ik zag dat de man zijn elleboog omhoog tilde en mijn vriend [naam 1] hiermee op zijn oog sloeg. (….) Ik zag dat de man tegen de fiets van [naam 1] aanstootte waardoor hij op de grond viel. Ik zag dat mijn vriend [naam 1] hierdoor ook op de grond terecht kwam. (….) Ik was de enige die op dat moment nog op het bankje zat. Ik zag dat de man op mij af kwam lopen.(….) Tijdens het opstaan zag ik dat de man zijn been omhoog trok en mij met zijn hak van zijn schoen op mijn rechter bovenbeen trapte. Dit deed hij met zijn zwarte schoenen. (….) Ik zag en voelde dat de man dit met kracht deed. Ik voelde direct een pijn door mijn been schieten. Dit was een zeurende pijn. Het voelde aan alsof ik hele erge spierpijn had. Er ontstond direct een grote rode plek op mijn bovenbeen. Mijn rechter bovenbeen werd dikker als mijn andere been.(….)

De agressieve man zag er als volgt uit:

(….)

De man had een breed postuur.

(….)

De man droeg een grijs of bruin T-shirt.

De man droeg een zwarte trainingsbroek.”

(….)

Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige], p. 14:

(….)”Mijn woning is aan de [straat 2] te Nijmegen. Dit was omstreeks 20.00 uur op 5 september 2013. Ik zag dat er een man naar de hangjongeren voor mijn woning liep. Ik kan de man als volgt beschrijven:

- man

- Zwarte trainingsbroek met strepen aan de zijkant

- Grijs T-shirt

- Gezet postuur”(….)

Proces-verbaal van aanhouding, p. 23:

(….)”Hij gaf aan dat hij inderdaad twee mensen in de straat had zien lopen.(….)

De jongens welke getuige waren van de mishandeling hadden een omschrijving van de broer van de dader aan ons verstrekt. De broer zou in het blauw gekleed zijn en dat hij waarschijnlijk [slachtoffer 4] heette. Ik zag dat de man welke de woning verliet in het blauw was gekleed(….)Op dat moment sprak ik de man aan en vroeg hem om zijn identiteitspapieren. (….) de man gaf op te zijn: [slachtoffer 4] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 4]), [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum 2].(….)”

1 De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

2 De bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsmiddelen zijn in Bijlage III aan dit vonnis gehecht.